Statenvertaling.nl

sample header image

1 Koningen 2 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

1 Koningen 2

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

David liggende op zijn sterfbed, vermaant Salomo tot een godvruchtig leven en tot kloeke regering, vs. 1, enz. Hij belast hem Joab te straffen om zijn moorden, 5. Barzillai zijn weldadigheid te vergelden, 7. En Simeï te straffen, 8. David sterft, 10. Salomo regeert, 12. Adonia verzoekt Abisag, 13. Wordt afgeslagen en gedood, 22. Abjathar afgezet, 26. Joab gedood, 29. En Simeï, 36.
 
David sterft
1 ALS nu de dagen van David nabij waren dat hij sterven zou, zo gebood hij zijn zoon Sálomo, zeggende:
2 1Ik ga heen in den weg der ganse aarde; zo zijt sterk en 2wees een man.
1 Deze manier van spreken hebben wij ook Joz. 23:14 en betekent de scheiding des mensen uit deze wereld door den lichamelijken dood, denwelken niemand kan ontgaan, Hebr. 9:27. verwijsteksten
2 Hebr. tot een man, dat is, hoewel gij nog jong zijt, 1 Kron. 22:5, sta nochtans naar de deugden van een man, meest gelegen in verstand, kloeken moed en gestadigheid. verwijsteksten
 
3 En 3neem waar de wacht des HEEREN uws Gods, om te wandelen in Zijn wegen, om te onderhouden Zijn 4inzettingen en Zijn geboden en Zijn rechten en Zijn 5getuigenissen, agelijk geschreven is in de wet van Mozes; bopdat gij 6verstandiglijk handelt in al wat gij doen zult, en al waarheen gij u wenden zult;
3 Deze manier van spreken wordt elders van den dienst des tabernakels gebruikt, als Lev. 8:35. Num. 3:7, maar hier en elders van de burgerlijke plichten die de prinsen en andere oversten moeten waarnemen, volgens de orde, hun van God voorgeschreven. Zie Joz. 22:3. 2 Kon. 11:5. Doch het woord wacht wordt ook overgezet met bevel, betekenende in het gemeen al hetgeen de Heere ons voorgeschreven heeft te doen of te laten. Zie Gen. 26 op vers 5. verwijsteksten
4 Deze eerste drie woorden worden zo onderscheiden dat het eerste genomen wordt voor de ceremoniële wetten; het tweede voor de wetten der zeden; het derde voor de burgerlijke rechten. Zie Gen. 26 op vers 5. Deut. 5 op vers 31. verwijsteksten
5 Versta de leer der zaligheid, die van Gods wil jegens ons, en van onzen schuldigen plicht jegens Hem volkomenlijk betuigen. Zie Deut. 4 op vers 45. verwijsteksten
a Deut. 17:18. verwijsteksten
b Deut. 29:9. Joz. 1:7. verwijsteksten
6 Of: voorspoedig maakt alles, enz. Zie deze manier van spreken Deut. 29:9. verwijsteksten
 
4 Opdat de HEERE bevestige Zijn woord dat Hij over mij gesproken heeft, czeggende: Indien uw zonen hun 7weg bewaren, om 8voor Mijn aangezicht trouwelijk met 9hun ganse hart en met hun ganse ziel te wandelen, zo zal geen man, zeide Hij, 10u afgesneden worden van den troon Israëls.
c 2 Sam. 7:12. Ps. 132:12. verwijsteksten
7 Dat is, zich in genegenheden, voornemen, woorden en werken naar Mijn wil schikken. Alzo 1 Kon. 8:25. 2 Kon. 20:3. 2 Kron. 6:16. Dit noemt Mozes zijn ziel bewaren, Deut. 4:15. verwijsteksten
8 Dat is, oprechtelijk als in de tegenwoordigheid Gods (Die het hart kent) naar alle geboden te leven. Zie 2 Kon. 20:3. 2 Kron. 6:16. verwijsteksten
9 Dat is, God te gehoorzamen, oprechtelijk en zonder geveinsdheid, niet naar sommige, maar naar al Zijn geboden, welke gehoorzaamheid Hij aanziet niet in haar natuur, naar dewelke zij hier nog gebrekkelijk is, maar naar Zijn genade in Christus, in Denwelken zij volmaakt is, Kol. 2:10. verwijsteksten
10 De zin is, dat niemand van zijn nakomelingen ontbreken zou om te regeren, te weten totdat de Messias komen zou, Wiens Koninkrijk eeuwig zou zijn.
 
