Statenvertaling.nl

sample header image

Genesis 48 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Genesis 48

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Jakob zegent de zonen van Jozef
1 HET geschiedde nu na deze dingen, dat men Jozef zeide: Zie, uw vader is krank. Toen nam hij zijn twee zonen met zich, Manasse en Efraïm.
2 En men boodschapte Jakob en men zeide: Zie, uw zoon Jozef komt tot u. Zo versterkte zich Israël en zat op het bed.
3 Daarna zeide Jakob tot Jozef: God ade Almachtige is bmij verschenen te Luz in het land Kanaän; en Hij heeft mij gezegend, a Gen. 17:1. b Gen. 35:6. verwijsteksten
4 En Hij heeft tot mij gezegd: cZie, Ik zal u vruchtbaar maken en u vermenigvuldigen en u tot een hoop van volken stellen; en Ik zal uw zaad na u dat land tot een eeuwige bezitting geven. c Gen. 28:3; 35:11. verwijsteksten
5 Nu dan, uw twee zonen, ddie u in Egypteland geboren waren, eer ik in Egypte tot u gekomen ben, zijn mijne; Efraïm en Manasse zullen mijne zijn als Ruben en Simeon. d Gen. 41:50; 46:20. verwijsteksten
6 Maar uw geslacht dat gij na hen zult gewinnen, zullen uwe zijn; zij zullen naar hunner broederen naam genoemd worden in hun erfdeel.
7 Toen ik nu van Paddan kwam, ezo is Rachel bij mij gestorven in het land Kanaän, op den weg, als het nog een kleine streek lands was om tot Efrath te komen; en ik begroef haar aldaar aan den weg van Efrath, dewelke is Bethlehem. e Gen. 35:19. verwijsteksten
8 En Israël zag de zonen van Jozef, en zeide: Wiens zijn dezen?
9 En Jozef zeide tot zijn vader: Zij zijn mijn zonen, die mij God hier gegeven heeft. En hij zeide: Breng hen toch tot mij, dat ik hen zegene.
10 Doch Israëls ogen waren zwaar van ouderdom, hij kon niet zien; en hij deed hen naderen tot hem; toen kuste hij hen en omhelsde hen.
11 En Israël zeide tot Jozef: Ik had niet gemeend uw aangezicht te zien; maar zie, God heeft mij ook uw zaad doen zien.
12 Toen deed hen Jozef uitgaan van zijn knieën; en hij boog zich voor zijn aangezicht neder ter aarde.
13 En Jozef nam die beiden, Efraïm met zijn rechterhand tegenover Israëls linkerhand, en Manasse met zijn linkerhand tegenover Israëls rechterhand; en hij deed hen naderen tot hem.
14 Maar Israël strekte zijn rechterhand uit en legde ze op het hoofd van Efraïm, hoewel hij de minste was, en zijn linkerhand op het hoofd van Manasse; hij bestuurde zijn handen verstandiglijk, want Manasse was de eerstgeborene.
15 En hij fzegende Jozef en zeide: De God voor Wiens aangezicht mijn vaders Abraham en Izak gewandeld hebben, die God Die mij gevoed heeft, van dat ik was tot op dezen dag, f Hebr. 11:21. verwijsteksten
16 gDie Engel Die mij verlost heeft van alle kwaad, zegene deze jongens, en dat in hen mijn naam genoemd worde en de naam mijner vaderen Abraham en Izak, en dat zij vermenigvuldigen als vissen in menigte in het midden des lands. g Gen. 31:42; 32:1. verwijsteksten
17 Toen Jozef zag dat zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van Efraïm legde, zo was het kwaad in zijn ogen; en hij ondervatte zijns vaders hand om die van het hoofd van Efraïm op het hoofd van Manasse af te brengen.
18 En Jozef zeide tot zijn vader: Niet alzo, mijn vader; want deze is de eerstgeborene; leg uw rechterhand op zijn hoofd.
19 Maar zijn vader weigerde het en zeide: Ik weet het, mijn zoon, ik weet het; hij zal ook tot een volk worden en hij zal ook groot worden; maar nochtans zal zijn kleinste broeder groter worden dan hij, en zijn zaad zal heen volle menigte van volken worden. h Ruth 4:11, 12. verwijsteksten
20 Alzo zegende hij hen te dien dage, zeggende: In u zal Israël zegenen, zeggende: iGod zette u als Efraïm en als Manasse! En hij zette Efraïm voor Manasse. i Jer. 31:20. verwijsteksten
21 Daarna zeide Israël tot Jozef: Zie, ik sterf; maar God zal met ulieden wezen en Hij zal u wederbrengen in het land uwer vaderen.
22 kEn ik heb u een stuk land gegeven boven uw broederen; lhetwelk ik met mijn zwaard en met mijn boog uit de hand der Amorieten genomen heb. k Joz. 13:7; 16:1; 17:1. l Joz. 24:8. verwijsteksten

Einde Genesis 48