Statenvertaling.nl

sample header image

2 Koningen 23 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

2 Koningen 23

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Josia laat het wetboek voorlezen, en vernieuwt het verbond met den Heere, vs. 1, enz. Reinigt den tempel, en roeit alle afgoderij uit, 4. Breekt het altaar te Bethel, en brandt daarop mensenbeenderen, 15. Hij houdt het paasfeest, 21. Verhaal van nog andere bewijzen zijner godvruchtigheid, 24. Hoewel Gods toorn tegen het land niet ophield, 26. Hij trekt in den strijd tegen Farao Necho, wordt gewond, en sterft, 29. Zijn zoon Joahaz wordt koning, 31. Denwelken Farao Necho afzet, en voor hem koning maakt Eljakim, dien hij Jojakim noemt, 33. Zijn regering, 35.
 
De reformatie onder Josía
1 TOEN a1zond de koning heen, en tot hem verzamelden al de 2oudsten van Juda en Jeruzalem.
a 2 Kron. 34:29. verwijsteksten
1 Te weten boden; denwelken hij last gaf de oudsten bijeen te roepen.
2 Versta degenen die in de regering en in het leerambt boven anderen gesteld waren. Zie Ex. 3 op vers 16. Lev. 4 op vers 15. verwijsteksten
 
2 En de koning ging op in het huis des HEEREN, en met hem 3alle man van Juda en alle inwoners van Jeruzalem en de priesters en 4profeten en al het volk, van den minste tot den meeste; en hij las voor hun oren al de woorden van het boek des verbonds, bdat in het huis des HEEREN gevonden was.
3 Versta de voornaamsten.
4 Sommigen verstaan door dezen Jeremia, Zefanja en Uria, die in dezen tijd geleefd hebben. Anderen de discipelen der profeten, of de schriftgeleerden en ervarenen in de wet des Heeren.
b 2 Kon. 22:8. verwijsteksten
 
3 De koning nu stond aan den 5pilaar en maakte een verbond 6voor des HEEREN aangezicht om 7den HEERE na te wandelen, en Zijn geboden en Zijn getuigenissen en Zijn inzettingen 8met ganser harte en met ganser ziele te houden, 9bevestigende de woorden dezes verbonds, die in dit boek geschreven zijn. En het ganse volk 10stond in dit verbond.
5 Zie 2 Kon. 11 op vers 14. verwijsteksten
6 Dat is, in het voorhof des volks, dat voor het voorhof der priesters, vóór aan den tempel des Heeren was, waarin de ark des verbonds was, boven dewelke Zich de Heere openbaarde. Zie Lev. 1 op vers 3. verwijsteksten
7 Dat is, in de wegen des Heeren te wandelen. Wat dit is, zie 1 Kon. 11 op vers 33, en de woorden hier volgende. verwijsteksten
8 Zie Deut. 6 op vers 5. verwijsteksten
9 Zie Deut. 27 op vers 26. verwijsteksten
10 Dat is, hield zich daaraan, en was daarmede tevreden. Alzo is ons verboden te staan in een kwade zaak, Pred. 8:3, dat is, zich daaraan te houden en dezelve toe te staan. verwijsteksten
 
4 En de koning gebood den hogepriester Hilkía en den priesters der 11tweede ordening en den 12dorpelbewaarders, dat zij uit den tempel des HEEREN alle gereedschap dat voor Baäl en voor het beeld van het bos en voor al het heir des hemels gemaakt was, uitbrengen zouden; en hij verbrandde dat buiten Jeruzalem in de velden van den 13Kidron en liet het stof daarvan naar 14Bethel dragen.
11 Deze priesters zijn onder den overpriester de voornaamste geweest.
12 Te weten van den tempel des Heeren. Alzo 2 Kon. 22:4. Zie de aant. verwijsteksten
13 Zie 1 Kon. 2 op vers 37. verwijsteksten
14 Een der steden waar Jerobeam een gulden kalf had opgericht, 1 Kon. 12:29, en dienvolgens een poel van afgoderij; uit welke oorzaak zij Beth-Aven, dat is, een huis der boosheid, genoemd wordt, Hos. 4:15; 10:5, en hier van Josia smadelijk onteerd wordt met de as der verbrande afgodische vaten daar uit te werpen. verwijsteksten
 