5 Zo weet gij ook wat Joab, de zoon van Zerúja, 11mij gedaan heeft en wat hij gedaan heeft aan de twee krijgsoversten van Israël, dAbner, den zoon van Ner, en Amása, den zoon van Jether, die hij gedood heeft, en heeft 12krijgsbloed vergoten in vrede; en hij heeft krijgsbloed gedaan 13aan zijn gordel, die aan zijn lendenen was, en aan zijn 14schoenen, die aan zijn voeten waren.
11 Te weten, altijd zeer trots tegen mij geweest zijnde, omdat hij den krijgslieden zeer aangenaam was. Zie 2 Sam. 3:39 en 2 Samuël 19. verwijsteksten
d 2 Sam. 3:27; 20:10. verwijsteksten
12 Hebr. heeft bloeden des krijgs gezet; dat is, moorderijen aangericht. Nu heet krijgsbloed wat in den krijg vergoten wordt, maar Joab had bloed vergoten in tijd van vrede.
13 Te weten, stekende zijn bloedig zwaard in de schede, nadat hij die twee mannen vermoord had.
14 Op dewelke van het bloed der doorstokenen gevallen is.
 
6 Doe dan 15naar uw wijsheid, dat gij 16zijn grauwe haar niet met vrede in het graf laat dalen.
15 Te weten, naar dewelke gij wel gelegenheid vinden zult om hem te straffen, alzo hij een man is tot nieuwigheden en beroerten genegen.
16 Hebr. zijn grijsheid of grauwheid, dat is, zijn grauwen ouderdom. De zin is, dat Salomo Joab niet zou laten sterven zijn natuurlijken dood, maar een geweldigen hem aandoen. Zie de verklaring vers 9 en vgl. Gen. 42:38; 44:29, 31. verwijsteksten
 
7 Maar aan de zonen van eBarzillai, den Gileadiet, zult gij weldadigheid bewijzen, en zij zullen zijn 17onder degenen die aan uw tafel eten; want alzo 18naderden zij tot mij, als ik vluchtte voor het aangezicht van uw broeder Absalom.
e 2 Sam. 17:27; 19:31. verwijsteksten
17 Hebr. onder uw tafeleters, dat is, die van de spijze uwer tafel eten.
18 Te weten, mij toebrengende en voorstellende allerlei leeftocht, dien ik in een dorre en woeste plaats wel vandoen had. Zie 2 Sam. 17:27, 28, 29. verwijsteksten
 
8 En zie, bij u is Simeï, de zoon van Gera, 19de zoon van Jemini uit Bahûrim, die mij fvloekte met een geweldigen vloek, ten dage als ik ging naar 20Mahanáïm; doch hij kwam af mij tegemoet aan de Jordaan en ik 21zwoer hem bij den HEERE, zeggende: 22Zo ik hem met het zwaard dode!
19 Anders: een Benjaminiet. Zie Richt. 19 op vers 16. 2 Sam. 16 op vers 11. verwijsteksten
f 2 Sam. 16:5; 19:19. verwijsteksten
20 Een stad gelegen over de Jordaan in het land Gilead, in den stam van Gad, bij de beek Jabbok. Van den oorsprong harer benaming zie Gen. 32 op vers 2. verwijsteksten
21 Zie 2 Sam. 19:23. verwijsteksten
22 Hebr. Zo ik u met het zwaard dode, God straffe mij of doe mij dit of dat. Want de Hebreeën plegen in het zweren de straf te verzwijgen. Zie Gen. 14 op vers 23. verwijsteksten
 
