Statenvertaling.nl

sample header image

Genesis 39 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Genesis 39

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Jozef bij Pótifar verzocht
1 JOZEF nu awerd naar Egypte afgevoerd; en Pótifar, Farao’s hoveling, een overste der trawanten, een Egyptisch man, kocht hem uit de hand der Ismaëlieten die hem derwaarts afgevoerd hadden. a Gen. 37:28. Ps. 105:17. verwijsteksten
2 En de HEERE bwas met Jozef, zodat hij een voorspoedig man was; en hij was in het huis van zijn heer, den Egyptenaar. b vers 21. Hand. 7:9. verwijsteksten
3 Als nu zijn heer zag, dat de HEERE met hem was, en dat de HEERE al wat hij deed door zijn hand voorspoedig maakte,
4 Zo vond Jozef genade in zijn ogen en diende hem; en hij stelde hem over zijn huis, en al wat hij had, gaf hij in zijn hand.
5 En het geschiedde van toen af dat hij hem over zijn huis en over al wat zijne was gesteld had, dat de HEERE des Egyptenaars huis zegende, om Jozefs wil; ja, de zegen des HEEREN was in alles wat hij had, in het huis en in het veld.
6 En hij liet alles wat hij had in Jozefs hand, zodat hij met hem van geen ding kennis had, behalve van het brood dat hij at. En Jozef was schoon van gedaante en schoon van aangezicht.
7 En het geschiedde na deze dingen, cdat de huisvrouw zijns heren haar ogen op Jozef wierp; en zij zeide: Lig bij mij. c Spr. 7:13. verwijsteksten
8 Maar hij weigerde het en zeide tot de huisvrouw zijns heren: Zie, mijn heer heeft geen kennis met mij wat er in het huis is; en al wat hij heeft, dat heeft hij in mijn hand gegeven.
9 Niemand is groter in dit huis dan ik, en hij heeft voor mij niets onthouden dan u, daarin dat gij zijn huisvrouw zijt; hoe zou ik dan dit een zo groot kwaad doen en zondigen tegen God?
10 En het geschiedde als zij Jozef dag op dag aansprak, en hij naar haar niet hoorde om bij haar te liggen en bij haar te zijn,
11 Zo gebeurde het op zulk een dag, dat hij in het huis kwam om zijn werk te doen; en niemand van de lieden des huizes was daar binnenshuis.
12 En zij greep hem bij zijn kleed, zeggende: Lig bij mij. En hij liet zijn kleed in haar hand en vluchtte, en ging uit naar buiten.
13 En het geschiedde als zij zag dat hij zijn kleed in haar hand gelaten had, en naar buiten gevlucht was,
14 Zo riep zij de lieden van haar huis en sprak tot hen, zeggende: Ziet, hij heeft ons den Hebreeuwsen man ingebracht om met ons te spotten; hij is tot mij gekomen om bij mij te liggen, en ik heb geroepen met luider stem;
15 En het geschiedde als hij hoorde dat ik mijn stem verhief en riep, zo liet hij zijn kleed bij mij en vluchtte en ging uit naar buiten.
16 En zij legde zijn kleed bij zich, totdat zijn heer in zijn huis kwam.
17 Toen sprak zij tot hem naar diezelve woorden, zeggende: De Hebreeuwse knecht, dien gij ons hebt ingebracht, is tot mij gekomen om met mij te spotten.
18 En het is geschied, als ik mijn stem verhief en riep, dat hij zijn kleed bij mij liet en vluchtte naar buiten.
19 En het geschiedde als zijn heer de woorden zijner huisvrouw hoorde, die zij tot hem sprak, zeggende: Naar deze zelve woorden heeft mij uw knecht gedaan, zo ontstak zijn toorn.
20 En Jozefs heer nam hem en leverde dhem in het gevangenhuis, ter plaatse waar des konings gevangenen gevangen waren; alzo was hij daar in het gevangenhuis. d Ps. 105:18. verwijsteksten
21 Doch de HEERE was met Jozef en wendde Zijn goedertierenheid tot hem, en gaf hem genade in de ogen van den overste van het gevangenhuis.
22 En de overste van het gevangenhuis gaf al de gevangenen die in het gevangenhuis waren, in Jozefs hand; en al wat zij daar deden, deed hij.
23 De overste van het gevangenhuis zag gans op geen ding dat in zijn hand was, overmits dat de HEERE met hem was; en wat hij deed, dat deed de HEERE wel gedijen.

Einde Genesis 39