5 Daartoe schafte hij de 15Chemarim af, die de koningen van Juda gesteld hadden opdat men roken zou op de hoogten, in de steden van Juda en rondom Jeruzalem, mitsgaders die aan den Baäl, de zon en de maan en de andere planeten en al het heir des hemels rookten.
15 Een soort der afgodische priesters van Baäl; van dewelke zie ook Hos. 10:5. Zef. 1:4. De naam Chemarim komt van een woord, betekenende warm zijn, branden; insgelijks zwart worden; ook samengetrokken, gerimpeld, en ingerold, hetwelk door den brand veroorzaakt wordt; vanwaar ook is bij de Chaldeeën de betekenis van insluiten. Hieruit is het gevoelen der geleerden van deze benaming verscheiden. Velen menen dat deze Baälspapen zo geheten werden, omdat hun orde was zwarte kleding te dragen; enigen, omdat zij er zwart en berookt uitzagen, dewijl zij altijd met roken en offeren bezig waren; anderen, omdat zij zich gelieten in hun afgodendienst zeer vurig en brandig te wezen; sommigen, omdat zij zich uit een schijn der heiligheid opsloten, om zich van de wereld af te zonderen en alleen te leven, enz. verwijsteksten
 
6 Hij bracht ook het beeld van het 16bos uit het huis des HEEREN weg, buiten Jeruzalem, tot 17de beek Kidron, en verbrandde het aan de beek Kidron en vergruisde het tot stof; en hij 18wierp het stof daarvan op de graven der 19kinderen des volks.
16 Hetwelk van den koning Manasse in den tempel gesteld was, 2 Kon. 21:7. verwijsteksten
17 Anders: tot het dal Kidron. Alzo onder hier in hetzelfde vers.
18 Te weten tot verfoeiing van alle gestorven afgodisten, en voorbeeldige waarschuwing der levenden.
19 Dat is, der inwoners des lands, die afgodendienaren geweest waren, vgl. 2 Kron. 34:4, of: der gemene lieden. verwijsteksten
 
7 Daartoe brak hij de huizen der 20schandjongens af, die aan 21het huis des HEEREN waren, alwaar de vrouwen 22huisjes voor het beeld van het bos weefden.
20 Zie Deut. 23 op vers 17. verwijsteksten
21 Versta in het voorhof des volks; alwaar de afgodendienaren (zo men meent) hun woonplaatsjes hadden.
22 Versta kapelletjes, of kabinetten en kasten, gemaakt van geweven, of genaaid, en gestikt werk, waarin de beeldjes der afgoden stonden. Anderen verstaan zulke tenten waarin de afgodendienaren hun schandelijke vuiligheden ter ere van hun afgoden tezamen bedreven.
 
8 En hij bracht al de 23priesters uit de steden van Juda, en 24verontreinigde de hoogten alwaar die priesters gerookt hadden, van 25Geba af tot 26Berséba toe; en hij brak de hoogten 27der poorten af, ook die aan de deur der poort 28van Jozua, den overste der stad, was, welke aan iemands 29linkerhand was, in de stadspoort gaande.
23 Namelijk de afgodische.
24 Te weten om die onbekwaam en onwaardig tot hun afgodendienst te maken.
25 Een stad in Benjamin, de noordpale van het koninkrijk van Juda. Zie 1 Kon. 15 op vers 22. verwijsteksten
26 Gelegen in Juda, en de zuidpale van het gehele land Kanaän. Zie Gen. 21 op vers 31. verwijsteksten
27 Dat is, die aan de poorten waren.
28 Dat is, hij heeft zowel der geweldigen en oversten, als der armen en geringen afgoderij verhinderd.
29 Hebr. de linkerhand eens mans, namelijk desgenen die ter stadspoort inkwam.
 