9 Maar nu, houd hem 23niet onschuldig, dewijl gij een wijs man zijt; en gij zult weten 24wat gij hem doen zult, opdat gij zijn grauwe haar met bloed in het graf doet dalen.
23 Dat is, laat hem niet ongestraft blijven. Alzo Ex. 20:7; 34:7. Job 9:28. verwijsteksten
24 Namelijk naar de wijsheid die u de Heere gegeven heeft, latende aan deze bevolen zijn de manier hoe gij hem ter dood brengen zult. Vgl. vers 6. verwijsteksten
 
10 En David 25ontsliep met zijn vaderen, gen werd begraven in de 26stad Davids.
25 Zie 1 Kon. 1 op vers 21. Deut. 31 op vers 16. verwijsteksten
g Hand. 2:29; 13:36. verwijsteksten
26 Versta de burcht alwaar David zijn huis had. Alzo 1 Kon. 3:1. Zie 2 Sam. 5:7. 1 Kron. 11:5. 2 Kron. 5:2. verwijsteksten
 
11 De 27dagen nu die David geregeerd heeft over Israël, zijn veertig jaar; hzeven jaren heeft hij geregeerd in 28Hebron, en in Jeruzalem heeft hij drie en dertig jaren geregeerd.
27 Dat is, de tijd.
h 1 Kron. 29:27. verwijsteksten
28 De naam ener stad, van dewelke zie Gen. 23 op vers 2. verwijsteksten
 
Het koningschap in Sálomo’s hand bevestigd
12 iEn Sálomo zat op den troon van zijn vader David, en zijn koninkrijk werd zeer bevestigd.
i 1 Kron. 29:23. 2 Kron. 1:1. verwijsteksten
 
13 Toen kwam Adónia, de zoon van Haggith, tot Bathséba, de moeder van Sálomo; en zij zeide: 29Is uw komst vrede? En hij zeide: Vrede.
29 Hebr. Is uw komen vrede? Alzo 1 Sam. 16:4. Zij spreekt uit vrees dat hij moeite maken zou, omdat hij naar het koninkrijk gestaan had. Het is zoveel alsof zij zeide: Dient uw komst tot welstand van het koninkrijk en van het gemenebest? Wat vrede bij de Hebreeën betekent, zie Gen. 37 op vers 14. verwijsteksten
 
14 Daarna zeide hij: Ik heb een woord aan u. En zij zeide: Spreek.
15 Hij zeide dan: Gij weet dat het koninkrijk 30mijne was, en het ganse Israël 31zijn aangezicht op mij gezet had, dat ik koning zijn zou; hoewel het koninkrijk omgewend en mijns broeders geworden is, 32kwant het is van den HEERE hem geworden.
30 Te weten, omdat ik de oudste van de zonen mijns vaders ben. Zie 1 Kon. 1 op vers 5. verwijsteksten
31 Dat is, had zijn ogen op mij geworpen, hopende dat het koninkrijk mijne zou worden, en mij hetzelve gunnende. Vgl. Jer. 42:15 met de aant. verwijsteksten
32 Hij gelaat zich dat hij zijn broeder Salomo het koninkrijk gunde, misbruikende tot dit einde den Naam des Heeren, en zeer listiglijk verbergende zijn voornemen, hetwelk was door middel van de Sunamitische een aanhang te maken en alzo het koninkrijk tot zich te trekken; hetwelk de koning Salomo terstond wel gemerkt heeft, gelijk het blijkt uit vers 22. verwijsteksten
k 1 Kron. 22:9; 28:5. verwijsteksten
 
