Statenvertaling.nl

sample header image

Genesis 24 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Genesis 24

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Izak trouwt Rebekka
1 ABRAHAM nu was oud en welbedaagd; en de HEERE had Abraham in alles gezegend.
2 Zo sprak Abraham tot zijn knecht, den oudste van zijn huis, regerende over alles wat hij had: aLeg toch uw hand onder mijn heup, a Gen. 47:29. verwijsteksten
3 Opdat ik u doe zweren bij den HEERE, den God des hemels en den God der aarde, bdat gij voor mijn zoon geen vrouw nemen zult van de dochteren der Kanaänieten, in het midden van dewelke ik woon; b Gen. 28:1. verwijsteksten
4 Maar dat gij naar mijn land en naar mijn maagschap trekken, en voor mijn zoon Izak een vrouw nemen zult.
5 En de knecht zeide tot hem: Misschien zal die vrouw mij niet willen volgen in dit land; zal ik dan uw zoon moeten wederbrengen in het land waar gij uitgetogen zijt?
6 En Abraham zeide tot hem: Wacht u, dat gij mijn zoon niet weder daarheen brengt.
7 cDe HEERE, de God des hemels, Die mij uit mijns vaders huis en uit het land mijner maagschap genomen heeft, en Die tot mij gesproken heeft, en Die mij gezworen heeft, zeggende: dUw zaad zal Ik dit land geven; Diezelve zal Zijn engel voor uw aangezicht zenden, dat gij voor mijn zoon vandaar een vrouw neemt. c Gen. 12:1. d Gen. 12:7; 13:15; 15:18; 26:4. Ex. 32:13. Deut. 34:4. Hand. 7:5. verwijsteksten
8 Maar indien de vrouw u niet volgen wil, zo zult gij rein zijn van dezen mijn eed; alleenlijk breng mijn zoon daar niet weder heen.
9 Toen legde de knecht zijn hand onder de heup van Abraham, zijn heer, en hij zwoer hem over deze zaak.
10 En die knecht nam tien kemels van zijns heren kemels en toog heen; en al het goed zijns heren was in zijn hand; en hij maakte zich op en toog heen naar Mesopotámië, naar de stad van Nahor.
11 En hij deed de kemels nederknielen buiten de stad, bij een waterput, des avondtijds, ten tijde als de putsters uitkwamen.
12 En hij zeide: HEERE, God van mijn heer Abraham, doe haar mij toch heden ontmoeten, en doe weldadigheid bij Abraham, mijn heer.
13 Zie, ik sta bij de waterfontein, en de dochteren der mannen dezer stad zijn uitgaande om water te putten;
14 Zo geschiede, dat die jongedochter, tot dewelke ik zal zeggen: Neig toch uw kruik, dat ik drinke; en zij zal zeggen: Drink, en ik zal ook uw kemels drenken; diezelve zij, die Gij Uw knecht Izak toegewezen hebt, en dat ik daaraan bekenne, dat Gij weldadigheid bij mijn heer gedaan hebt.
15 En het geschiedde eer hij geëindigd had te spreken, zie, zo kwam Rebekka uit, edewelke aan Béthuël geboren was, den zoon van Milka, huisvrouw van Nahor, den broeder van Abraham; en zij had haar kruik op haar schouder. e Gen. 22:23. verwijsteksten
16 En die jongedochter was zeer schoon van aangezicht, een maagd, en geen man had haar bekend; en zij ging af naar de fontein, en vulde haar kruik en ging op.
17 Toen liep de knecht haar tegemoet en hij zeide: Laat mij toch een weinig water uit uw kruik drinken.
18 En zij zeide: Drink, mijn heer. En zij haastte en liet haar kruik neder op haar hand en gaf hem te drinken.
19 Als zij nu voleind had van hem drinken te geven, zeide zij: Ik zal ook voor uw kemels putten, totdat zij voleind hebben te drinken.
20 En zij haastte en goot haar kruik uit in den drinkbak, en liep weder naar den put om te putten, en zij putte voor al zijn kemels.