9 Doch de priesters der hoogten 30offerden niet op het altaar des HEEREN te Jeruzalem, maar zij aten ongezuurde broden in het midden van hun broederen.
30 Of: kwamen niet op tot het altaar, enz. De zin is, dat deze priesters, omdat zij den afgoden geofferd hadden, met hun nakomelingen verstoken waren van het priesterambt, als onwaardig daarvan zijnde, Ez. 44:13, hoewel zij nochtans, omdat zij zich bekeerden, hun onderhoud hadden van de ongedesemde koeken, die de priesters alleen mochten eten, Lev. 2:4, 10, zijnde daarin den gebrekkelijken nakomelingen van Aäron gelijkgemaakt, Lev. 21:17, 22. verwijsteksten
 
10 Hij 31verontreinigde ook 32Tofeth, dat in het dal der kinderen van 33Hinnom is, opdat niemand zijn zoon of zijn dochter voor den 34Molech door het vuur deed gaan.
31 Te weten met aldaar mest, drek, dode en verrotte lichamen en alle vuiligheid te doen werpen.
32 Een plaats bij de stad van Jeruzalem, in een schone en vermakelijke landouw gelegen, zo genoemd van het woord toph, trommel; alwaar de afgodendienaren hun kinderen den afgod Molech offerden, doende dezelve door het vuur gaan, of ook geheel verbranden; tot welk einde zij gelegd werden in de armen van een gloeiend beeld, dat van binnen hol en vol vuur was. Alzo nu de kinderen door de pijn van den brand groot getier maakten, zo heeft men een groot geluid met trommels gemaakt, opdat het geschrei derzelve van de ouders of vrienden niet zou gehoord worden. Vgl. Lev. 18:21. Jer. 7:31. verwijsteksten
33 De naam van een man wiens kinderen deze plaats eertijds toebehoord had, zodat zij daarvan heette Ge-Bene Hinnom, Joz. 15:8, dat is, het dal der kinderen van Hinnom; of: Gehinnom, dat is, het dal van Hinnom, Neh. 11:30. Van de zeer gruwelijke pijn van het vuur, die de kinderen der afgodendienaren daar geleden hebben, is de hel genoemd gehenna, Matth. 5:22, dewelke is een onuitblusselijk vuur, Mark. 9:43. verwijsteksten
34 Vers 13 genaamd Milcom. Zie Lev. 18 op vers 21. verwijsteksten
 
11 En hij schafte de 35paarden af die de koningen van Juda voor de zon 36gesteld hadden, van den ingang in het huis des HEEREN tot de 37kamer van Nathan-Mélech, den hoveling, die in 38Parvárim was; en de wagens der 39zon verbrandde hij met vuur.
35 Sommigen verstaan dit van levende paarden, die ter ere van de zon gehouden en gebruikt werden; want zekere mannen (alzo enigen menen) waren geordineerd om des morgens de opgaande zon met deze paarden van het huis des Heeren tot het huis van Nathan-Melech tegemoet te rijden, en die te groeten, te aanbidden en godsdienstiglijk te vereren. Anderen verstaan niet dan de beeltenissen dezer paarden en wagens.
36 Of: gegeven hadden.
37 Dat is, tot het huis.
38 Of: in de voorsteden; te weten van de stad Davids, niet ver van den tempel gelegen. Het Hebreeuwse woord parvarim nemen sommigen voor den naam van een plaats bij den tempel; doch wat het voor een plaats geweest is, is onbekend.
39 Dat is, ter ere van de zon naar de wijze der heidenen gemaakt.
 
12 Verder, de altaren die op het 40dak der opperzaal van Achaz waren, die de koningen van Juda gemaakt hadden, mitsgaders de altaren cdie Manasse in de twee voorhoven van het huis des HEEREN gemaakt had, brak de koning af; en hij verbrijzelde ze vandaar 41en wierp het stof daarvan in de beek Kidron.
40 Zijnde daar gemaakt ter ere van het heir des hemels. Zie Jer. 19:13. Zef. 1:5. verwijsteksten
c 2 Kon. 21:5. verwijsteksten
41 Hetwelk geschiedde, eensdeels tot openbare versmading van deze afgodische overblijfselen, en anderdeels tot volkomen uitroeiing daarvan, opdat niets van dezelve zou overgelaten worden.
 