16 En nu begeer ik van u een enige begeerte, 33wijs mijn aangezicht niet af. En zij zeide tot hem: Spreek.
33 Dat is, wil mijn bede niet afslaan; alzo vss. 17, 20. 2 Kron. 6:42. Ps. 132:10. Het tegendeel van deze manier van spreken is iemands aangezicht opnemen. Zie Gen. 19 op vers 21. verwijsteksten
 
17 En hij zeide: Spreek toch tot den koning Sálomo, want hij zal uw aangezicht niet afwijzen, dat hij mij Abísag, de Sunamitische, ter vrouw geve.
18 En Bathséba zeide: Het is goed, ik zal den koning voor u aanspreken.
19 Zo kwam Bathséba tot den koning Sálomo om hem voor Adónia aan te spreken. En de koning stond op, haar tegemoet, en boog zich voor haar; daarna zat hij op zijn troon en deed een stoel voor de moeder 34des konings zetten; en 35zij zat aan zijn rechterhand.
34 Dat is, voor zijn moeder. Het is een manier van spreken der Hebreeën. Alzo 1 Kon. 8:1; 9:1; 11:9. Vgl. Gen. 5:1. verwijsteksten
35 Zijnde aldus vereerd met gelijke waardigheid en hoogheid als haar zoon, en dat naar de manier van doen der grote heren, dewelke dengene dien zij gelijke eer of de eerste naast hen toestaan, plegen tot hun rechterhand te stellen. Vgl. Matth. 20:21. verwijsteksten
 
20 Toen zeide zij: Ik begeer van u een enige 36kleine begeerte, wijs mijn aangezicht niet af. En de koning zeide tot haar: Begeer, mijn moeder, want ik zal uw aangezicht niet afwijzen.
36 Te weten klein naar haar gevoelen, maar niet naar het oordeel van den koning; gelijk blijkt uit zijn antwoord.
 
21 En zij zeide: Laat Abísag, de Sunamitische, aan Adónia, uw broeder, ter vrouw gegeven worden.
22 Toen antwoordde de koning Sálomo, en zeide tot zijn moeder: En waarom begeert gij Abísag, de Sunamitische, voor Adónia? 37Begeer ook voor hem het koninkrijk (want hij is mijn broeder, die 38ouder is dan ik ben), ja, voor hem, en voor 39Abjathar, den priester, en voor Joab, den zoon van Zerúja.
37 Salomo merkt waarheen de bede van Adonia strekte, namelijk tot een nieuwe beroerte, om door middel van het verzochte huwelijk te bekwamelijker tot het koninkrijk te geraken. Hierom, die zich begeerden groot te maken, hebben deze praktijk meermalen gebruikt. Zie 2 Sam. 3:7; 16:21. verwijsteksten
38 Hebr. groter of meerder, te weten van ouderdom.
39 Dewelke Adonia toegedaan waren, zonder twijfel opdat zij in hun ambten en staten zouden mogen blijven en vrij van gevaar zijn.
 
23 En de koning Sálomo zwoer bij den HEERE, zeggende: Zo doe mij God en zo doe Hij daartoe, voorzeker, Adónia zal dat woord tegen zijn 40leven gesproken hebben.
40 Hebr. tegen zijn ziel, dat is, tot nadeel van zijn leven. Het woord ziel wordt voor het leven dikwijls genomen. Zie Gen. 19 op vers 17. verwijsteksten
 
24 En nu, zo waarachtig als de HEERE leeft, Die mij bevestigd heeft len mij heeft 41doen zitten op den troon van mijn vader David, en Die mij 42een huis gemaakt heeft, gelijk als Hij gesproken had: Voorzeker, Adónia zal heden 43gedood worden.
l 2 Sam. 7:12, 13. verwijsteksten
41 Dat is, als koning doen regeren. Alzo 2 Kon. 10:3. 2 Kron. 23:20. Vgl. 1 Kon. 1 de aant. op vers 13. verwijsteksten
42 Dat is, een huisgezin en hof naar den staat en de waardigheid van een koning; want het woord huis betekent dikwijls het gehele hof en den gansen stoet der hovelingen. Zie Gen. 34 op vers 19. verwijsteksten
43 Als hebbende de koninklijke majesteit gekwetst.
 