21 En de man ontzette zich over haar, stilzwijgende, om te merken of de HEERE zijn weg voorspoedig gemaakt had of niet.
22 En het geschiedde als de kemels voleind hadden te drinken, dat die man een gouden voorhoofdsiersel nam, welks gewicht was een halve sikkel, en twee armringen aan haar handen, welker gewicht was tien sikkelen goud.
23 Want hij had gezegd: Wiens dochter zijt gij? Geef het mij toch te kennen; is er ook ten huize uws vaders plaats voor ons om te vernachten?
24 En zij had tot hem gezegd: fIk ben de dochter van Béthuël, den zoon van Milka, dien zij Nahor gebaard heeft. f Gen. 22:23. verwijsteksten
25 Voorts had zij tot hem gezegd: Ook is er stro en veel voeder bij ons, ook plaats om te vernachten.
26 Toen neigde die man zijn hoofd en aanbad den HEERE;
27 En hij zeide: Geloofd zij de HEERE, de God van mijn heer Abraham, Die Zijn weldadigheid en waarheid niet nagelaten heeft van mijn heer; aangaande mij, de HEERE heeft mij op dezen weg geleid, ten huize van mijns heren broederen.
28 En die jongedochter liep en gaf ten huize harer moeder te kennen, gelijk deze zaken waren.
29 En Rebekka had een broeder, wiens naam was Laban; en Laban liep tot dien man naar buiten tot de fontein.
30 En het geschiedde als hij dat voorhoofdsiersel gezien had en de armringen aan de handen zijner zuster, en als hij gehoord had de woorden zijner zuster Rebekka, zeggende: Alzo heeft die man tot mij gesproken; zo kwam hij tot dien man, en zie, hij stond bij de kemels, bij de fontein.
31 En hij zeide: Kom in, gij gezegende des HEEREN, waarom zoudt gij buiten staan? Want ik heb het huis bereid en de plaats voor de kemels.
32 Toen kwam die man naar het huis toe, en men ontgordde de kemels, en men gaf den kemels stro en voeder; en water om zijn voeten te wassen en de voeten der mannen die bij hem waren.
33 Daarna werd hem te eten voorgezet; maar hij zeide: Ik zal niet eten, totdat ik mijn woorden gesproken heb. En hij zeide: Spreek.
34 Toen zeide hij: Ik ben Abrahams knecht.
35 En de HEERE heeft mijn heer zeer gezegend, zodat hij groot geworden is; en Hij heeft hem gegeven schapen en runderen, en zilver en goud, en knechten en maagden, en kemels en ezels.
36 En Sara, de huisvrouw van mijn heer, heeft mijn heer een zoon gebaard, nadat zij oud geworden was; en hij heeft hem gegeven alles wat hij heeft.
37 En mijn heer heeft mij doen zweren, zeggende: Gij zult voor mijn zoon geen vrouw nemen van de dochteren der Kanaänieten, in welker land ik woon;
38 Maar gij zult trekken naar mijns vaders huis en naar mijn geslacht, en zult voor mijn zoon een vrouw nemen.
39 Toen zeide ik tot mijn heer: Misschien zal mij die vrouw niet volgen.
40 En hij zeide tot mij: De HEERE, voor Wiens aangezicht ik gewandeld heb, zal Zijn engel met u zenden, en Hij zal uw weg voorspoedig maken, dat gij voor mijn zoon een vrouw neemt uit mijn geslacht en uit mijns vaders huis.
41 Dan zult gij van mijn eed rein zijn, wanneer gij tot mijn geslacht zult gegaan zijn; en indien zij haar u niet geven, zo zult gij rein zijn van mijn eed.
42 En ik kwam heden aan de fontein, en ik zeide: O HEERE, God van mijn heer Abraham, zo Gij nu mijn weg voorspoedig maken zult, op denwelken ik ga;
43 Zie, ik sta bij de waterfontein; zo geschiede, dat de maagd die uitkomen zal om te putten, en tot dewelke ik zeggen zal: Geef mij toch een weinig water te drinken uit uw kruik;
44 En zij tot mij zal zeggen: Drink gij ook, en ik zal ook voor uw kemels putten; dat deze die vrouw zij, die de HEERE aan den zoon van mijn heer heeft toegewezen.
