Statenvertaling.nl

sample header image

2 Samuël 2 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

2 Samuël 2

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

1 EN het geschiedde daarna, dat David den HEERE vraagde, zeggende: Zal ik optrekken in een der steden van Juda? En de HEERE zeide tot hem: Trek op. En David zeide: Waarheen zal ik optrekken? En Hij zeide: Naar Hebron.
2 Alzo toog David derwaarts op, alsook zijn twee vrouwen, Ahinóam, de Jizreëlitische, en Abígaïl, de huisvrouw van Nabal, den Karmeliet.
3 Ook deed David zijn mannen optrekken die bij hem waren, een iegelijk met zijn huisgezin; en zij woonden in de steden van Hebron.
4 Daarna kwamen de mannen van Juda en zalfden aldaar David tot een koning over het huis van Juda. Toen boodschapten zij David, zeggende: Het zijn de mannen van Jabes in Gilead, die Saul begraven hebben.
5 Toen zond David boden tot de mannen van Jabes in Gilead, en hij zeide tot hen: Gezegend zijt gij den HEERE, dat gij deze weldadigheid gedaan hebt aan uw heer, aan Saul, en hebt hem begraven.
6 Zo doe nu de HEERE aan u weldadigheid en trouw; en ik ook, ik zal aan u dit goede doen, dewijl gij deze zaak gedaan hebt.
7 En nu, laat uw handen sterk zijn en zijt dapper, dewijl uw heer Saul gestorven is; en ook hebben mij die van het huis van Juda tot koning over zich gezalfd.
8 Abner nu, de zoon van Ner, de krijgsoverste dien Saul gehad had, nam Isbóseth, Sauls zoon, en voerde hem over naar Mahanáïm,
9 En maakte hem ten koning over Gilead en over de Aschurieten en over Jizreël, en over Efraïm en over Benjamin en over gans Israël.
10 Veertig jaar was Isbóseth, Sauls zoon, oud, als hij koning werd over Israël; en hij regeerde het tweede jaar; alleenlijk die van het huis van Juda volgden David na.
11 Het getal nu der dagen die David koning geweest is te Hebron over het huis van Juda, is zeven jaren en zes maanden.
12 Toen toog Abner, de zoon van Ner, uit, met de knechten van Isbóseth, den zoon van Saul, van Mahanáïm naar Gíbeon.
13 Joab, de zoon van Zerúja, en de knechten van David togen ook uit; en zij ontmoetten elkander bij den vijver van Gíbeon; en zij bleven, dezen aan deze zijde des vijvers en die aan gene zijde des vijvers.
14 En Abner zeide tot Joab: Laat zich nu de jongens opmaken en voor ons aangezicht spelen. En Joab zeide: Laat hen zich opmaken.
15 Toen maakten zich op en gingen over in getal, twaalf van Benjamin, te weten voor Isbóseth, Sauls zoon, en twaalf van Davids knechten.
16 En de een greep den ander bij het hoofd en stiet zijn zwaard in de zijde des anderen, en zij vielen tezamen; daarvan noemde men dezelve plaats Chelkath-Hazûrim, die bij Gíbeon is.
17 En er was op dienzelven dag een gans zeer harde strijd. Doch Abner en de mannen van Israël werden voor het aangezicht der knechten van David geslagen.
18 Nu waren aldaar drie zonen van Zerúja: Joab en Abísaï en Asahel; en Asahel was licht op zijn voeten, als een der reeën die in het veld zijn.
19 En Asahel jaagde Abner achterna, en hij week niet, om van achter Abner ter rechter- of ter linkerhand af te gaan.
20 Toen zag Abner achter zich om en zeide: Zijt gij dit, Asahel? En hij zeide: Ik ben het.
21 En Abner zeide tot hem: Wijk tot uw rechterhand of tot uw linkerhand, en grijp u een van die jongens en neem voor u hun gewaad. Maar Asahel wilde niet afwijken van achter hem.
22 Toen voer Abner wijders voort, zeggende tot Asahel: Wijk af van achter mij; waarom zal ik u ter aarde slaan? Hoe zou ik dan mijn aangezicht opheffen voor uw broeder Joab?
23 Maar hij weigerde af te wijken; zo sloeg hem Abner met het achterste van de spies aan de vijfde rib, dat de spies van achter hem uitging; en hij viel aldaar en stierf op zijn plaats. En het geschiedde dat allen die tot de plaats kwamen alwaar Asahel gevallen en gestorven was, staan bleven.
24 Maar Joab en Abísaï jaagden Abner achterna; en de zon ging onder als zij gekomen waren tot den heuvel van Amma, dewelke is vóór Giach, op den weg der woestijn van Gíbeon.
25 En de kinderen van Benjamin verzamelden zich achter Abner en werden tot één hoop; en zij stonden op de spits van een heuvel.
26 Toen riep Abner tot Joab en zeide: Zal dan het zwaard eeuwiglijk verteren? Weet gij niet dat het in het laatst bitterheid zal zijn? En hoelang zult gij het volk niet zeggen, dat zij wederkeren van hun broederen te vervolgen?
27 En Joab zeide: Zo waarachtig als God leeft, tenware dat gij gesproken hadt, zekerlijk, het volk zou al toen van den morgen af weggevoerd zijn geweest, een iegelijk van zijn broeder te vervolgen.
28 Toen blies Joab met de bazuin, en al het volk stond stil, en zij jaagden Israël niet meer achterna, en voeren niet wijders voort te strijden.
29 Abner dan en zijn mannen gingen dienzelven gansen nacht over het vlakke veld; en zij gingen over de Jordaan, en wandelden het ganse Bithron door en kwamen te Mahanáïm.
30 Joab keerde ook weder van achter Abner en verzamelde het ganse volk. En er werden van Davids knechten gemist negentien mannen, en Asahel.
31 Maar Davids knechten hadden van Benjamin en onder Abners mannen geslagen: driehonderd en zestig mannen waren er doodgebleven.
32 En zij namen Asahel op en begroeven hem in zijns vaders graf, dat te Bethlehem was. Joab nu en zijn mannen gingen den gansen nacht, dat hun het licht aanbrak te Hebron.

Einde 2 Samuël 2