25 En de koning Sálomo 44zond door de hand van Benája, den zoon van Jójada; die 45viel op hem aan, dat hij stierf.
44 Dat is, zond Benaja, hem bevelende dat hij door zijn hand Adonia doden zou. Zie Gen. 12 op vers 15. verwijsteksten
45 Te weten met geweer, bekwaam om hem te doden. Alzo ook vss. 31, 32, 34, 46. Het 32ste vers spreekt van twee aanvallen die met het zwaard geschiedden. verwijsteksten
 
26 En tot Abjathar, den priester, zeide de koning: Ga naar 46Anathoth, op uw akkers, want gij zijt 47een man des doods; maar 48op dezen dag zal ik u niet doden, momdat gij de ark des Heeren HEEREN voor het aangezicht van mijn vader David gedragen hebt, en omdat gij verdrukt zijt geweest in alles waarin mijn vader verdrukt was.
46 De naam van een priesterlijke stad gelegen in den stam van Benjamin, alwaar Abjathar de priester en Jeremia de profeet geboren zijn. Zie van deze Joz. 21:18. Jer. 1:1. verwijsteksten
47 Dat is, des doods schuldig, of die den dood waardig is. Alzo 2 Sam. 12:5. Insgelijks zonen des doods, 1 Sam. 26:16. verwijsteksten
48 Hetwelk aldus kan verstaan worden dat Salomo met een mindere straf zich voor dezen tijd heeft laten genoegen, hem houdende ondertussen onder de doodschuld, zodat, zo hij in toekomende tijden iets zulks kwam te bedrijven, hij het met den dood bezuren zou.
m 1 Sam. 22:20, enz. 2 Sam. 15:24. verwijsteksten
 
27 Sálomo dan 49verdreef Abjathar, 50dat hij des HEEREN priester niet ware, 51om te nvervullen 52het woord des HEEREN hetwelk Hij over het huis van Eli te 53Silo gesproken had.
49 Niet dat Salomo hem van zijn priesterambt eigenlijk heeft afgezet, want hij was alrede bij het leven van David, om zijn misdaad tegen de koninklijke majesteit begaan, afgezet, als Zadok in zijn plaats gezalfd werd, 1 Kron. 29:22, maar hij heeft hem verdreven, dat is, gebannen in zijn huis te Anathoth, waaruit noodzakelijk moest volgen dat hij het priesterambt te Jeruzalem niet kon bedienen, zijnde ook als burgerlijk dood. verwijsteksten
50 Hebr. van den Heere of des Heeren priester te zijn.
51 Hetwelk wel aldus van Salomo geschied is, maar door het verborgen beleid des Heeren, waarop Salomo misschien op dien tijd niet heeft gedacht. Zie de voorzegging van deze vervulling 1 Sam. 2:33 en vgl. Matth. 13:35; 27:9. Joh. 12:38; 19:24, welke plaatsen aanwijzen dat de profetieën Gods zeer dikwijls van de mensen buiten hun weten vervuld worden. verwijsteksten
n 1 Sam. 2:31, enz. verwijsteksten
52 Namelijk dat het huis van Eli, hetwelk van Ithamar afkomstig was, van het hogepriesterambt verstoten zou worden en een ander huis in deszelfs plaats zou komen. Hetwelk vervuld is in Zadok, die uit het geslacht van Eleazar voortkomstig was. Zie 1 Sam. 2:35 en vgl. Ez. 44:15. verwijsteksten
53 Een stad in den stam van Efraïm, alwaar de ark des Heeren langen tijd geweest is, Joz. 18:1. Richt. 21:19. Ps. 78:60. verwijsteksten
 
