Statenvertaling.nl

sample header image

2 Koningen 13 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

2 Koningen 13

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Jóahaz koning van Israël
1 IN het drie en twintigste jaar van Joas, den zoon van Aházia, den koning van Juda, werd Jóahaz, de zoon van Jehu, koning over Israël te Samaría en regeerde zeventien jaar.
2 En hij deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN; want hij wandelde na de zonden van Jeróbeam, den zoon van Nebat, die Israël zondigen deed; hij week daarvan niet af.
3 Daarom ontstak des HEEREN toorn tegen Israël, en Hij gaf hen in de hand van Házaël, den koning van Syrië, en in de hand van Benhadad, den zoon van Házaël, al die dagen.
4 Doch Jóahaz bad des HEEREN aangezicht ernstiglijk aan; en de HEERE verhoorde hem, want Hij zag de verdrukking van Israël, dat de koning van Syrië hen verdrukte.
5 (Zo gaf de HEERE Israël een verlosser, dat zij van onder de hand der Syriërs uitkwamen; en de kinderen Israëls woonden in hun tenten als tevoren.
6 Nochtans weken zij niet af van de zonden van het huis van Jeróbeam, die Israël zondigen deed, maar hij wandelde daarin; en het bos bleef ook staan te Samaría.)
7 Want hij had Jóahaz geen volk laten overblijven dan vijftig ruiters en tien wagens en tienduizend voetvolks; want de koning van Syrië had hen omgebracht en had hen dorsende gemaakt als stof.
8 Het overige nu der geschiedenissen van Jóahaz, en al wat hij gedaan heeft, en zijn macht, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël?
9 En Jóahaz ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem te Samaría; en Joas, zijn zoon, regeerde in zijn plaats.
 
Joas koning van Israël
10 In het zeven en dertigste jaar van Joas, den koning van Juda, werd Joas, de zoon van Jóahaz, koning over Israël te Samaría en regeerde zestien jaar.
11 En hij deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet af van al de zonden van Jeróbeam, den zoon van Nebat, die Israël zondigen deed, maar hij wandelde daarin.
12 Het overige nu der geschiedenissen van Joas, en al wat hij gedaan heeft, en zijn macht waarmede hij gestreden heeft tegen Amázia, den koning van Juda, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël?
13 En Joas ontsliep met zijn vaderen, en Jeróbeam zat op zijn troon. En Joas werd begraven te Samaría bij de koningen van Israël.
 
Elísa’s dood en graf
14 Elísa nu was krank geweest van zijn krankheid van dewelke hij stierf; en Joas, de koning van Israël, was tot hem afgekomen, en had geweend over zijn aangezicht en gezegd: aMijn vader, mijn vader, wagen Israëls en zijn ruiteren. a 2 Kon. 2:12. verwijsteksten
15 En Elísa zeide tot hem: Neem een boog en pijlen. En hij nam tot zich een boog en pijlen.
16 En hij zeide tot den koning van Israël: Leg uw hand aan den boog. En hij legde zijn hand daaraan; en Elísa legde zijn handen op des konings handen.
17 En hij zeide: Doe het venster open tegen het oosten. En hij deed het open. Toen zeide Elísa: Schiet. En hij schoot. En hij zeide: Het is een pijl der verlossing des HEEREN, en een pijl der verlossing tegen de Syriërs; want gij zult de Syriërs slaan bin Afek tot verdoens toe. b 1 Kon. 20:30. verwijsteksten
18 Daarna zeide hij: Neem de pijlen. En hij nam ze. Toen zeide hij tot den koning van Israël: Sla tegen de aarde. En hij sloeg driemaal; daarna stond hij stil.
19 Toen werd de man Gods zeer toornig op hem en zeide: Gij zoudt vijf- of zesmaal geslagen hebben; dan zoudt gij de Syriërs tot verdoens toe geslagen hebben; doch nu zult gij de Syriërs driemaal slaan.
20 Daarna stierf Elísa en zij begroeven hem. De benden nu der Moabieten kwamen in het land met het ingaan des jaars.
21 En het geschiedde als zij een man begroeven, dat zij, zie, een bende zagen, zo wierpen zij den man in het graf van Elísa; en toen de man daarin kwam en het gebeente van Elísa aanroerde, werd hij levend en rees op zijn voeten.
 
Joas overwint de Syriërs
22 Házaël nu, de koning van Syrië, verdrukte Israël, al de dagen van Jóahaz.
23 Doch de HEERE was hun genadig en ontfermde Zich hunner en wendde Zich tot hen, om Zijns verbonds wil met Abraham, Izak en Jakob; en Hij wilde hen niet verderven en heeft hen niet verworpen van Zijn aangezicht tot nu toe.
24 En Házaël, de koning van Syrië, stierf; en zijn zoon Benhadad werd koning in zijn plaats.
25 Joas nu, de zoon van Jóahaz, nam de steden weder in, uit de hand van Benhadad, den zoon van Házaël, die hij uit de hand van Jóahaz, zijn vader, met krijg genomen had; Joas sloeg hem driemaal en bracht de steden Israëls weder.

Einde 2 Koningen 13