45 Eer ik geëindigd had te spreken in mijn hart, zie, zo kwam Rebekka uit en had haar kruik op haar schouder, en zij kwam af tot de fontein en putte; en ik zeide tot haar: Geef mij toch te drinken.
46 Zo haastte zij en liet haar kruik van zich neder en zeide: Drink gij, en ik zal ook uw kemels drenken; en ik dronk, en zij drenkte ook de kemels.
47 Toen vraagde ik haar en zeide: Wiens dochter zijt gij? En zij zeide: De dochter van Béthuël, den zoon van Nahor, welken Milka hem gebaard heeft. Zo legde ik het voorhoofdsiersel op haar aangezicht, en de armringen aan haar handen;
48 En ik neigde mijn hoofd en aanbad den HEERE; en ik loofde den HEERE, den God van mijn heer Abraham, Die mij op den rechten weg geleid had om de dochter van den broeder van mijn heer voor zijn zoon te nemen.
49 Nu dan, zo gijlieden weldadigheid en trouw aan mijn heer doen zult, geeft het mij te kennen; en zo niet, geeft het mij ook te kennen, opdat ik mij ter rechter- of ter linkerhand wende.
50 Toen antwoordde Laban, en Béthuël, en zeiden: Van den HEERE is deze zaak voortgekomen; wij kunnen kwaad noch goed tot u spreken.
51 Zie, Rebekka is voor uw aangezicht; neem haar en trek heen; zij zij de vrouw van den zoon uws heren, gelijk de HEERE gesproken heeft.
52 En het geschiedde als Abrahams knecht hun woorden hoorde, zo boog hij zich ter aarde voor den HEERE.
53 En de knecht langde voort zilveren kleinodiën en gouden kleinodiën en klederen, en hij gaf ze Rebekka; hij gaf ook haar broeder en haar moeder kostelijkheden.
54 Toen aten en dronken zij, hij en de mannen die bij hem waren, en zij vernachtten; en zij stonden des morgens op, en hij zeide: Laat mij trekken tot mijn heer.
55 Toen zeide haar broeder en haar moeder: Laat de jongedochter enige dagen of tien bij ons blijven; daarna zult gij gaan.
56 Maar hij zeide tot hen: Houdt mij niet op, dewijl de HEERE mijn weg voorspoedig gemaakt heeft; laat mij trekken, dat ik tot mijn heer ga.
57 Toen zeiden zij: Laat ons de jongedochter roepen en haar mond vragen.
58 En zij riepen Rebekka en zeiden tot haar: Zult gij met dezen man trekken? En zij antwoordde: Ik zal trekken.
59 Toen lieten zij Rebekka, hun zuster, en haar voedster trekken, mitsgaders Abrahams knecht en zijn mannen.
60 En zij zegenden Rebekka en zeiden tot haar: O onze zuster, word gij tot duizenden miljoenen, en uw zaad bezitte de poort zijner haters.
61 En Rebekka maakte zich op met haar jongedochters, en zij reden op kemels en volgden den man; en die knecht nam Rebekka en toog heen.
62 Izak nu kwam vanwaar men komt tot den gput Lachai-Róï; en hij woonde in het zuiderland. g Gen. 16:14; 25:11. verwijsteksten
63 En Izak was uitgegaan om te bidden in het veld, tegen het naken van den avond; en hij hief zijn ogen op en zag toe, en zie, de kemels kwamen.
64 Rebekka hief ook haar ogen op en zij zag Izak; en zij viel van den kemel af.
65 En zij zeide tot den knecht: Wie is die man, die ons in het veld tegemoet wandelt? En de knecht zeide: Dat is mijn heer. Toen nam zij den sluier en bedekte zich.
66 En de knecht vertelde Izak al de zaken die hij gedaan had.
67 En Izak bracht haar in de tent van zijn moeder Sara; en hij nam Rebekka en zij werd hem ter vrouw, en hij had haar lief. Alzo werd Izak getroost na zijner moeders dood.

Einde Genesis 24