Statenvertaling.nl

sample header image

2 Koningen 17 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

2 Koningen 17

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Hoséa koning van Israël
1 IN het twaalfde jaar van Achaz, den koning van Juda, werd Hoséa, de zoon van Ela, koning over Israël te Samaría en regeerde negen jaren.
2 En hij deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN; evenwel niet als de koningen van Israël die vóór hem geweest waren.
3 Tegen hem toog op Salmanéser, koning van Assyrië; en Hoséa werd zijn knecht, dat hij hem een geschenk gaf.
4 Maar de koning van Assyrië bevond een verbintenis in Hoséa, dat hij tot So, den koning van Egypte, boden gezonden had en het geschenk aan den koning van Assyrië niet als tevoren van jaar tot jaar opbracht; zo besloot hem de koning van Assyrië en bond hem in het gevangenhuis.
5 Want ade koning van Assyrië toog op in het ganse land; ja, hij kwam op naar Samaría en hij belegerde haar drie jaren. a 2 Kon. 18:9. verwijsteksten
 
Israëls ondergang
6 In bhet negende jaar van Hoséa nam de koning van Assyrië Samaría in en voerde Israël weg in Assyrië, en deed hen wonen in Halah en in Habor, aan de rivier Gozan en in de steden der Meden. b 2 Kon. 18:10. Jes. 8:4. verwijsteksten
7 Want het was geschied dat de kinderen Israëls gezondigd hadden tegen den HEERE hun God, Die hen uit Egypteland opgebracht had, van onder de hand van Farao, den koning van Egypte; en hadden andere goden gevreesd,
8 En chadden gewandeld in de inzettingen der heidenen die de HEERE voor het aangezicht der kinderen Israëls verdreven had, en der koningen van Israël, die ze gemaakt hadden. c Lev. 18:3. verwijsteksten
9 En de kinderen Israëls hadden de zaken die niet recht zijn, tegen den HEERE hun God bemanteld; en hadden zich hoogten gebouwd in al hun steden, van den wachttoren af tot de vaste steden toe.
10 En zij hadden zich staande beelden opgericht en bossen, op allen hogen heuvel en onder alle groen geboomte.
11 En zij hadden daar gerookt op alle hoogten, gelijk de heidenen die de HEERE van hun aangezichten weggevoerd had; en zij hadden kwade dingen gedaan, om den HEERE tot toorn te verwekken.
12 En zij hadden de drekgoden gediend, waarvan de HEERE tot hen gezegd had: dGij zult deze zaak niet doen. d Ex. 20:3, 4, 5. Deut. 5:7, 8, 9. verwijsteksten
13 Als nu de HEERE tegen Israël en tegen Juda door den dienst van alle profeten, van alle zieners, betuigd had, zeggende: eBekeert u van uw boze wegen en houdt Mijn geboden en Mijn inzettingen, naar al de wet die Ik uw vaderen geboden heb, en die Ik tot u door de hand van Mijn knechten, de profeten, gezonden heb; e Jer. 18:11; 25:5; 35:15. verwijsteksten
14 Zo hoorden zij niet; maar zij fverhardden hun nek, gelijk de nek hunner vaderen geweest was, die aan den HEERE hun God niet geloofd hadden. f Deut. 31:27. Mal. 3:7. verwijsteksten
15 Daartoe verwierpen zij Zijn inzettingen en Zijn verbond, dat Hij met hun vaderen gemaakt had, en Zijn getuigenissen, die Hij tegen hen betuigd had, en wandelden de ijdelheid na, dat zij ijdel werden, en achter de heidenen die rondom hen waren, van dewelke de HEERE hun geboden had, dat zij niet doen zouden gelijk die.
16 Ja, zij verlieten al de geboden des HEEREN huns Gods, gen maakten zich gegoten beelden, twee kalveren; en maakten bossen, en bogen zich voor alle heir des hemels en dienden den Baäl. g Ex. 32:8. 1 Kon. 12:28. verwijsteksten
17 Ook hdeden zij hun zonen en hun dochters door het vuur gaan en gebruikten waarzeggerijen en gaven op vogelgeschrei acht, en verkochten zich om te doen wat kwaad was in de ogen des HEEREN, om Hem tot toorn te verwekken. h Lev. 20:3, 4. Deut. 18:10. 2 Kon. 16:3. verwijsteksten
18 Daarom vertoornde Zich de HEERE zeer over Israël, dat iHij hen wegdeed van Zijn aangezicht; er bleef niets over, behalve de stam van Juda alleen. i Hos. 1:6. verwijsteksten
19 Zelfs hield Juda de geboden des HEEREN huns Gods niet; maar kzij wandelden in de inzettingen van Israël, die zij gemaakt hadden. k Lev. 18:3. verwijsteksten
20 Zo verwierp de HEERE het ganse zaad Israëls en bedrukte hen en gaf hen in de hand der rovers, totdat Hij hen van Zijn aangezicht weggeworpen had.
21 Want Hij lscheurde Israël van het huis van David af, en zij maakten Jeróbeam, den zoon van Nebat, koning; en Jeróbeam dreef Israël af van achter den HEERE en hij deed hen een grote zonde zondigen. l 1 Kon. 12:16, 17, 26. verwijsteksten
22 Alzo wandelden de kinderen Israëls in alle zonden van Jeróbeam, die hij gedaan had; zij weken daarvan niet af,
23 Totdat de HEERE Israël van Zijn aangezicht wegdeed, gelijk als Hij gesproken had door den dienst van al Zijn knechten, de profeten; alzo werd Israël weggevoerd uit zijn land naar Assyrië, tot op dezen dag.
 
