Statenvertaling.nl

sample header image

Genesis 34 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Genesis 34

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Dina en de Sichemieten
1 EN aDina, de dochter van Lea, die zij Jakob gebaard had, ging uit om de dochteren van dat land te bezien. a Gen. 30:21. verwijsteksten
2 Sichem nu, de zoon van Hemor, den Heviet, den landsvorst, zag haar; en hij nam haar en lag bij haar en verkrachtte haar.
3 En zijn ziel kleefde aan Dina, Jakobs dochter; en hij had de jongedochter lief en sprak naar het hart van de jongedochter.
4 Sichem sprak ook tot zijn vader Hemor, zeggende: Neem mij deze dochter tot een vrouw.
5 Toen Jakob hoorde dat hij zijn dochter Dina verontreinigd had, zo waren zijn zonen met het vee in het veld; en Jakob zweeg, totdat zij kwamen.
6 En Hemor, Sichems vader, ging uit tot Jakob, om met hem te spreken.
7 En de zonen van Jakob kwamen van het veld, als zij dit hoorden; en het smartte dezen mannen en zij ontstaken zeer, omdat hij dwaasheid in Israël gedaan had, Jakobs dochter beslapende, hetwelk alzo niet zou gedaan worden.
8 Toen sprak Hemor met hen, zeggende: Mijns zoons Sichems ziel is verliefd op ulieder dochter; geeft haar aan hem toch tot een vrouw.
9 En verzwagert u met ons; geeft ons uw dochters en neemt voor u onze dochters;
10 En woont met ons; en het land zal voor uw aangezicht zijn; woont en handelt daarin, en stelt u tot bezitters daarin.
11 En Sichem zeide tot haar vader en tot haar broederen: Laat mij genade vinden in uw ogen; en wat gij tot mij zeggen zult, zal ik geven.
12 Vergroot zeer over mij den bruidsschat en het geschenk, en ik zal geven gelijk als gij tot mij zult zeggen; geeft mij slechts de jongedochter tot een vrouw.
13 Toen antwoordden Jakobs zonen aan Sichem en Hemor, zijn vader, bedrieglijk, en spraken (overmits dat hij Dina, hun zuster, verontreinigd had);
14 En zij zeiden tot hen: Wij zullen deze zaak niet kunnen doen, dat wij onze zuster aan een man geven zouden bdie de voorhuid heeft; want dat ware ons een schande. b Genesis 17. verwijsteksten
15 Doch hierin zullen wij u ter wille zijn: zo gij wordt gelijk als wij, dat onder u besneden worde al wat mannelijk is,
16 Dan zullen wij u onze dochters geven en uw dochters zullen wij ons nemen, en wij zullen met u wonen en wij zullen tot één volk zijn.
17 Maar zo gij naar ons niet zult horen om besneden te worden, zo zullen wij onze dochter nemen en wegtrekken.
18 En hun woorden waren goed in de ogen van Hemor, en in de ogen van Sichem, Hemors zoon.
19 En de jongeling vertoog niet deze zaak te doen, want hij had lust in Jakobs dochter; en hij was geëerd boven al zijns vaders huis.
20 Zo kwam Hemor en Sichem, zijn zoon, tot hunner stadspoort; en zij spraken tot de mannen hunner stad, zeggende:
21 Deze mannen zijn vreedzaam met ons; daarom, laat hen in dit land wonen en daarin handelen, en het land (zie, het is wijd van ruimte) voor hun aangezicht zijn; wij zullen ons hun dochters tot vrouwen nemen en wij zullen onze dochters aan hen geven.
22 Doch hierin zullen deze mannen ons ter wille zijn, dat zij met ons wonen om tot één volk te zijn: als al wat mannelijk is onder ons besneden wordt, gelijk als zij besneden zijn.
23 Hun vee en hun bezitting en al hun beesten, zullen die niet onze zijn? Alleen laat ons hun ter wille zijn, en zij zullen met ons wonen.
24 En zij hoorden naar Hemor en naar Sichem, zijn zoon, allen die te zijner stadspoort uitgingen; en zij werden besneden, al wat mannelijk was, allen die te zijner stadspoort uitgingen.
25 En het geschiedde ten derden dage, toen zij in de smart waren, czo namen de twee zonen van Jakob, Simeon en Levi, broeders van Dina, een iegelijk zijn zwaard en kwamen stoutelijk in de stad, en doodden al wat mannelijk was. c Gen. 49:6. verwijsteksten
26 Zij sloegen ook Hemor en zijn zoon Sichem dood met de scherpte des zwaards; en zij namen Dina uit Sichems huis en gingen vandaar.
27 De zonen van Jakob kwamen over de verslagenen en plunderden de stad, omdat zij hun zuster verontreinigd hadden.
28 Hun schapen en hun runderen en hun ezels, en hetgeen dat in de stad en hetgeen dat in het veld was, namen zij.
29 En al hun vermogen, en al hun kleine kinderen en hun vrouwen voerden zij gevankelijk weg en plunderden hen, en al wat binnenshuis was.
30 Toen zeide Jakob tot Simeon en tot Levi: Gij hebt mij beroerd, mits mij stinkende te maken onder de inwoners dezes lands, onder de Kanaänieten en onder de Ferezieten; en ik ben weinig volk in getal; zo zij zich tegen mij verzamelen, zo zullen zij mij slaan, en ik zal verdelgd worden, ik en mijn huis.
31 En zij zeiden: Zou hij dan met onze zuster als met een hoer doen?

Einde Genesis 34