28 Als het gerucht tot Joab kwam (want Joab had zich gewend achter Adónia, hoewel hij zich niet had gewend achter Absalom), zo vluchtte Joab tot de tent des HEEREN oen 54vatte de hoornen des altaars.
o 1 Kon. 1:50. verwijsteksten
54 Zie 1 Kon. 1 op vers 50. verwijsteksten
 
29 En het werd den koning Sálomo aangezegd, dat Joab tot 55de tent des HEEREN gevloden was; en zie, hij is bij het altaar. Toen zond Sálomo Benája, den zoon van Jójada, zeggende: Ga heen, val op hem aan.
55 Dewelke met het altaar, door het bevel Gods in de woestijn gemaakt, Ex. 36:1, 2, 3, enz.; 38:1, enz., te dezen tijde waren binnen Gibeon, 2 Kron. 1:3, 5. verwijsteksten
 
30 En Benája kwam tot de tent des HEEREN en zeide tot hem: Zo zegt de koning: Kom uit. En hij zeide: Neen, maar hier zal ik sterven. En Benája bracht het antwoord weder aan den koning, zeggende: Zo heeft Joab gesproken en zo heeft hij mij geantwoord.
31 En de koning zeide tot hem: Doe gelijk als 56hij gesproken heeft, en val op hem aan en begraaf hem, opdat gij wegdoet van mij en van mijns vaders huis dat bloed dat Joab zonder oorzaak vergoten heeft.
56 Namelijk Joab. En versta dit naar de wet Ex. 21:14. verwijsteksten
 
32 Zo zal de HEERE 57zijn bloed op zijn hoofd doen wederkeren, omdat hij op twee mannen, rechtvaardiger en beter dan hij, aangevallen is en die met het zwaard gedood heeft, 58daar het mijn vader David niet wist: Abner, den zoon van Ner, den krijgsoverste van Israël, en Amása, den zoon van Jether, den krijgsoverste van Juda.
57 Te weten dat hij met onrecht vergoten heeft. God keert het bloed van een ander op iemands hoofd als Hij den dood die hij een ander moedwilliglijk aangedaan heeft, wederom hem met den dood vergeldt, óf door Zichzelven, Gen. 4:11, óf door den mens, Gen. 9:6. Alzo onder, vers 44. Richt. 9:24, 57. 2 Sam. 16:8. verwijsteksten
58 Dat is, waarvan mijn vader geen kennis had eer het geschiedde, en wat hij niet toestond als het geschied was. Zie 2 Sam. 3:28, 29 en boven, vers 5. verwijsteksten
 
33 Alzo zal hun 59bloed wederkeren op het hoofd van Joab en op het hoofd van zijn zaad 60in eeuwigheid; maar David en zijn zaad en zijn huis en zijn troon zal vrede hebben van den HEERE tot in 61eeuwigheid.
59 Hebr. bloeden. Het woord bloed wordt gesteld in het meervoud, niet alleen omdat Joab twee mannen vermoord had, maar omdat dikwijls dit woord alzo gesteld zijnde, betekent de schuld en straf des doods die de doodslagers over zich brengen, Ex. 22:2, 3. Ps. 51:16, hoewel somtijds ook in het enkelvoud, Gen. 42:22. verwijsteksten
60 Dat is, een langen tijd, zolang als Joabs vaderlijk huis duren zal. Zie 2 Sam. 3:29 en vgl. 1 Kon. 1:31 en de aant. verwijsteksten
61 Versta ten aanzien van den uiterlijken welstand een langen tijd, als even tevoren, en ten aanzien van den geestelijken in Christus een tijd zonder einde.
 