13 De hoogten ook, die vóór aan Jeruzalem waren, dewelke waren ter rechterhand van den berg 42Mashith, die Sálomo, de koning Israëls, voor 43Astoreth, het verfoeisel der Sidoniërs, en voor 44Kamos, het verfoeisel der Moabieten, en voor 45Milcom, den gruwel der kinderen Ammons, gebouwd had, verontreinigde de koning.
42 Anders: des verdervers. Versta den Olijfberg, gelegen bij Jeruzalem, hier genaamd de berg van Mashith, dat is, des verdervenden, of des verdervers, omdat de Joden zich daar door afgoderij verdierven. Anders heette hij de berg Mischah, dat is, der zalving, omdat daarop vele olijven wiesen, van dewelke de zalfolie gemaakt werd; zodat tussen beide de namen kleine ongelijkheid is in de letters, maar groot in de betekenissen. Zie 1 Kon. 11:7. verwijsteksten
43 Deze naam met de twee volgende, Kamos en Milcom, zijn namen van afgodische beelden. Zie van Astoreth Richt. 2:13. verwijsteksten
44 Zie 1 Kon. 11 op vers 7. verwijsteksten
45 Zie Lev. 18 op vers 21. verwijsteksten
 
14 Insgelijks brak hij de dopgerichte beelden en roeide de bossen uit; en hij vervulde hun plaats met 46mensenbeenderen.
d Ex. 23:24; 34:13. Num. 33:52. Deut. 7:5, 25; 12:3. verwijsteksten
46 Die hij uit de graven der afgodendienaren liet halen, om daarmede de afgodische plaatsen te verontreinigen en afschuwelijk te maken. Vgl. vss. 16, 20. Insgelijks Ez. 6:5. verwijsteksten
 
15 Daartoe ook het ealtaar dat te Bethel was, en de hoogte die Jeróbeam, de zoon van Nebat, dewelke Israël zondigen deed, gemaakt had; tezamen datzelve altaar en die hoogte brak hij af, ja, hij verbrandde de hoogte, hij vergruisde ze tot stof en hij verbrandde het bos.
e 1 Kon. 12:32, 33. verwijsteksten
 
16 En als Josía zich omkeerde, zag hij de graven die daar op den berg waren, en zond heen en nam de beenderen uit de graven en verbrandde ze op 47dat altaar en verontreinigde dat; fnaar het woord des HEEREN dat de man Gods uitgeroepen had, die deze woorden 48uitriep.
47 Te weten dat te Bethel van Jerobeam opgericht was, vers 15. verwijsteksten
f 1 Kon. 13:2. verwijsteksten
48 Dat is, voorzeide; te weten meer dan driehonderd jaren tevoren. Zie 1 Kon. 13:2, en vgl. daarmede wat hier staat en vers 20. verwijsteksten
 
17 Verder zeide hij: Wat is dat voor een grafteken dat ik zie? En de lieden der stad zeiden tot hem: Het is het graf van den man Gods die uit Juda kwam, en deze dingen, die gij tegen dit altaar van Bethel gedaan hebt, uitgeroepen heeft.
18 En hij zeide: Laat hem liggen, dat niemand zijn beenderen verroere. Zo 49bevrijdden zij zijn beenderen, met de beenderen van den 50profeet die uit 51Samaría gekomen was.
49 Dat zij namelijk niet verbrand werden op het altaar te Bethel, met de andere beenderen.
50 Die begeerd had, dat men hem bij den profeet van Juda begraven zou, 1 Kon. 13:31. verwijsteksten
51 Versta niet de stad, maar het land van Samaria, waarin de stad Bethel gelegen was en deze profeet woonde, toen hij naar den profeet van Juda kwam, 1 Kon. 13:11; alzo is ook de naam Samaria voor het land genomen in het volgende vers. verwijsteksten
 