De oorsprong der Samaritanen
24 De koning nu van Assyrië bracht volk van Babel en van Chuta en van Avva en van Hamath en Sefarváïm, en deed hen wonen in de steden van Samaría, in de plaats der kinderen Israëls; en zij namen Samaría erfelijk in en woonden in haar steden.
25 En het geschiedde in het begin hunner woning aldaar, dat zij den HEERE niet vreesden; zo zond de HEERE leeuwen onder hen, die enigen van hen doodden.
26 Daarom spraken zij tot den koning van Assyrië, zeggende: De volken die gij vervoerd hebt en hebt doen wonen in de steden van Samaría, weten de wijze des Gods van het land niet; daarom heeft Hij leeuwen onder hen gezonden, en zie, zij doden hen, dewijl zij niet weten de wijze des Gods van het land.
27 Toen gebood de koning van Assyrië, zeggende: Brengt een der priesters daarheen, die gijlieden vandaar weggevoerd hebt, dat zij heentrekken, en wonen aldaar; en dat hij hun lere de wijze des Gods van het land.
28 Zo kwam een uit de priesters die zij van Samaría weggevoerd hadden, en woonde te Bethel, en hij leerde hun hoe zij den HEERE vrezen zouden.
29 Maar elk volk maakte zijn goden; en zij stelden ze in de huizen der hoogten, die de Samaritanen gemaakt hadden, elk volk in hun steden waarin zij woonachtig waren.
30 Want de lieden van Babel maakten Sukkôth Benôth, en de lieden van Chut maakten Nergal, en de lieden van Hamath maakten Asíma.
31 En de Avvieten maakten Nibha en Tartak; en de Sefarvieten verbrandden hun zonen voor Adrammélech en Anammélech, de goden van Sefarváïm, met vuur.
32 Ook vreesden zij den HEERE, en mmaakten zich van hun geringsten priesters der hoogten, dewelke voor hen dienst deden in de huizen der hoogten. m 1 Kon. 12:31. verwijsteksten
33 nZij vreesden den HEERE, en dienden ook hun goden naar de wijze der volken van dewelke zij die weggevoerd hadden. n Zef. 1:5. verwijsteksten
34 Tot op dezen dag toe doen die naar de eerste wijzen; zij vrezen den HEERE niet en zij doen niet naar hun inzettingen en naar hun rechten en naar de wet en naar het gebod dat de HEERE geboden heeft aan de kinderen van Jakob, dien oHij den naam Israël gaf. o Gen. 32:28; 35:10. 1 Kon. 18:31. verwijsteksten
35 Nochtans had de HEERE een verbond met hen gemaakt en had hun geboden, zeggende: pGij zult geen andere goden vrezen, noch u voor hen nederbuigen, noch hen dienen, noch hun offerande doen. p Richt. 6:10. verwijsteksten
36 Maar den HEERE, Die u uit Egypteland met grote kracht en met een uitgestrekten arm opgevoerd heeft, Dien zult gij vrezen, en voor Hem zult gij u buigen en Hem zult gij offerande doen;
37 En de inzettingen en de rechten en de wet en het gebod, die Hij u geschreven heeft, zult gij waarnemen te doen te alle dagen; en gij zult andere goden niet vrezen.
38 En het verbond dat Ik met u gemaakt heb, zult gij niet vergeten; en gij zult andere goden niet vrezen.
39 Maar den HEERE uw God zult gij vrezen, en Hij zal u redden uit de hand van al uw vijanden.
40 Doch zij hoorden niet, maar zij deden naar hun eerste wijze.
41 Maar deze volken vreesden den HEERE en dienden hun gesneden beelden; ook doen hun kinderen en hun kindskinderen gelijk als hun vaders gedaan hebben, tot op dezen dag.

Einde 2 Koningen 17