Statenvertaling.nl

sample header image

1 Koningen 11 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

1 Koningen 11

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Salomo’s vrouwen en bijwijven, vs. 1, enz. Die hem tot afgoderij vervoeren, 4. Waarover God vertoornd wordt, en hem dreigt, 9. Salomo’s tegenpartijders zijn Hadad, een Edomiet, gevlucht in Egypte, 14. Rezon, die in Damascus regeerde, 23. En Jerobeam, de Efrathiet, 26. Wien de profeet Ahia het koninkrijk Israëls toezegt, 29. Salomo staat Jerobeam naar het leven, en sterft, 40.
 
Sálomo’s vrouwen en afgoderij
1 EN 1de koning Sálomo had avele 2vreemde vrouwen lief, en dat 3benevens de dochter van Farao: Moabitische, Ammonitische, Edomitische, Sidonische, Hethitische;
1 Te weten, naar sommiger gevoelen, nadat hij vijf of zes en twintig jaren geregeerd had. Men rekent deze jaren aldus: Drie jaren vóór de bouwing des tempels, zeven jaren in dezelve bouwing besteed; dertien jaren in de bouwing van zijn huis en andere gestichten; eindelijk nog twee of drie jaren in dewelke de koningin van Scheba hem bezocht heeft.
a Deut. 17:17. verwijsteksten
2 Of: uitlandse.
3 Zo wordt het Hebreeuwse woordje genomen vers 25. 2 Kron. 11:18. verwijsteksten
 
2 Van die volken waarvan de HEERE 4gezegd had tot de kinderen Israëls: bGijlieden zult tot hen 5niet ingaan en zij zullen tot u niet inkomen; zij zouden zekerlijk uw hart achter hun goden neigen; aan dezen hing Sálomo met liefde.
4 Zie Ex. 34:16. Deut. 7:3, 4. verwijsteksten
b Ex. 34:16. Deut. 7:3. verwijsteksten
5 Dat is, door huwelijken u met hen verenigen. Zie Gen. 6 op vers 4. verwijsteksten
 
3 En hij had zevenhonderd vrouwen, vorstinnen, en driehonderd 6bijwijven; en zijn vrouwen 7neigden zijn hart.
6 Die van lageren staat waren dan de huisvrouwen, en in mindere waarde gehouden. Zie Gen. 22 op vers 24. verwijsteksten
7 Te weten om van den waren God af te wijken en de afgoden aan te hangen, gelijk de volgende woorden uitwijzen.
 
4 Want het geschiedde in den tijd van Sálomo’s ouderdom, dat zijn vrouwen zijn hart achter andere goden neigden; dat zijn hart niet 8volkomen met den HEERE zijn God was, gelijk het hart van zijn vader David.
8 Zie 1 Kon. 8 op vers 61. verwijsteksten
 
5 Want Sálomo 9wandelde c10Astoreth, den god der Sidoniërs, na, en 11Milcom, 12het verfoeisel der Ammonieten.
9 Achter de afgoden te gaan of te wandelen, is dezelve aan te hangen en na te volgen, in het geheel of ten dele, zelfs ook met toelating en bevordering; op welke laatste manier Salomo, om zijn vrouwen te behagen, zich aan deze zonde schuldig gemaakt heeft. Vgl. 1 Kon. 18:18; 21:25, 26. Jer. 2:23. verwijsteksten
c Richt. 2:13. 2 Kon. 23:13. verwijsteksten
10 Dit is de naam van een afgod of afgodin der Sidoniërs. Zie breder daarvan Richt. 2:13. verwijsteksten
11 Een afgod, die ook Molech genaamd wordt, vers 7. Zie van dezen Lev. 18 op vers 21. verwijsteksten
12 Dat is, wat zeer verfoeilijk en gruwelijk voor God is en te verfoeien van alle godvrezenden; alzo vers 7. verwijsteksten
 
