Statenvertaling.nl

sample header image

Genesis 12 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Genesis 12

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

De roeping van Abram
1 DE HEERE nu had tot Abram gezegd: Ga agij uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis, naar het land dat Ik u wijzen zal. a Hand. 7:3. Hebr. 11:8. verwijsteksten
2 En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen en uw naam groot maken; en wees een zegen.
3 En Ik zal zegenen die u zegenen, en vervloeken die u vloekt; ben in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden. b Gen. 18:18; 22:18; 26:4. Hand. 3:25. Gal. 3:8. verwijsteksten
4 En Abram toog heen, gelijk de HEERE tot hem gesproken had, en Lot toog met hem; en Abram was vijf en zeventig jaar oud, toen hij uit Haran ging.
5 cEn Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijns broeders zoon, en al hun have die zij verworven hadden, en de zielen die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän. c Hand. 7:4. verwijsteksten
6 En Abram is doorgetogen in dat land, tot aan de plaats Sichem, tot aan het eikenbos Moré; en dde Kanaänieten waren toentertijd in dat land. d Gen. 10:18, 19; 13:7. verwijsteksten
7 Zo verscheen de HEERE aan Abram en zeide: eUw zaad zal Ik dit land geven. Toen bouwde hij aldaar een altaar den HEERE, Die hem verschenen was. e Gen. 13:15; 15:18; 17:8; 24:7; 26:4. Deut. 34:4. verwijsteksten
8 En hij brak op vandaar naar het gebergte tegen het oosten van Bethel, en hij sloeg zijn tent op, zijnde Bethel tegen het westen en Ai tegen het oosten; en hij bouwde daar den HEERE een altaar en riep den Naam des HEEREN aan.
9 Daarna vertrok Abram, gaande en trekkende naar het zuiden.
 
Verblijf in Egypte
10 En er was honger in dat land; zo toog Abram af naar Egypte om daar als een vreemdeling te verkeren, dewijl de honger zwaar was in dat land.
11 En het geschiedde als hij naderde om in Egypte te komen, dat hij zeide tot Sarai, zijn huisvrouw: Zie toch, ik weet dat gij een vrouw zijt schoon van aangezicht.
12 En het zal geschieden als u de Egyptenaars zullen zien, zo zullen zij zeggen: Dat is zijn huisvrouw; en zij zullen mij doden, en u in het leven behouden.
13 fZeg toch: Gij zijt mijn zuster; opdat het mij welga om u, en mijn ziel om uwentwil leve. f Gen. 20:12; 26:7. verwijsteksten
14 En het geschiedde als Abram in Egypte kwam, dat de Egyptenaars deze vrouw zagen, dat zij zeer schoon was.
15 Ook zagen haar Farao’s vorsten en prezen haar bij Farao; en de vrouw werd weggenomen naar Farao’s huis.
16 En hij deed Abram goed om harentwil; zodat hij had schapen en runderen en ezels, en knechten en maagden, en ezelinnen en kemels.
17 Maar de gHEERE plaagde Farao met grote plagen, ook zijn huis, ter oorzake van Sarai, Abrams huisvrouw. g Ps. 105:14. verwijsteksten
18 Toen riep Farao Abram en zeide: Wat is dit, dat gij mij gedaan hebt? Waarom hebt gij mij niet te kennen gegeven dat zij uw huisvrouw is?
19 Waarom hebt gij gezegd: Zij is mijn zuster; zodat ik haar mij tot een vrouw zou genomen hebben? En nu, zie, daar is uw huisvrouw; neem haar en ga heen.
20 En Farao gebood zijn mannen vanwege hem, en zij geleidden hem en zijn huisvrouw en alles wat hij had.

Einde Genesis 12