Statenvertaling.nl

sample header image

2 Koningen 1 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

2 Koningen 1

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Moab valt van Israël af, vs. 1, enz. Ahazia zoekt uit den afgod Baäl-Zebub te vernemen de uitkomst zijner ziekte, 2. Maar Elia voorzegt zijn dood, 3. Dat wordt Ahazia aangezegd, 5. Deze zendt twee hoofdmannen, den enen na den anderen, elk met vijftig mannen, om Elia tot zich te brengen, die met vuur uit den hemel verslonden worden, 9. Met den derden gaat Elia tot den koning, 13. En voorzegt hem zijn dood, 16. Hij sterft, en Joram regeert in zijn plaats, 17.
 
Aházia’s dood voorzegd
1 EN 1Moab 2viel van Israël af ana Achabs dood.1 Dien David onder het geweld der Israëlieten door macht van wapenen gebracht had, 2 Sam. 8:2. Zie van dezen afval breder 2 Kon. 3:4, 5. verwijsteksten
2 Anders: overtrad tegen Israël. Zie van het Hebreeuwse woord 1 Kon. 12 op vers 19. verwijsteksten
a 2 Kon. 3:5. verwijsteksten
2 En Aházia 3viel door een tralie in zijn opperzaal, die te Samaría was, en werd krank. En hij zond boden en zeide tot hen: Gaat heen, vraagt 4Baäl-Zebub, den god van 5Ekron, of ik van deze krankheid 6genezen zal.3 Te weten wandelende op het dak van zijn huis, waarin een tralievenster was om de opperkamer licht te geven.
4 De naam van een afgod, betekenende een heer of meester der vliegen. Alzo is hij genoemd geweest (gelijk men meent) omdat hij aangeroepen werd tot verdrijving van zekere schadelijke vliegen, waarmede de inwoners van Palestina geplaagd waren; of omdat in zijn tempel altijd vele vliegen waren, zittende op de offeranden der beesten die hem ter ere in grote menigte geslacht werden; of ook, omdat deze afgod de gedaante van een vlieg (gelijk enigen schrijven) gehad heeft. Dezen naam hebben de Joden den overste der duivelen gegeven, Matth. 12:24. Mark. 3:22, zo uit haat en verfoeiing van den afgod, als tot kleinering en versmading van de macht des duivels. verwijsteksten
5 Zie van deze stad Joz. 15:45; 19:43. Richt. 1:18. verwijsteksten
6 Hebr. leven zal; alzo Num. 21:8, 9. verwijsteksten
3 Maar de engel des HEEREN sprak tot Elía, den Tisbiet: Maak u op, ga op, den boden des konings van Samaría tegemoet, en spreek tot hen: Is het omdat er 7geen God in Israël is, dat gijlieden heengaat om Baäl-Zebub, den god van Ekron, 8te vragen?7 Te weten, Die zo wijs zou mogen zijn, dat Hij toekomende dingen zou weten; zo goed, dat Hij die den Zijnen zou willen openbaren; zo machtig, dat Hij hen in hun nood zou kunnen helpen. Versta dit naar het dwaas gevoelen en ongelovig hart van den koning Ahazia. Alzo in het volgende. Of: Is het niet daarom, dat gij dit gedaan hebt, omdat gij dwaselijk meent dat er geen God, enz.
8 Te weten, of hij van zijn krankheid opstaan zou; als in het voorgaande vers.
4 Daarom nu zegt de HEERE alzo: Gij zult niet afkomen van dat bed waarop gij geklommen zijt, maar gij zult 9den dood sterven. En Elía ging weg.9 Hebr. stervende sterven. Alzo vss. 6, 16. verwijsteksten
5 Zo kwamen de boden weder tot 10hem; en hij zeide tot hen: 11Wat is dit, dat gij wederkomt?10 Namelijk den koning Ahazia.
11 Hij vraagt dit, omdat hij uit de haastigheid van hun wederkomst kon oordelen, dat zij te Ekron bij den afgod niet geweest waren.
6 En zij zeiden tot hem: Een man kwam op, ons tegemoet, en zeide tot ons: Gaat heen, keert weder tot den koning, die u gezonden heeft, en spreekt tot hem: Zo zegt de HEERE: 12Is het omdat er geen God in Israël is, dat gij zendt om Baäl-Zebub, den god van Ekron, te vragen? Daarom zult gij van dat bed waarop gij geklommen zijt, niet afkomen, maar gij zult den dood sterven.12 Zie op vers 3. verwijsteksten
7 En hij sprak tot hen: Hoedanig was 13de gestalte des mans die u tegemoet opgekomen is, en deze woorden tot u gesproken heeft?13 Hebr. het oordeel. Welk woord hier van velen genomen wordt voor de hoedanigheid en gestaltenis der klederen; van anderen, voor den vorm of de gedaante des lichaams. Uit het antwoord der boden in het volgende vers schijnt het, dat de vraag te verstaan is van de gestalte en het fatsoen der kleding. Hetzelfde woord is Ex. 26:30 gebruikt van de gestalte, den vorm, het fatsoen des tabernakels; waarvoor het woordje voorbeeld gesteld wordt, Ex. 25:40. Hetwelk Hand. 7:44. Hebr. 8:5 met het Griekse woord typus uitgedrukt wordt. verwijsteksten