6 Alzo deed Sálomo 13wat kwaad was in de ogen des HEEREN, en 14volhardde niet den HEERE te volgen, gelijk zijn vader David.
13 Versta bijzonderlijk de afgoderij en den valsen godsdienst. Vgl. hiermede Gen. 38:7. verwijsteksten
14 Hebr. vervulde niet achter den Heere. Zie Num. 14 op vers 24. verwijsteksten
 
7 dToen bouwde Sálomo een 15hoogte voor 16Kamos, het verfoeisel 17der Moabieten, op den 18berg die vóór Jeruzalem is, en voor 19Molech, het verfoeisel der kinderen Ammons.
d 2 Kon. 23:13. verwijsteksten
15 Zie Lev. 26 op vers 30. verwijsteksten
16 De naam van een afgod der Moabieten en Ammonieten, van denwelken zie ook Num. 21:29. Richt. 11:24. Jer. 48:7. Dezen, met de twee afgoden gemeld vers 5, heeft de vrome koning Josia weggenomen, 2 Kon. 23:13. verwijsteksten
17 Die daarom het volk van Kamos genaamd worden, Num. 21:29. verwijsteksten
18 Namelijk den Olijfberg. Van denwelken zie 2 Sam. 15:30, en wordt genaamd 2 Kon. 23:13 de berg Mashith, dat is, des verdervers, omdat de Joden zich daar door afgoderij verdierven. verwijsteksten
19 Ook Milcom genaamd, vers 5. verwijsteksten
 
8 En alzo deed hij voor al zijn vreemde vrouwen, die aan haar goden rookten en offerden.
 
Strafaankondiging
9 Daarom vertoornde Zich de HEERE tegen Sálomo, omdat hij zijn hart geneigd had 20van den HEERE, den God Israëls, eDie hem 21tweemaal verschenen was,
20 Dat is, van Hem. Vgl. 1 Kon. 8:1 en zie de aant. verwijsteksten
e 1 Kon. 3:5; 9:2. verwijsteksten
21 Te weten de eerste reize te Gibeon, 1 Kon. 3:5, en de tweede reize te Jeruzalem na de inwijding des tempels, 1 Kon. 9:2. verwijsteksten
 
10 fEn hem van deze zaak geboden had, dat hij andere goden niet zou nawandelen; doch hij hield niet wat de HEERE geboden had.
f 1 Kon. 6:12. verwijsteksten
 
11 Daarom 22zeide de HEERE tot Sálomo: Dewijl dit bij u geschied is, dat gij niet hebt gehouden Mijn verbond en Mijn inzettingen, die Ik u geboden heb; g23Ik zal gewisselijk dit koninkrijk van u scheuren en datzelve 24uw knecht geven.
22 Óf Hij Zelf, óf door enigen profeet, die Nathan zou kunnen zijn, zo hij nog leefde, of Ahia, de Siloniet, van denwelken gewag wordt gemaakt vers 30. verwijsteksten
g 1 Kon. 12:15. verwijsteksten
23 Hebr. scheurende scheuren; dat is, Ik zal zekerlijk een groot deel des koninkrijks met geweld van u afrukken. Zie deze manier van spreken vss. 12, 13, 31. verwijsteksten
24 Dat is, een uwer dienaren, namelijk Jerobeam; van denwelken zie vss. 26, 27, 28, enz. verwijsteksten
 
12 In uw dagen nochtans zal Ik dat niet doen, 25om uws vaders Davids wil; van de hand uws 26zoons zal Ik het scheuren.
25 Dat is, om de belofte die Ik uw vader gedaan heb, 2 Sam. 7:13. 1 Kron. 28:5, 6, in welke belofte de Messias mede beloofd wordt, om Wiens wil eigenlijk God den Zijnen goeddoet. verwijsteksten
26 Namelijk Rehabeams, alzo ook vers 35. Zie de vervulling van dit dreigement 1 Koningen 12 en 1 Sam. 15:28. De verklaring hebben wij vers 35. verwijsteksten
 