19 Daartoe nam Josía ook weg al de huizen der hoogten, gdie in de 52steden van Samaría waren, die de koningen van Israël gemaakt hadden om den HEERE tot toorn te verwekken; en hij deed denzelven naar al de daden die hij te Bethel gedaan had.
g 2 Kron. 34:6. verwijsteksten
52 Namelijk die onder het gebied van het koninkrijk van Juda gebracht waren.
 
20 En hij 53slachtte al de priesters der hoogten, die daar waren, op de altaren, en verbrandde mensenbeenderen op dezelve. Daarna keerde hij weder naar Jeruzalem.
53 Anders: offerde; dat is, hij doodde hen op de altaren; tot een bewijs dat hij niet alleen de afgoderij ten allerhoogste haatte, maar zelfs de plaatsen waar zij gepleegd werd, die verontreinigende met daarop mensenbloed te vergieten en hun beenderen te verbranden. Versta dit van de priesters die naar Jerobeams instelling uit het volk gemaakt waren, en in hun afgoderij verhard bleven. Zie 1 Kon. 12:31. verwijsteksten
 
21 En de koning gebood het ganse volk, zeggende: hHoudt den HEERE uw God pascha, igelijk in dit 54boek des verbonds geschreven is.
h 2 Kron. 35:1. verwijsteksten
i Ex. 12:3. Deut. 16:2. verwijsteksten
54 Versta het wetboek; waarvan zie 2 Kon. 22:8, enz., en hier vers 2, enz. verwijsteksten
 
22 55Want gelijk dit pascha was er geen gehouden 56van de dagen der richters aan, die Israël gericht hadden, noch in al de dagen der koningen van Israël, noch der koningen van Juda.
55 Anders: Zekerlijk. Hier wordt reden gegeven, bewijzende dat des konings gebod zeer wel is opgevolgd geweest.
56 Welverstaande, die daarin niet gerekend zijnde. Want 2 Kron. 35:18 staat van de dagen van Samuël, die de laatste der richters is geweest. De zin is, dat van den aanvang der koningen, die op de richters gevolgd zijn, geen pascha met zo grote toebereiding, vergadering, reinheid, eerbied, aandacht en devotie als dit gehouden is geweest. verwijsteksten
 
23 Maar in het achttiende jaar van den koning Josía werd dit pascha den HEERE te Jeruzalem gehouden.
24 En ook deed Josía kweg de 57waarzeggers en de duivelskunstenaars en de 58terafim en de 59drekgoden en alle verfoeiselen, die in het land van Juda en in Jeruzalem gezien werden; opdat hij bevestigde de woorden der wet, die geschreven waren in het boek dat de priester Hilkía in het huis des HEEREN gevonden had.
k Lev. 19:31; 20:27. Deut. 18:11. Jes. 8:19. verwijsteksten
57 Zie van dezen en de duivelskunstenaars Lev. 19 op vers 31. verwijsteksten
58 Zie Gen. 31 op vers 19. verwijsteksten
59 Zie Lev. 26 op vers 30. verwijsteksten
 
25 En vóór hem was geen koning zijns 60gelijke, die zich tot den HEERE met zijn 61ganse hart en met zijn ganse ziel en met zijn ganse kracht, naar al de wet van Mozes, bekeerd had; en na hem stond zijns gelijke niet op.
60 Versta dit eigenlijk ten aanzien van de vurigheid van zijn ijver in het weren van alle gruwelen, die in zijn tijd zeer de overhand genomen hadden; en van de onnozelheid van zijn leven, door de naarstige betrachting van de wet des Heeren, gelijk de volgende woorden van dit vers medebrengen. Vgl. 2 Kon. 18, de aant. op vers 5. verwijsteksten
61 Zie 1 Kon. 2 op vers 4. verwijsteksten
 
