Statenvertaling.nl

sample header image

1 Koningen 17 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

1 Koningen 17

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Elia voorzegt Achab grote droogte, vs. 1, enz. Wordt van God gezonden naar de beek Krith, 2. Daar wordt hij van de raven gespijsd, 5. Wordt gezonden naar Zarfath, tot een weduwe, 8. Die hem spijst met meel en olie, waaraan niets ontbreekt, 11. Elia wekt den zoon van zijn waardin op, 17. Dewelke Elia kent voor een profeet, 24.
 
Elía door de raven gespijzigd
1 EN Elía, de Tisbiet, van de inwoners van 1Gilead, zeide tot Achab: Zo waarachtig als de HEERE, de God Israëls, leeft, 2voor Wiens aangezicht ik sta, a3indien 4deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij 5dan naar mijn woord.
1 Een land gelegen over de Jordaan. Zie Gen. 31 op vers 21. Sommigen verstaan een deel deszelven lands, hetwelk oostwaarts gelegen was, dat de Rubenieten, Gadieten en de halve stam van Manasse ten tijde van Saul den Hagarenen afgenomen, en daarna met nieuwe inwoners uit hun eigen volk bezet hadden, 1 Kron. 5:20, 21, 22, die van deze nieuwe inwoning den naam van Tisbieten zouden gekregen hebben; want toschab betekent bij de Hebreeën een inwoner. verwijsteksten
2 Dat is, Denwelken ik dien. Zie Deut. 10 op vers 8. verwijsteksten
a Jak. 5:17. verwijsteksten
3 Dit is een manier van zweren van dewelke zie vers 12. Gen. 14 op vers 23. verwijsteksten
4 Versta de aanstaande jaren, in getal drie, en zes maanden, Luk. 4:25. Jak. 5:17. verwijsteksten
5 Dat is, dan als ik het verkondigen zal, daartoe last en bevel van den Heere ontvangen hebbende; of als ik door mijn gebed den dauw en den regen van den Heere verkrijgen zal.
 
2 Daarna geschiedde het woord des HEEREN tot hem, zeggende:
3 Ga weg vanhier en wend u naar het oosten, en verberg u aan de beek 6Krith, die vóór aan de Jordaan is.
6 Die uit het gebergte Efraïms haar oorsprong nemende, in de Jordaan valt.
 
4 En het zal geschieden dat gij uit de beek drinken zult; en Ik heb den 7raven 8geboden, dat zij u daar onderhouden zullen.
7 Dat God den dienst dezer beesten gebruikt heeft om den profeet te spijzen, maakt Zijn wonderwerk te meer wonderlijk; overmits deze vogel zo gulzig en voor zichzelven is, dat hij zijn eigen jongen verlaat, die van honger zouden sterven, indien ze God niet wonderlijk spijsde, Job 39:3. Ps. 147:9. verwijsteksten
8 Dat is, bij Mij voorgenomen door Mijn voorzienige regering die alzo te gebruiken, dat zij u voedsel zullen toebrengen. Gebieden heet hier voornemen, waarop het uitvoeren is volgende. Alzo vers 9. Ps. 78:23. Jes. 5:6. Amos 9:3, 4. verwijsteksten
 
5 Hij ging dan heen en deed naar het woord des HEEREN; want hij ging en woonde bij de beek Krith, die vóór aan de Jordaan is.
6 En de raven brachten hem des morgens brood en vlees, desgelijks brood en vlees des avonds; en hij dronk uit de beek.
7 En het geschiedde 9ten einde van vele dagen, dat de beek uitdroogde; want geen regen was in het land geweest.
9 Hebr. van het einde der dagen, dat is, na het einde van vele dagen. Alzo Gen. 4:3. Num. 9:22. Zie de aantt. aldaar. Deze vele dagen nu schijnen zes maanden geweest te zijn, en dat uit de vergelijking van het eerste vers van het volgende achttiende hoofdstuk. Zodat Elia zes maanden geweest zou zijn bij de beek Krith, en drie jaren bij de weduwe van Sarepta. verwijsteksten
 
Elía bij de weduwe te Zarfath
8 Toen geschiedde het woord des HEEREN tot 10hem, zeggende:
10 Namelijk tot den profeet Elia.
 
9 Maak u op, ga heen bnaar 11Zarfath, dat bij Sidon is, en woon aldaar; zie, Ik heb daar een weduwvrouw 12geboden dat zij u onderhoude.
b Luk. 4:25, 26. verwijsteksten
11 Anders genaamd: Sarepta, Luk. 4:26, een stad gelegen in den stam van Aser, tussen Tyrus en Sidon; van dewelke ook te zien is Obadja vs. 20. verwijsteksten
12 Dat is, voorgenomen te verwekken en te gebruiken om u van spijze te verzorgen. Vgl. de aant. op vers 4. verwijsteksten
 
10 Toen maakte hij zich op en ging naar Zarfath; als hij nu aan de poort der stad kwam, zie, zo was daar een weduwvrouw hout lezende; en hij riep tot haar en zeide: 13Haal mij toch een weinig water in dit vat, dat ik drinke.
13 Hebr. Neem mij, enz.; dat is, haal wat water, om mij daarna dat te geven. Zie Gen. 12 op vers 15. Alzo in het volgende vers: Neem mij een bete, enz.; dat is, haal ze, of breng ze om mij te geven. verwijsteksten
 
11 Toen zij nu heenging om te halen, zo riep hij tot haar en zeide: Haal mij toch ook een bete broods in uw hand.
12 Maar zij zeide: Zo waarachtig als de HEERE uw God leeft, indien ik een 14koek heb, dan alleen een handvol meel in de kruik en een weinig olie in de fles; en zie, ik heb 15een paar houten gelezen, en ik ga heen en zal het voor mij en voor mijn zoon bereiden, dat wij het eten 16en sterven.
14 Het woord betekent eigenlijk een brood of koek, die onder of op de kolen, en niet in den oven gebakken is. Zie Gen. 18 op vers 6. De zin is dat zij in haar huis geen gebakken brood ter beschikking had, zelfs niet een koekje op den heten haard met kolen gebakken. verwijsteksten
15 Dat is, weinige houtjes; en gelijk wij zeggen: een of twee.
16 Alsof zij zeide: Wanneer dit zal opgegeten zijn, hebben wij niets meer ter beschikking, zodat wij niet anders hebben te verwachten dan van honger te zullen moeten sterven.
 
