Statenvertaling.nl

sample header image

Genesis 28 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Genesis 28

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Jakob vlucht
1 EN Izak riep Jakob en zegende hem; en gebood hem en zeide hem: Neem geen vrouw van de dochteren van Kanaän.
2 aMaak u op, ga naar Paddan-Aram, ten huize van Béthuël, den vader uwer moeder; en neem u vandaar een vrouw van de dochters van Laban, uwer moeders broeder. a Hos. 12:13. verwijsteksten
3 En God almachtig zegene u, en make u vruchtbaar en vermenigvuldige u, dat gij tot een hoop volken wordt.
4 En Hij geve u den zegen van Abraham, u ben uw zaad met u; opdat gij erfelijk bezit het land uwer vreemdelingschappen, hetwelk God Abraham gegeven heeft. b Gen. 12:7; 13:15; 15:18; 24:7; 26:3. Deut. 34:4. Hand. 7:5. verwijsteksten
5 Alzo zond Izak Jakob weg, dat hij toog naar Paddan-Aram, tot Laban, den zoon van Béthuël, den Syriër, den broeder van Rebekka, Jakobs en Ezaus moeder.
6 Als nu Ezau zag, dat Izak Jakob gezegend en hem naar Paddan-Aram weggezonden had om zich vandaar een vrouw te nemen; en als hij hem zegende, dat hij hem geboden had, zeggende: Neem geen vrouw van de dochteren van Kanaän;
7 En dat Jakob zijn vader en zijn moeder gehoorzaam geweest was, en naar Paddan-Aram getrokken was;
8 En dat Ezau zag, dat de dochteren van Kanaän kwaad waren in de ogen van Izak, zijn vader;
9 Zo ging Ezau tot Ismaël, en nam zich tot een vrouw boven zijn vrouwen Máhalath, de dochter van Ismaël, den zoon van Abraham, de zuster van Nebajoth.
 
Bethel
10 Jakob dan toog uit van Berséba, en ging naar Haran.
11 En hij geraakte op een plaats waar hij vernachtte, want de zon was ondergegaan; en hij nam van de stenen dier plaats, en maakte zijn hoofdpeluw, en legde zich te slapen te dierzelver plaats.
12 En hij droomde; en zie, een ladder was gesteld op de aarde, welker opperste aan den hemel raakte; en zie, cde engelen Gods klommen daarbij op en neder. c Joh. 1:52. verwijsteksten
13 En zie, de HEERE stond op dezelve en zeide: Ik dben de HEERE, de God van uw vader Abraham en de God van Izak; dit land, waarop gij ligt te slapen, ezal Ik u geven en uw zaad. d Gen. 35:1, 3; 48:3. e Deut. 12:20; 19:8. verwijsteksten
14 En uw zaad zal wezen als het stof der aarde, en gij zult uitbreken in menigte, westwaarts en oostwaarts, en noordwaarts en zuidwaarts; en fin u en in uw Zaad zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden. f Gen. 12:3; 18:18; 22:18; 26:4. verwijsteksten
15 En zie, Ik ben met u, en Ik zal u behoeden overal waar gij heen trekken zult, en Ik zal u wederbrengen in ditzelve land; want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik zal gedaan hebben hetgeen Ik tot u gesproken heb.
16 Toen nu Jakob van zijn slaap ontwaakte, zeide hij: Gewisselijk is de HEERE aan deze plaats, en ik heb het niet geweten.
17 En hij vreesde en zeide: Hoe vreselijk is deze plaats! Dit is niet dan een huis Gods, en dit is de poort des hemels.
18 Toen stond Jakob des morgens vroeg op en hij nam dien steen dien hij tot zijn hoofdpeluw gelegd had, en gzette hem tot een opgericht teken, en goot daar olie bovenop. g Gen. 31:13; 35:14. verwijsteksten
19 En hij noemde den naam derzelver plaats Bethel; daar toch de naam dier stad tevoren was Luz.
20 En Jakob beloofde een gelofte, zeggende: Wanneer God met mij geweest zal zijn en mij behoed zal hebben op dezen weg, dien ik reis, en mij gegeven zal hebben brood om te eten en klederen om aan te trekken;
21 En ik ten huize mijns vaders in vrede zal wedergekeerd zijn, zo zal de HEERE mij tot een God zijn,
22 En deze steen, dien ik tot een opgericht teken gezet heb, zal een huis Gods wezen; en alles wat Gij mij geven zult, daarvan zal ik U voorzeker de tienden geven.

Einde Genesis 28