26 Nochtans 62keerde Zich de HEERE van den brand Zijns groten toorns niet af, waarmede Zijn toorn brandde tegen Juda, om al de tergingen 63waarmede Manasse Hem getergd had.
62 Niet omdat de koning zijn God niet behaagde, maar omdat het volk zijn koning niet volgde, noch in de ongeveinsde aanneming van zijn zuiveren godsdienst, noch in de oprechte bekering des levens; gelijk zulks zeer haast na des konings dood gebleken is.
63 Te weten, omdat Juda dezelve den koning Manasse nadeed, hem volgende in zijn gruwelen, maar niet in zijn bekering.
 
27 En de HEERE zeide: Ik zal Juda ook 64van Mijn aangezicht wegdoen, 65lgelijk als Ik Israël weggedaan heb; en Ik zal deze stad Jeruzalem verwerpen, die Ik verkoren heb, en het huis waarvan Ik gezegd heb: 66Mijn Naam zal daar wezen.
64 Zie 2 Kon. 17 op vers 18. verwijsteksten
65 Te weten door wegvoering uit zijn land, hoewel die niet voor altijd zou zijn, als van de Israëlieten. Zie 2 Kon. 17:18, 20; 18:11; 21:13 met de aant. verwijsteksten
l 2 Kon. 17:18, 20; 24:3. verwijsteksten
66 Zie 1 Kon. 8 op vers 29 en 1 Kon. 9:3. Insgelijks 2 Kon. 21:4. verwijsteksten
 
28 Het overige nu der geschiedenissen van Josía, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?
29 In 67zijn dagen toog Farao 68Necho, de koning van Egypte, op tegen den koning van Assyrië, 69naar de rivier Frath. En de koning Josía 70toog hem tegemoet; en hij 71doodde hem te 72Megiddo, als hij 73hem gezien had.
67 Te weten, als Josia het vermaken van het huis des Heeren voleind had. Zie 2 Kron. 35:20. verwijsteksten
68 Zie van denzelven ook vers 33. Jer. 46:2. verwijsteksten
69 Naar de stad Karchemis, gelegen aan den Eufraat, die de koning van Assyrië den Syriërs afgenomen had; waarover hij den roem draagt, Jes. 10:9. verwijsteksten
70 Te weten om hem af te keren, en te verhinderen dat hij met zijn leger door zijn land zou trekken, vrezende schade voor zijn eigen koninkrijk, of willende daarmede den koning van Assyrië vriendschap doen.
71 Dat is, de schutters van den koning Necho wondden hem dodelijk; zodat hij naar Jeruzalem gevoerd zijnde, stierf op den weg of binnen Jeruzalem, hebbende bij Megiddo de doodwond gekregen, 2 Kron. 35:23, 24. verwijsteksten
72 Een stad in den stam van Manasse gelegen. Zie 1 Kon. 9 op vers 15. verwijsteksten
73 Dat is, als Josia gekomen was om hem onder ogen te zien en tegen hem streed. Zie 2 Kon. 14:8 en de aant. verwijsteksten
 
30 En zijn knechten voerden hem 74dood op een wagen, van Megiddo, en brachten hem te Jeruzalem en begroeven hem in zijn graf; men het volk des lands nam 75Jóahaz, den zoon van Josía, en zij 76zalfden hem en maakten hem koning in zijns vaders plaats.
74 Dat is, dodelijk gewond en als voor dood gehouden. Alzo zeggen wij: Hij is een dood man, van dengene die sterft of haast sterven moet. Zo is ongeveer het woordje dood genomen Gen. 20:3. verwijsteksten
m 2 Kron. 36:1. verwijsteksten
75 Anders ook genoemd (zo enigen oordelen) Johanan, 1 Kron. 3:15, en Sallum, Jer. 22:11. verwijsteksten
76 Alzo, naar het gevoelen van sommigen, openlijk verklarende dat zij hem in dezen gemenen nood metterhaast tot koning begeerden, om door hem tegen den koning Necho beschermd te worden, en het land met het rijk te behouden.
 