13 Doch Ik zal het gehele koninkrijk niet afscheuren; één stam zal Ik uw zoon geven; om Mijns knechts Davids wil en om 27Jeruzalems wil, dat Ik verkoren heb.
27 Dat is, om de belofte die Ik aan de stad Jeruzalem gegeven heb, 2 Kron. 6:6. verwijsteksten
 
Verzet van Hadad en Rezon
14 Zo verwekte de HEERE Sálomo een tegenpartijder, Hadad, den Edomiet; hij was van des konings zaad in Edom.
15 Want hhet was geschied als David 28in Edom was, toen Joab, de krijgsoverste, optoog om de 29verslagenen te begraven, dat hij al wat mannelijk was in Edom sloeg.
h 2 Sam. 8:14. 1 Kron. 18:12, 13. verwijsteksten
28 Daar oorlog voerende. Zie 2 Sam. 8:14. 1 Kron. 18:12, 13. verwijsteksten
29 Te weten Israëlieten die in den strijd dien David tegen de Edomieten gehad had, omgekomen waren, of met dewelke David, na zijn victorie over de Edomieten, hun land bezet had om hetzelve onder zijn gehoorzaamheid te behouden, doch die na zijn vertrek van de inwoners waren verslagen geweest.
 
16 (Want Joab bleef aldaar zes maanden, met het ganse Israël, totdat hij al wat mannelijk was in Edom uitgeroeid had.)
17 Doch Hadad was ontvloden, hij en enige Edomitische mannen uit zijns vaders knechten met hem, om in Egypte te komen; Hadad nu was een klein jonksken.
18 En zij maakten zich op van 30Midian en kwamen te 31Paran; en namen met zich mannen van Paran, en kwamen in Egypte tot Farao, den koning van Egypte, die hem een huis gaf en hem 32voeding toezegde en hem een land gaf;
30 Zie Gen. 25 op vers 2. verwijsteksten
31 Zie Gen. 14 op vers 6. verwijsteksten
32 Hebr. brood, dat is, kost, voedsel, kleding. Zie Gen. 3 op vers 19. verwijsteksten
 
19 En Hadad 33vond grote genade in de ogen van Farao, zodat hij hem tot een vrouw gaf de zuster zijner huisvrouw, de zuster van Táchpenes, de 34koningin.
33 Hebr. vond zeer genade; wat het is, genade in iemands ogen te vinden, zie Gen. 18 op vers 3. verwijsteksten
34 Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk de oppervrouw des huisgezins, alsof men zeide: de heerseres; daarom als van des konings huis of gezin gesproken wordt, zo is daar mede te verstaan zijn huisvrouw, of moeder, de koningin, als hier en 1 Kon. 15:13. 2 Kon. 10:13. Jer. 13:18; 29:2. verwijsteksten
 
20 En de zuster van Táchpenes baarde hem zijn zoon Genúbath, denwelken Táchpenes 35optoog 36in Farao’s huis; zodat Genúbath in Farao’s huis was onder Farao’s zonen.
35 Hebr. speende.
36 Hebr. in het midden van Farao’s huis.
 
21 Toen nu Hadad in Egypte hoorde dat David met zijn vaderen ontslapen, en dat Joab, de krijgsoverste, dood was, zeide Hadad tot Farao: Laat mij gaan, dat ik in mijn land trekke.
22 Doch Farao zeide tot hem: Maar wat ontbreekt u bij mij, dat, zie, gij in uw land zoekt te trekken? En hij zeide: Niets, maar 37laat mij evenwel gaan.
37 Hebr. latende gaan laat mij gaan.
 
