Statenvertaling.nl

sample header image

2 Samuël 17 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

2 Samuël 17

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

1 VOORTS zeide Achitófel tot Absalom: Laat mij nu twaalfduizend mannen uitlezen, dat ik mij opmake en David dezen nacht achternajage.
2 Zo zal ik over hem komen, daar hij moede en slap van handen is, en zal hem verschrikken, en al het volk dat met hem is, zal vluchten; dan zal ik den koning alleen slaan.
3 En ik zal al het volk tot u doen wederkeren; de man dien gij zoekt, is gelijk het wederkeren van allen; zo zal al het volk in vrede zijn.
4 Dit woord nu was recht in Absaloms ogen, en in de ogen van alle oudsten van Israël.
5 Doch Absalom zeide: Roep toch ook Husai, den Archiet, en laat ons horen wat hij ook zegt.
6 En als Husai tot Absalom inkwam, zo sprak Absalom tot hem, zeggende: Aldus heeft Achitófel gesproken; zullen wij zijn woord doen? Zo niet, spreek gij.
7 Toen zeide Husai tot Absalom: De raad dien Achitófel op ditmaal geraden heeft, is niet goed.
8 Wijders zeide Husai: Gij kent uw vader en zijn mannen, dat zij helden zijn, dat zij bitter van gemoed zijn als een beer die van de jongen beroofd is in het veld; daartoe is uw vader een krijgsman en zal niet vernachten met het volk.
9 Zie, nu heeft hij zich verstoken in een der holen of in een der plaatsen. En het zal geschieden als er in het eerst sommigen onder hen vallen, dat een ieder die het zal horen, alsdan zal zeggen: Er is een slag geschied onder het volk dat Absalom navolgt.
10 Zo zou hij die ook een dapper man is, wiens hart is als een leeuwenhart, ten enenmale smelten; want gans Israël weet dat uw vader een held is en het dappere mannen zijn die met hem zijn.
11 Maar ik raad dat in alle haast tot u verzameld worde gans Israël, van Dan tot Berséba toe, als zand dat aan de zee is, in menigte; en dat uw persoon medega in den strijd.
12 Dan zullen wij tot hem komen in een der plaatsen waar hij gevonden wordt, en hem gemakkelijk overvallen, gelijk als de dauw op den aardbodem valt; en er zal van hem en van al de mannen die met hem zijn, ook niet één worden overgelaten.
13 En indien hij zich in een stad zal begeven, zo zal gans Israël koorden tot dezelve stad aandragen, en wij zullen ze tot in de beek nedertrekken, totdat ook niet één steentje aldaar gevonden worde.
14 Toen zeide Absalom en alle man van Israël: De raad van Husai, den Archiet, is beter dan Achitófels raad. Doch de HEERE had het geboden, om den goeden raad van Achitófel te vernietigen, opdat de HEERE het kwaad over Absalom bracht.
15 En Husai zeide tot Zadok en tot Abjathar, de priesters: Alzo en alzo heeft Achitófel Absalom en den oudsten van Israël geraden, maar alzo en alzo heb ik geraden.
16 Nu dan, zendt haastelijk heen en boodschapt David, zeggende: Vernacht dezen nacht niet in de vlakke velden der woestijn en ook ga spoediglijk over; opdat de koning niet verslonden worde, en al het volk dat met hem is.
17 Jónathan nu en Ahimáäz stonden bij de fontein Rogel; en een dienstmaagd ging heen en zeide het hun aan; en zij gingen heen en zeiden het den koning David aan. Want zij mochten zich niet zien laten, dat zij in de stad kwamen.
18 Een jongen dan nog zag hen en zeide het Absalom aan; doch die beiden gingen haastelijk en kwamen in eens mans huis te Bahûrim, dewelke een put had in zijn voorhof, en zij daalden daarin.
19 En de vrouw nam en spreidde een deksel over het opene van den put en strooide gort daarop. Alzo werd de zaak niet bekend.
20 Toen nu Absaloms knechten tot de vrouw in het huis kwamen, zeiden zij: Waar zijn Ahimáäz en Jónathan? En de vrouw zeide tot hen: Zij zijn over dat waterriviertje gegaan. En toen zij hen gezocht en niet gevonden hadden, keerden zij weder naar Jeruzalem.
21 En het geschiedde nadat zij weggegaan waren, zo klommen zij uit den put en gingen heen en boodschapten het den koning David; en zij zeiden tot David: Maakt ulieden op en gaat haastelijk over het water, want alzo heeft Achitófel tegen ulieden geraden.
22 Toen maakte zich David op en al het volk dat met hem was, en zij gingen over de Jordaan. Aan het morgenlicht ontbrak er niet tot één toe, die niet over de Jordaan gegaan was.
23 Als nu Achitófel zag dat zijn raad niet gedaan was, zadelde hij den ezel en maakte zich op, en toog naar zijn huis in zijn stad en gaf bevel aan zijn huis en verhing zich. Alzo stierf hij en werd begraven in zijns vaders graf.
24 David nu kwam te Mahanáïm; en Absalom toog over de Jordaan, hij en alle mannen Israëls met hem.
25 En Absalom had Amása in Joabs plaats gesteld over het heir. Amása nu was eens mans zoon, wiens naam was Jethra, de Israëliet, die ingegaan was tot Abigal, dochter van Nahas, zuster van Zerúja, Joabs moeder.
26 Israël nu en Absalom legerden zich in het land van Gilead.
27 En het geschiedde als David te Mahanáïm gekomen was, dat Sobi, de zoon van Nahas, van Rabba der kinderen Ammons, en Machir, de zoon van Ammiël, van Lódebar, en Barzillai, de Gileadiet, van Rógelim,
28 Beddenwerk en schalen en aarden vaten, en tarwe en gerst en meel en geroost koren, en bonen en linzen, ook geroost,
29 En honing en boter en schapen en koeienkazen brachten tot David en tot het volk dat met hem was, om te eten; want zij zeiden: Dit volk is hongerig en moede en dorstig in de woestijn.

Einde 2 Samuël 17