Jóahaz koning van Juda
31 Drie en twintig jaar was Jóahaz oud toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Hamútal, de dochter van 77Jeremía, van Libna.
77 Die te onderscheiden is van Jeremia den profeet; want de profeet was van Anathoth in Benjamin, Jer. 1:1, maar deze van Libna in Juda. verwijsteksten
 
32 En hij deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN, naar alles wat 78zijn vaderen gedaan hadden.
78 Namelijk zijn grootvader Amon en zijn oudgrootvaders Manasse, Achaz, enz.
 
33 Doch Farao Necho 79liet hem binden te 80Ribla in het land van Hamath, 81opdat hij te Jeruzalem niet regeren zou; en hij legde het land een boete op van honderd 82talenten zilver en een talent goud.
79 Dat is, legde hem in de gevangenis. Dit geschiedde terwijl hij bezig was met den oorlog tegen de stad Karchemis; waarvan zie 2 Kron. 35:20. Jer. 46:2. verwijsteksten
80 Een stad gelegen in Syrië, van sommigen voor Apamia gehouden, van anderen voor Antiochië.
81 Anders: als hij regeerde te Jeruzalem.
82 Zie Ex. 25 op vers 39. verwijsteksten
 
34 Ook maakte Farao Necho Eljakim, den zoon van Josía, koning in de plaats van zijn vader Josía en 83veranderde zijn naam in nJójakim; maar Jóahaz nam hij mede, en hij kwam in Egypte en stierf 84aldaar.
83 Hebr. wendde, of keerde om. Hij wilde daarmede bewijzen, dat hij macht en gebied over hem had. Zie gelijke voorbeelden 2 Kon. 24:17. Dan. 1:7. verwijsteksten
n Matth. 1:11. verwijsteksten
84 Te weten gelijk Jeremia voorzegd had, Jer. 22:12, alwaar hij vers 11 Sallum, naar het gevoelen van velen, genoemd wordt. verwijsteksten
 
Jójakim koning van Juda
35 En Jójakim gaf het zilver en het goud aan Farao, doch hij 85schatte het land, om dat geld naar het 86bevel van Farao te geven; een ieder 87naar zijn schatting eiste hij het zilver en goud af van het volk des lands, om aan Farao Necho te geven.
85 Dat is, Jojakim schatte of waardeerde de middelen van alle ingezetenen des lands, en deed hen daarnaar hun quotum opbrengen.
86 Hebr. mond.
87 Dat is, naar dat hij van den koning geschat was.
 
36 Vijf en twintig jaar was Jójakim oud toen hij 88koning werd, en regeerde 89elf jaar te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Zebudda, een dochter van Pedája, van Ruma.
88 Te weten alleen en volmachtig, na den dood van zijn broeder Joahaz, die gevangen zijnde nog voor koning gehouden werd, hoewel hij, namelijk Jojakim, het koninkrijk bediende. Anderen menen dat Jojakim vijf en twintig jaren oud was, als zijn broeder Joahaz afgezet en gevankelijk naar Egypte weggevoerd werd, en dienvolgens dat hij de oudste der zonen van Josia was, verklarende de plaats 1 Kron. 3:15 van de eerstgeboorte niet der natuurlijke voortteling, maar der koninklijke regering, en dat Joahaz daarom in zijn huldiging gezalfd zou zijn geweest, om zijn verkiezing te beter te verzekeren tegen de wederspreking van zijn oudsten broeder Jojakim, gelijk Salomo om zulke oorzaak gezalfd werd, 1 Kon. 1:34, 39. verwijsteksten
89 Welverstaande, zo men zijn regering berekent van dien tijd af dat hij de plaats van zijn broeder bewaard heeft; hetwelk was terstond nadat zijn broeder in Egypte gevankelijk gevoerd was.
 
37 En hij deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN, naar alles wat zijn 90vaders gedaan hadden.
90 Zie op vers 32. verwijsteksten

Einde 2 Koningen 23