23 iOok verwekte hem God een wederpartijder, Rezon, den zoon van Eljáda, die 38gevloden was van zijn heer Hadad-ézer, den koning van 39Zoba,
i 2 Sam. 8:3; 10:18. verwijsteksten
38 Te weten, als hij merkte dat David tegen Hadad-ezer de overhand had in den strijd, waarvan te zien is 2 Sam. 8:3. verwijsteksten
39 De naam van een landschap van Syrië, gelegen tussen Damascus en den Eufraat. Zie daarvan 1 Sam. 14:47. 2 Kron. 8:3. Ps. 60:2. verwijsteksten
 
24 Tegen welken hij ook 40mannen 41vergaderd had, en werd overste ener bende, kals David 42die doodde; en getrokken zijnde naar 43Damascus, woonden zij aldaar en regeerden in Damascus.
40 Versta krijgslieden, die den koning van Zoba gediend hadden, en nu onder het beleid van Rezon, die van zijn heer afgevallen was, zich lieten gebruiken om zijn land en het land daaromtrent gelegen af te lopen en te plunderen.
41 Namelijk zijn heer Hadad-ezer.
k 2 Sam. 8:3. verwijsteksten
42 Namelijk Syriërs van Zoba.
43 Zie van deze stad Gen. 14 op vers 15. Deze stad heeft Rezon overweldigd, en daaruit het garnizoen (van David daarin gelegd om die onder zich te houden, 2 Sam. 8:6) uitgedreven, en alzo de regering daarvan ingenomen. verwijsteksten
 
25 En 44hij was Israëls tegenpartijder 45al de dagen van Sálomo, en dat benevens het kwaad dat 46Hadad deed; want 47hij had een afkeer van Israël, en hij regeerde over Syrië.
44 Namelijk Rezon.
45 Te weten, als Salomo van den Heere afgeweken en tot afgoderij vervallen was. Zie 1 Kon. 5:4. verwijsteksten
46 Versta Hadad, van denwelken gesproken is vers 14. verwijsteksten
47 Namelijk Rezon.
 
Ahía’s profetie voor Jeróbeam
26 Daartoe lJeróbeam, de zoon van Nebat, 48een Efrathiet van 49Zeréda, Sálomo’s knecht (wiens moeders naam was Zerúa, een weduwvrouw), 50hief ook de hand op tegen den koning.
l 2 Kron. 13:6. verwijsteksten
48 Dat is, een Efraïmiet, of die van den stam van Efraïm was; alzo Richt. 12:5. verwijsteksten
49 De naam van de stad zijner geboorte, gelegen in den stam van Efraïm. Zie Joz. 3 op vers 16. verwijsteksten
50 Dat is, viel af van den koning, of maakte moeite en oproer tegen den koning; alzo in het volgende vers en 2 Sam. 20:21, en vgl. onder, vers 40. verwijsteksten
 
27 Dit nu is de zaak waarom hij de hand tegen den koning ophief: Sálomo bouwde 51Millo en sloot 52de breuk der stad van zijn vader David toe.
51 Zie 1 Kon. 9 op vers 15. verwijsteksten
52 Te weten die David gemaakt had als hij de Jebusieten daaruit verdreef, en den burcht Sion won. Zie 2 Sam. 5:6, 7. verwijsteksten
 
28 53En de man Jeróbeam was een dapper held. Toen Sálomo dezen 54jongeling zag dat hij 55arbeidzaam was, zo stelde hij hem 56over al den last van het huis van Jozef.
53 Te weten in het werk van bouwing van grote gestichten en sterkten, waarover hem Salomo als opziener gesteld had. Want hier worden twee gelegenheden verhaald, door dewelke hij zijn koning ontrouw geworden is, in de plaats van dankbaar te zijn. De eerste, dat hij tot het voorzeide ambt verheven was; de andere, dat hij daarna nog tot een hogeren staat gekomen is, gelijk de volgende woorden verklaren.
54 Dit woord wordt ook van mannen gebruikt, en voornamelijk als zij iemands dienaren zijn. Zie Gen. 22 op vers 5. verwijsteksten
55 Dat is, naarstig, zeer toeziende, en bezig in het verzorgen en uitvoeren van het werk waarover hij van den koning gesteld was. Hebr. doende werk.
56 Versta de stammen van Efraïm en Manasse.
 