34 En Benája, de zoon van Jójada, ging op en viel op hem aan en doodde hem; en hij werd begraven in zijn huis, in de woestijn.
35 En de koning zette Benája, den zoon van Jójada, in zijn plaats over het heir; en p62Zadok, den priester, zette de koning in de plaats van Abjathar.
p 1 Sam. 2:35. verwijsteksten
62 Die al tevoren bij het leven van David met toestemming van de ganse vergadering was gezalfd, zie 1 Kron. 29:22, hetwelk Salomo hier metterdaad approbeert. verwijsteksten
 
36 Daarna zond de koning en riep Simeï en zeide tot hem: Bouw u een huis in Jeruzalem en woon aldaar; en ga vandaar niet uit herwaarts of derwaarts.
37 Want het zal geschieden ten dage van uw uitgaan, als gij over de beek 63Kidron zult gaan, 64weet voorzeker dat gij 65den dood sterven zult; uw 66bloed zal op uw hoofd zijn.
63 Is geweest een beek vloeiende tussen Jeruzalem en den Olijfberg door een duister dal oostwaarts van de stad. Zie van deze 2 Sam. 15:23. 2 Kon. 23:4. Joh. 18:1. verwijsteksten
64 Hebr. wetende weet. Alzo vers 42. verwijsteksten
65 Hebr. stervende zult sterven. Alzo vers 42. verwijsteksten
66 Zie Lev. 20 op vers 9. verwijsteksten
 
38 En Simeï zeide tot den koning: Dat woord is goed; gelijk als mijn heer de koning gesproken heeft, alzo zal uw knecht doen. En Simeï woonde te Jeruzalem vele dagen.
39 Doch het geschiedde met het einde van drie jaren, dat twee knechten van Simeï wegliepen tot 67Achis, den zoon van 68Máächa, den koning van 69Gath; en men gaf het Simeï te kennen, zeggende: Zie, uw knechten zijn in Gath.
67 Zie van dezen 1 Sam. 21:10. verwijsteksten
68 Anders genoemd Maoch, 1 Sam. 27:2. verwijsteksten
69 De naam van een stad in den stam van Dan, die bewoond was van reuzen, afkomstig uit de Filistijnen, Joz. 11:22, gelijk ook de reus Goliath van deze stad was, 1 Sam. 17:4. verwijsteksten
 
40 Toen maakte zich Simeï op en zadelde zijn ezel en toog heen naar Gath tot Achis, om zijn knechten te zoeken; zo toog Simeï heen en bracht zijn knechten van Gath.
41 En het werd Sálomo aangezegd, dat Simeï uit Jeruzalem naar Gath getogen en wedergekomen was.
42 Toen zond de koning en riep Simeï en zeide tot hem: Heb ik u niet beëdigd bij den HEERE en tegen u betuigd, zeggende: Ten dage van uw uitgaan, als gij zult herwaarts of derwaarts gaan, weet voorzeker dat gij den dood zult sterven? En gij zeidet tot mij: Dat woord is goed, dat ik gehoord heb.
43 Waarom dan hebt gij den 70eed des HEEREN niet gehouden, en het gebod dat ik over u geboden had?
70 Versta den eed bij den Naam des Heeren gedaan, denwelken Salomo had gevoegd bij zijn dreigementen, tegen Simeï uitgesproken. Zie vers 42. verwijsteksten
 
44 Verder zeide de koning tot Simeï: qGij weet al de boosheid, die uw hart weet, die gij aan mijn vader David gedaan hebt; daarom heeft de HEERE uw boosheid 71op uw hoofd doen wederkeren.
q 2 Sam. 16:5, 6, 7. verwijsteksten
71 Zie op vers 32. verwijsteksten
 
45 Maar de koning Sálomo is gezegend; en de troon van David zal bevestigd zijn voor het aangezicht des HEEREN tot in eeuwigheid.
46 En de koning gebood Benája, den zoon van Jójada; die ging uit en viel op hem aan, dat hij stierf. Alzo ris het koninkrijk bevestigd in de hand van Sálomo.
r 2 Kron. 1:1. verwijsteksten

Einde 1 Koningen 2