Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).
| 1 EN David sprak de woorden dezes lieds tot den HEERE, ten dage als de HEERE hem verlost had uit de hand van al zijn vijanden en uit de hand van Saul. |
| 2 Hij zeide dan: De HEERE is mij mijn Steenrots en mijn Burcht en mijn Uithelper. |
| 3 God is mijn Rots, ik zal op Hem betrouwen; mijn Schild en de Hoorn mijns heils, mijn hoog Vertrek en mijn Toevlucht, mijn Verlosser, van geweld hebt Gij mij verlost. |
| 4 Ik riep den HEERE aan, Die te prijzen is, en ik werd verlost van mijn vijanden. |
| 5 Want baren des doods hadden mij omvangen, beken Belials verschrikten mij. |
| 6 Banden der hel omringden mij, strikken des doods bejegenden mij. |
| 7 Als mij bange was, riep ik den HEERE aan, en riep tot mijn God; en Hij hoorde mijn stem uit Zijn paleis, en mijn geroep kwam in Zijn oren. |
| 8 Toen daverde en beefde de aarde, de fundamenten des hemels beroerden zich, en daverden, omdat Hij ontstoken was. |
| 9 Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken. |
| 10 En Hij boog den hemel en daalde neder, en donkerheid was onder Zijn voeten. |
| 11 En Hij voer op een cherub en vloog, en werd gezien op de vleugelen des winds. |
| 12 En Hij zette duisternis rondom Zich tot tenten, een samenbinding der wateren, wolken des hemels. |
| 13 Van den glans voor Hem heen werden kolen des vuurs aangestoken. |
| 14 De HEERE donderde van den hemel, en de Allerhoogste gaf Zijn stem. |
| 15 En Hij zond pijlen uit en verstrooide hen, bliksem en verschrikte hen. |
| 16 En de diepe kolken der zee werden gezien, de gronden der wereld werden ontdekt, door het schelden des HEEREN, van het geblaas des winds van Zijn neus. |
| 17 Hij zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit grote wateren. |
| 18 Hij verloste mij van mijn sterken vijand, van mijn haters, omdat zij machtiger waren dan ik. |
| 19 Zij hadden mij bejegend ten dage mijns ongevals, maar de HEERE was mij een Steunsel. |
| 20 En Hij voerde mij uit in de ruimte en rukte mij uit, want Hij had lust aan mij. |
| 21 De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid, Hij gaf mij weder naar de reinheid mijner handen. |
| 22 Want ik heb des HEEREN wegen gehouden, en ben van mijn God niet goddelooslijk afgegaan. |
| 23 Want al Zijn rechten waren vóór mij, en Zijn inzettingen, daarvan week ik niet af. |
| 24 Maar ik was oprecht voor Hem, en ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid. |
| 25 Zo gaf mij de HEERE weder naar mijn gerechtigheid, naar mijn reinheid, voor Zijn ogen. |
| 26 Bij den goedertierene houdt Gij U goedertieren, bij den oprechten held houdt Gij U oprecht. |
| 27 Bij den reine houdt Gij U rein, maar bij den verkeerde houdt Gij U verdraaid. |
| 28 En Gij verlost het bedrukte volk; maar Uw ogen zijn tegen de hogen, Gij zult hen vernederen. |
| 29 Want Gij zijt mijn Lamp, o HEERE; en de HEERE doet mijn duisternis opklaren. |
| 30 Want met U loop ik door een bende, met mijn God spring ik over een muur. |
| 31 Gods weg is volmaakt, de rede des HEEREN is doorlouterd; Hij is een Schild allen die op Hem betrouwen. |
| 32 Want wie is God behalve de HEERE, en wie is een Rotssteen behalve onze God? |
| 33 God is mijn Sterkte en Kracht, en Hij heeft mijn weg volkomen geopend. |
| 34 Hij maakt mijn voeten gelijk als der hinden, en stelt mij op mijn hoogten. |
| 35 Hij leert mijn handen ten strijde, zodat een stalen boog met mijn armen verbroken is. |
| 36 Ook hebt Gij mij gegeven het schild Uws heils, en door Uw verootmoedigen hebt Gij mij groot gemaakt. |
| 37 Gij hebt mijn voetstap ruim gemaakt onder mij, en mijn enkels hebben niet gewankeld. |
| 38 Ik vervolgde mijn vijanden en verdelgde hen, en keerde niet weder, totdat ik hen verdaan had. |
| 39 En ik verteerde hen en doorstak hen, dat zij niet weder opstonden; maar zij vielen onder mijn voeten. |
| 40 Want Gij omgorddet mij met kracht ten strijde, Gij deedt onder mij nederbukken die tegen mij opstonden. |
| 41 En Gij gaaft mij den nek mijner vijanden, mijner haters, en ik vernielde hen. |
| 42 Zij zagen uit, maar er was geen verlosser; naar den HEERE, maar Hij antwoordde hun niet. |
| 43 Toen vergruisde ik hen als stof der aarde; ik stampte hen, ik breidde hen uit als slijk der straten. |
| 44 Ook hebt Gij mij uitgeholpen van de twisten mijns volks, Gij hebt mij bewaard tot een hoofd der heidenen; het volk dat ik niet kende, heeft mij gediend. |
| 45 Vreemden hebben zich mij geveinsdelijk onderworpen; zo haast als hun oor van mij hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd. |
| 46 Vreemden zijn vervallen, en hebben zich aangegord uit hun sloten. |
| 47 De HEERE leeft, en geloofd zij mijn Rotssteen; en verhoogd zij God, de Rotssteen mijns heils, |
| 48 De God Die mij volkomen wraak geeft, en de volken onder mij nederwerpt; |
| 49 En Die mij uitvoert van mijn vijanden; en Gij verhoogt mij boven degenen die tegen mij opstaan, Gij redt mij van den man alles gewelds. |
| 50 Daarom zal ik U, o HEERE, loven onder de heidenen, en Uw Naam zal ik psalmzingen. |
| 51 Hij is
een Toren der verlossingen Zijns konings, en Hij doet goedertierenheid aan Zijn gezalfde, aan David en aan zijn zaad, tot in eeuwigheid. |