Statenvertaling.nl

sample header image

2 Koningen 16 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

2 Koningen 16

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Achaz koning van Juda
1 IN het azeventiende jaar van Pekah, den zoon van Remália, werd Achaz koning, de zoon van Jotham, den koning van Juda. a 2 Kron. 28:1. verwijsteksten
2 Twintig jaar was Achaz oud toen hij koning werd, en hij regeerde zestien jaar te Jeruzalem; en hij deed niet wat recht was in de ogen des HEEREN zijns Gods, als zijn vader David.
3 Want hij wandelde in den weg der koningen van Israël; bja, hij deed ook zijn zoon door het vuur gaan, naar de gruwelen der heidenen die de HEERE voor de kinderen Israëls verdreven had. b Lev. 18:21; 20:2, 3. 2 Kon. 17:31. verwijsteksten
4 Hij offerde ook en rookte op de hoogten en op de heuvels, ook onder alle groen geboomte.
5 cToen toog Rezin, de koning van Syrië, op, met Pekah, den zoon van Remália, den koning van Israël, naar Jeruzalem ten strijde; en zij belegerden Achaz, maar zij vermochten niet met strijden. c Jes. 7:1. verwijsteksten
6 Te dienzelven tijde bracht Rezin, de koning van Syrië, Elath weder aan Syrië en wierp de Joden uit Eloth; en de Syriërs kwamen te Elath en hebben daar gewoond tot op dezen dag.
7 Achaz nu zond boden tot Tiglath-Piléser, den koning van Assyrië, zeggende: Ik ben uw knecht en uw zoon; kom op en verlos mij uit de hand van den koning van Syrië en uit de hand van den koning van Israël, die zich tegen mij opmaken.
8 En dAchaz nam het zilver en het goud, dat in het huis des HEEREN en in de schatten van het huis des konings gevonden werd; en hij zond den koning van Assyrië een geschenk. d 2 Kron. 28:21. verwijsteksten
9 Zo hoorde de koning van Assyrië naar hem; want de koning van Assyrië toog op tegen Damascus en nam haar in en voerde haar gevankelijk naar Kir, en hij doodde Rezin.
10 Toen toog de koning Achaz Tiglath-Piléser, den koning van Assyrië, tegemoet naar Damascus; en gezien hebbende een altaar dat te Damascus was, zo zond de koning Achaz aan den priester Uría de gelijkenis van het altaar, en zijn afbeelding, naar zijn ganse maaksel.
11 En Uría, de priester, bouwde een altaar; naar alles wat de koning Achaz van Damascus ontboden had, alzo deed de priester Uría, tegen dat de koning Achaz van Damascus kwam.
12 Als nu de koning van Damascus gekomen was, zag de koning het altaar; en de koning naderde tot het altaar en offerde daarop;
13 En stak zijn brandoffer aan en zijn spijsoffer en goot zijn drankoffer, en sprengde het bloed zijner dankoffers op dat altaar.
14 Maar het koperen altaar, dat voor het aangezicht des HEEREN was, dat bracht hij van het voorste deel van het huis, van tussen zijn altaar en van tussen het huis des HEEREN; en hij zette het aan de zijde zijns altaars noordwaarts.
15 En de koning Achaz gebood Uría, den priester, zeggende: Steek op het grote altaar aan het morgenbrandoffer en het avondspijsoffer en des konings brandoffer en zijn spijsoffer en het brandoffer van al het volk des lands en hun spijsoffer en hun drankoffers; en spreng daarop al het bloed des brandoffers en al het bloed des slachtoffers. Maar het koperen altaar zal mij zijn om te onderzoeken.
16 En Uría, de priester, deed naar alles wat de koning Achaz geboden had.
17 En de koning Achaz sneed ede lijsten der stellingen af en nam van boven die het wasvat weg en deed de zee af van de koperen runderen, die daaronder waren; en hij zette die op een stenen vloer. e 1 Kon. 7:23, enz. verwijsteksten
18 Daartoe het deksel des sabbats, dat zij in het huis gebouwd hadden, en den buitensten ingang des konings nam hij weg van het huis des HEEREN, vanwege den koning van Assyrië.
19 Het overige nu der geschiedenissen van Achaz, wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?
20 En Achaz ontsliep met zijn vaderen en werd begraven bij zijn vaderen in de stad Davids; en Hizkía, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.

Einde 2 Koningen 16