13 En Elía zeide tot haar: Vrees niet, ga heen, doe naar uw woord; maar maak mij vooreerst een kleinen koek daarvan en breng dien mij hier uit; doch voor u en uw zoon zult gij daarna wat maken.
14 Want zo zegt de HEERE, de God Israëls: 17Het meel van de kruik zal niet verteerd worden, en de olie der fles zal niet ontbreken, tot op den dag dat de HEERE regen op den aardbodem geven zal.
17 Hebr. De kruik des meels, enz., en de fles der olie, enz. De zin is dat dit zekerlijk zou geschieden, zo de vrouw Gods belofte geloofde en deed wat haar hier bevolen werd.
 
15 En zij ging heen 18en deed naar het woord van Elía; zo at zij, en hij, en haar 19huis vele 20dagen.
18 De gehoorzaamheid van dit werk kwam uit de vaste toestemming van haar geloof, waardoor zij de voorzeide beloftenis aannam.
19 Dat is, huisgezin. Zie Gen. 7 op vers 1. verwijsteksten
20 Enigen menen den tijd van drie jaren. Vgl. de aant. op vers 7. 1 Kon. 18 op vers 1. verwijsteksten
 
16 Het meel van de kruik werd niet verteerd en de olie van de fles ontbrak niet, naar het woord des HEEREN dat Hij gesproken had door den 21dienst van Elía.
21 Hebr. hand.
 
17 En het geschiedde na deze dingen, dat de zoon dezer vrouw, der waardin van het huis, krank werd; en zijn krankheid werd zeer sterk, 22totdat geen adem in hem overgebleven was.
22 Dat is, dat hij zijn geest gegeven had en waarlijk gestorven was; want het Hebreeuwse woord nesama wordt dikwijls genomen voor de ziel of den geest des mensen, die van het lichaam onderscheiden is en door den dood daaruit scheidt, als Gen. 2:7. Job 27:3, enz. verwijsteksten
 
18 En zij zeide tot Elía: 23Wat heb ik met u te doen, 24gij man Gods? 25Zijt gij bij mij ingekomen om mijn ongerechtigheid 26in gedachtenis te brengen en om mijn zoon te doden?
23 Hebr. Wat is mij en u? Zie van deze manier van spreken 2 Sam. 16 op vers 10. Zij wil zeggen: Ik heb u gaarne geherbergd, verwachtende door middel van u des Heeren zegening; maar nu, door het overlijden van mijn zoon, word ik gewaar Gods straf, die over mij komt, omdat gij misschien enige gebreken in mij gezien hebbende, God tegen mij gebeden hebt. Zou het zo zijn, tot mijn ongeluk zou ik u geherbergd hebben. verwijsteksten
24 Zie 1 Kon. 13 op vers 1. verwijsteksten
25 Anders: Gij zijt bij mij ingekomen, enz.; maar vragenderwijze worden deze woorden meest overgezet.
26 Te weten bij den Heere, en Hem alzo tot toorn tegen mij te verwekken?
 
19 En hij zeide tot haar: Geef mij uw zoon. En hij nam hem van haar schoot en droeg hem boven in de opperzaal waar hij zelf woonde, en hij legde hem neder op zijn bed.
20 En hij riep den HEERE aan en zeide: HEERE mijn God, 27hebt Gij dan 28ook deze weduwe, bij dewelke ik herberg, zo kwalijk gedaan, dat Gij haar zoon gedood hebt?
27 Hij spreekt aldus, niet om God te berispen dat Hij deze vrouw tehuiszocht, maar om te klagen dat hij hieruit vreesde de lastering van Gods Naam en de verachting van Zijn dienst, overmits hij dit huis den zegen Gods toegezegd had.
28 Te weten zowel als vele anderen die door honger en dorst vergaan.
 
21 En hij 29mat zich driemaal uit over het kind en riep den HEERE aan en zeide: HEERE mijn God, laat toch de ziel van dit kind in 30hem 31wederkomen.
29 Dat is, hij strekte zich uit. Zie gelijke voorbeelden 2 Kon. 4:34. Hand. 20:10. verwijsteksten
30 Hebr. in zijn midden of innerste, binnenste; alzo in het volgende vers. Anders: in zijn lijf.
31 Een schoon bewijs, tonende dat de ziel des mensen is een onderscheiden wezen van het lichaam, door den dood daaruit scheidende, en door de opstanding daarin wederkerende. Zie Gen. 35 op vers 18. verwijsteksten
 
22 En de HEERE verhoorde de stem van Elía; en de ziel van het kind kwam weder 32in hem, dat het weder levend werd.
32 Hebr. in zijn binnenste.
 
23 En Elía nam het kind en bracht het af van de opperzaal in het huis en gaf het zijn moeder; en Elía zeide: Zie, uw zoon leeft.
24 Toen zeide die vrouw tot Elía: Nu weet ik dit, dat gij een man Gods zijt, en dat het woord des HEEREN in uw mond waarheid is.

Einde 1 Koningen 17