8 En zij zeiden tot hem: Hij was een 14man met een harig kleed en met een lederen gordel gegord om zijn lendenen. Toen zeide hij: Het is Elía, de Tisbiet.14 Hebr. een man heer des haars, dat is, een man die veel haar aanhad. Zie van zulke manier van spreken Gen. 14 op vers 13, en versta dit van des profeten opperste kleed van haar gemaakt. Hetwelk men houdt geweest te zijn de mantel, waarvan gesproken is 1 Kon. 19:19. Zie de aant. en vgl. Zach. 13:4. Matth. 3:4. Anderen duiden dit op de langheid van het haar en den baard van den profeet. verwijsteksten
9 En hij zond tot hem een hoofdman van vijftig met 15zijn vijftig. En als hij tot hem opkwam (want zie, hij zat op de hoogte eens bergs), zo sprak hij tot hem: Gij 16man Gods, de koning zegt: Kom af.15 Die onder het gebied van den hoofdman stonden. Deze allen waren niet gezonden om den profeet met eerbied te geleiden, maar met vijandschap te dwingen en gevangen te nemen, indien hij zou weigeren met hem te trekken.
16 Zie Richt. 13 op vers 6. Zo heeft hij Elia genaamd, niet uit eerbied, maar trotsenderwijze, bereid zijnde om tegen hem geweld te gebruiken. verwijsteksten
10 Maar Elía antwoordde en sprak tot den hoofdman van vijftig: 17Indien ik dan een man Gods ben, zo bdale 18vuur van den hemel en vertere u en uw vijftig. Toen daalde vuur van den hemel en verteerde hem en zijn vijftig.17 Het is zoveel alsof hij zeide: Met een trotsende tong noemt gij mij een man Gods, maar ik bid God dat Hij dadelijk bewijze met het teken hetwelk ik nu begeer, dat ik zodanig in der waarheid ben.
b Luk. 9:54. verwijsteksten
18 Te weten, dat God extraordinairlijk door Zijn wonderbare kracht uit de lucht gezonden heeft. Vgl. Num. 11:1 en zie de aant. verwijsteksten
11 En 19hij zond wederom tot hem een anderen hoofdman van vijftig met zijn vijftig. Deze 20antwoordde en sprak tot hem: Gij man Gods, zo zegt de koning: Kom haastelijk af.19 Namelijk de koning. Hebr. hij keerde weder en zond, dat is, hij zond wederom. Alzo vers 13. Zie Num. 11 op vers 4. verwijsteksten
20 Dat is, hij ving aan uit te spreken wat hij vanwege den koning den profeet Elia had aan te zeggen. Zie 1 Kon. 13 op vers 6. verwijsteksten
12 En Elía antwoordde en sprak tot hen: Ben ik een man Gods, zo dale vuur van den hemel en vertere u en uw vijftig. Toen daalde het vuur Gods van den hemel en verteerde hem en zijn vijftig.
13 En 21wederom zond hij een hoofdman van de derde vijftig met zijn vijftig. Zo ging de derde hoofdman van vijftig op, en kwam en 22boog zich op zijn knieën voor Elía, en smeekte hem en sprak tot hem: Gij man Gods, laat toch mijn 23ziel en de ziel van 24uw knechten, van deze vijftig, 25dierbaar zijn in uw ogen!21 Hebr. hij keerde weder en zond. Zie op vers 11. verwijsteksten
22 Hebr. kromde zich op zijn knieën.
23 Dat is, leven; en alzo in het volgende. Zie Gen. 19 op vers 17. verwijsteksten
24 Dat is, die u toegedaan zijn, om u te erkennen en eer te bewijzen als onzen heer.
25 Dat is, verschoon ons leven, dat het ons niet ontnomen worde, gelijk den twee voorgaanden vijftigen.
14 Zie, het vuur is van den hemel gedaald en heeft die twee eerste hoofdmannen van vijftig met hun vijftigen verteerd; maar nu, laat mijn ziel dierbaar zijn in uw ogen!
15 Toen 26sprak de engel des HEEREN tot Elía: Ga af met hem, vrees niet voor zijn aangezicht. En hij stond op en ging met hem af tot den koning.26 Te weten door inwendige aanspraak en ingeving, of door verschijning, die wel voor den profeet zichtbaar was, maar niet voor den hoofdman. Alzo werd de engel des Heeren wel gezien van de ezelin van Bileam, maar in het begin niet van Bileam zelven, Num. 22:25, 31. verwijsteksten
16 En hij sprak tot hem: Zo zegt de HEERE: Daarom dat gij boden gezonden hebt om Baäl-Zebub, den god van Ekron, te vragen 27(is het omdat er geen God in Israël is, om Zijn woord te vragen?); daarom, van dat bed waarop gij geklommen zijt, zult gij niet afkomen, maar gij zult 28den dood sterven.27 Zie op vers 3. verwijsteksten
28 Hebr. stervende sterven.
17 Alzo stierf hij, naar het woord des HEEREN dat Elía gesproken had; en 29Joram werd koning in zijn plaats, in het 30tweede jaar van Joram, den zoon van Jósafat, den koning van Juda; want hij had geen zoon.29 Te weten zijn broeder, de zoon van Achab, 2 Kon. 3:1. verwijsteksten
30 Te weten, nadat hij als stadhouder van zijn vader begonnen had te regeren; hetwelk was in het zeventiende jaar van het koninkrijk zijns vaders. Zie 1 Kon. 22 op vers 42. verwijsteksten
18 Het overige nu der zaken van Aházia, die hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in 31het boek der kronieken der koningen van Israël?31 Zie 1 Kon. 14 op vers 19. verwijsteksten

Einde 2 Koningen 1