29 Het geschiedde nu te dien tijde, als Jeróbeam uit Jeruzalem uitging, dat de profeet 57Ahía, de Siloniet, hem op den weg 58vond, en hij 59zich een nieuw kleed aangedaan had, en zij beiden alleen op het veld waren,
57 Hij is te onderscheiden van anderen van dezen naam, als van Ahia den priester, 1 Sam. 14:3, van Ahia den Leviet, die over de schatten van het huis des Heeren was, 1 Kron. 26:20, van Ahia den schrijver van Salomo, 1 Kon. 4:3, enz. verwijsteksten
58 Dat is, ontmoette.
59 Hebr. zich met een nieuw kleed bedekt had.
 
30 Zo vatte Ahía dat nieuwe kleed dat aan hem was, en scheurde het in twaalf stukken.
31 En hij zeide tot Jeróbeam: Neem u tien stukken; want alzo zegt de HEERE, de God Israëls: mZie, Ik zal het koninkrijk van de hand van Sálomo scheuren en u tien stammen geven.
m 1 Sam. 15:28. verwijsteksten
 
32 Maar 60één stam zal hij hebben, om 61Mijns knechts Davids wil en om Jeruzalems wil, de stad die Ik verkoren heb uit alle stammen Israëls.
60 Versta den stam van Juda; hoewel daarin de stam van Simeon enigszins vermengd was, mitsgaders een deel van den stam van Benjamin. Nu, in de tien stammen worden Efraïm en Manasse voor twee stammen gerekend, maar de stam van Levi, hebbende geen bijzonder land en zijnde onder de andere stammen verstrooid, komt niet in rekening.
61 Zie op vss. 12, 13. verwijsteksten
 
33 Daarom dat zij Mij verlaten en zich 62nedergebogen hebben voor Astoreth, 63den god der Sidoniërs, Kamos, den god der Moabieten, en Milcom, den god der kinderen Ammons; en niet 64gewandeld hebben in Mijn wegen om te doen 65wat recht is in Mijn ogen, te weten Mijn inzettingen en Mijn rechten, gelijk zijn vader David.
62 Te weten om aan te bidden.
63 Of godin.
64 In den weg des Heeren te wandelen is te leven naar het voorschrift van Zijn Woord, gelijk de navolgende woorden verklaren. Zie 2 Kon. 21:22. Ps. 119:3; 128:1. verwijsteksten
65 Wat recht is in de ogen des Heeren, verklaren de volgende woorden, namelijk wat naar Zijn heilig Woord en ordinantiën, niet naar menselijke instellingen geschiedt; alzo 1 Kon. 15:5, 11; 22:43. verwijsteksten
 
34 Doch 66niets van dit koninkrijk zal Ik uit zijn hand nemen; maar Ik stel hem tot een vorst al de dagen zijns levens, om Mijns knechts Davids wil, dien Ik verkoren heb, die Mijn geboden en Mijn inzettingen gehouden heeft.
66 Hebr. En dit gehele koninkrijk zal Ik uit zijn hand niet nemen; dat is, niets daarvan. Deze manier van spreken, betekenende niet een particuliere of bijzondere, maar een generale of gemene afzegging en loochening, is zeer dikwijls in de Heilige Schrift, als Gen. 23:6. Joz. 11:14. Ps. 143:2. Matth. 24:22. Rom. 3:20. Zie ook Gen. 39 op vers 23. verwijsteksten
 
35 Maar uit de hand zijns zoons zal Ik het koninkrijk nemen, en 67Ik zal u daarvan tien stammen geven.
67 Hebr. en Ik zal u dat geven, te weten tien stammen.
 
36 En zijn zoon 68zal Ik één stam geven; nopdat Mijn knecht David 69altijd een 70lamp voor Mijn aangezicht hebbe in Jeruzalem, de stad die Ik Mij verkoren heb om 71Mijn Naam daar te stellen.
68 Zie op vers 32. verwijsteksten
n 1 Kon. 15:4. Ps. 132:17. verwijsteksten
69 Hebr. alle dagen. Versta in den stam van Juda, tot op de toekomst van den Messias. Want van David af tot de Babylonische gevangenis is de koninklijke regering in Juda gebleven; daarna de vorstelijke macht en het Sanhedrin tot op Christus, Wiens Koninkrijk eeuwig is.
70 Of: kaars, of: licht; dat is, navolgers in het koninkrijk, zijnde voorbeelden van den Heere Christus. Zo wordt dit woord ook genomen 2 Sam. 21:17. Zie mede 1 Kon. 15:4. 2 Kron. 21:7. Ps. 132:17. verwijsteksten
71 Zie 1 Kon. 8 op vers 16. verwijsteksten
 
37 Zo zal Ik u nemen, en gij zult regeren 72over al wat uw ziel zal begeren; en gij zult koning zijn 73over Israël.
72 Dat is, als een soeverein vorst, over een groot, machtig en welgezegend land; gelijk deze dingen gemeenlijk van koningen begeerd worden.
73 Dat is, over het merendeel des volks.
 
38 En het zal geschieden, zo gij horen zult al wat Ik u zal gebieden, en in Mijn wegen zult wandelen en doen wat recht in Mijn ogen is, houdende Mijn inzettingen en Mijn geboden, gelijk als Mijn knecht David gedaan heeft, dat Ik 74met u zal zijn, en 75u een bestendig huis bouwen, gelijk als Ik David gebouwd heb, en zal u Israël geven.
74 Zie Gen. 21 op vers 22. Gen. 26 op vers 24. verwijsteksten
75 Dat is, uw koninkrijk zo bevestigen, dat het bij uw nakomelingen blijven zal. Vgl. 1 Sam. 2:35. 2 Sam. 7:16. verwijsteksten
 
39 En Ik zal deswege het zaad Davids verootmoedigen, nochtans 76niet altijd.
76 Hebr. niet te allen dage. Want de Messias, Die uit het zaad Davids naar het vlees voortkomen zou en in het koninkrijk op een geestelijke manier opvolgen, zou niet alleen over al de stammen Israëls, maar ook over de gehele wereld heerschappij hebben.
 
40 Daarom zocht Sálomo Jeróbeam te doden; maar Jeróbeam maakte zich op en vlood in Egypte, tot Sisak, den koning van Egypte, en was in Egypte, totdat Sálomo stierf.
 
Sálomo sterft
41 Het ooverige nu 77der geschiedenissen van Sálomo, en al wat hij gedaan heeft, en zijn wijsheid, is dat niet geschreven 78in het boek der geschiedenissen van Sálomo?
o 2 Kron. 9:29. verwijsteksten
77 Hebr. der woorden.
78 Hiermede moet men niet verstaan de twee boeken der Kronieken, die lang daarna, zo men houdt, van Ezra eerst geschreven zijn, maar een ander boek, in hetwelk de handelingen en geschiedenissen van Salomo in het lange verhaald waren, hetwelk niet meer voorhanden is.
 
42 79De tijd nu dien Sálomo te Jeruzalem over het ganse Israël regeerde, pwas veertig jaar.
79 Hebr. De dagen.
p 2 Kron. 9:30. verwijsteksten
 
43 Daarna ontsliep Sálomo met zijn vaderen en werd begraven in de stad van zijn vader David; en 80Rehábeam, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
80 Genoemd Matth. 1:7 Roboam. verwijsteksten

Einde 1 Koningen 11