Statenvertaling.nl

sample header image

Kolossenzen 1 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Kolossenzen 1

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

1 Na het gewoonlijke opschrift van den brief, 3 Dankt Paulus God dat de Kolossenzen het geloof in Christus hebben aangenomen. 5 Door de predicatie des Evangelies, die nu in de gehele wereld vruchten voortbracht. 7 Gelijk ook onder hen geschiedde, naar de getuigenis van Epafras, hun trouwen leraar. 9 Bidt God dat zij in alle christelijke deugden meer en meer worden bekrachtigd. 12 Komt daarna tot de verhandeling der leer, en verklaart hoe zij uit de macht der duisternis door het bloed van Christus zijn verlost. 15 Wiens Persoon hij beschrijft, namelijk dat Hij is het Beeld des onzienlijken Gods. 16 Dat alle dingen door Hem zijn geschapen. 18 Dat Hij is het Hoofd der gemeente. 20 Dat door het bloed Zijns kruises alles is verzoend wat in den hemel en op aarde is. 23 Vermaant hen in dit geloof te volharden. 24 Waarom hij het lijden van Christus ook voor hen vervult. 25 Overmits hij is geroepen om onder de heidenen deze verborgenheid te verkondigen. 28 En alle mensen in Christus alleen volmaakt te stellen, naar de werking Gods in hem.
 
Opschrift en zegengroet
1 PAULUS,1 een apostel van JEZUS CHRISTUS door den wil Gods, en Timótheüs, de broeder,
1 Van dit gehele opschrift zie de aantt. op de andere zendbrieven, en voornamelijk Ef. 1:1, 2. verwijsteksten
 
2 Den heiligen en gelovigen broederen in Christus die te 2Kolosse zijn: aGenade zij u en vrede van God onzen Vader en den Heere Jezus Christus.
2 Dit was een voorname stad in Frygië, niet ver van Hiërapolis en Laodicea, gelijk te zien is Kol. 4:13, 16, waar de apostel zelf nooit was geweest, Kol. 2:1, hoewel hij in Pamfylië, een landschap niet ver vandaar gelegen, het Evangelie meermaals gepredikt had; vanwaar het schijnt dat hij Epafras en enige anderen derwaarts gezonden heeft. Zie Hand. 13:13; 14:24. verwijsteksten
a Rom. 1:7. Gal. 1:3. Ef. 1:2. 1 Petr. 1:2. verwijsteksten
 
Dankzegging
3 3bWij danken den God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, altijd voor u biddende;
3 Zie van deze benaming Gods 1 Kor. 15:24. Ef. 1:3. verwijsteksten
b Ef. 1:15. Filipp. 1:3. 1 Thess. 1:2. 2 Thess. 1:3. verwijsteksten
 
4 Alzo wij van 4uw geloof in Christus Jezus gehoord hebben, en van de liefde die gij hebt tot alle heiligen;
4 Dat is, de belijdenis van uw geloof van Christus Jezus, op Welken het ware geloof bijzonderlijk ziet, om door Hem vergeving der zonden en de zaligheid te verkrijgen, Hand. 10:43. Rom. 3:24, 25, enz. verwijsteksten
 
5 Om 5de hoop cdie u 6weggelegd is in de hemelen, van welke gij tevoren gehoord hebt 7door het Woord der waarheid, namelijk des Evangelies;
5 De eeuwige zaligheid, die wij hier hopen, en hiernamaals in den hemel genieten zullen, Rom. 8:24. Ef. 1:18. verwijsteksten
c 1 Petr. 1:4. verwijsteksten
6 Dat is, bewaard wordt, gelijk Petrus spreekt, 1 Petr. 1:4, om te zijner tijd aldaar te ontvangen. verwijsteksten
7 Gr. in het Woord, Ef. 1:13. verwijsteksten
 
6 Hetwelk tot u gekomen is, gelijk ook 8in de gehele wereld, den 9het brengt vruchten voort, gelijk ook 10onder u, van dien dag af dat gij gehoord hebt en de genade Gods 11in waarheid bekend hebt;
8 Dat is, onder al de volken der wereld, gelijk hierna vers 23 verklaard wordt. Zie ook Rom. 10:18. verwijsteksten
d Mark. 4:8. Joh. 15:16. verwijsteksten
9 Namelijk des waren geloofs, en die de ware bekering betamelijk zijn. Zie Matth. 3:8; 13:23, alsook Jes. 55:10. verwijsteksten
10 Gr. in u.
11 Dat is, waarlijk en oprechtelijk, gelijk Hand. 10:34, hetwelk van de Kolossenzen verstaan wordt, die oprechtelijk en zonder geveinsdheid de waarheid des Evangelies hebben bekend; of van degenen die hun hetzelve eerst hebben gepredikt, welke het hun oprechtelijk en zonder vermenging van menselijke leringen hebben voorgesteld, gelijk hij terstond van Epafras getuigt. verwijsteksten
 
7 Gelijk gij ook geleerd hebt van eÉpafras, onzen geliefden mededienstknecht, dewelke een getrouw dienaar van Christus is 12voor u;
e Kol. 4:12. Filem. vs. 23. verwijsteksten
12 Dat is, u ten goede en tot uw zaligheid.
 
8 Die ons ook verklaard heeft uw liefde 13in den Geest.
13 Of: door den Geest, dat is, die door den Heiligen Geest in u gewrocht is, en uit een geestelijk gemoed en oorzaak voortkomt; hetwelk de apostel daarbij doet om deze liefde te onderscheiden van wereldse liefde, die uit wereldse oorzaken haar oorsprong heeft. Zie Rom. 14:17. Ef. 6:18. verwijsteksten
 
Christus en Zijn werk
9 fWaarom ook wij, van dien dag af dat wij het gehoord hebben, 14niet ophouden voor u te bidden, en te begeren gdat gij moogt vervuld worden met de kennis van 15Zijn wil, 16in alle wijsheid en geestelijk verstand,
f Ef. 1:15. verwijsteksten
14 Dat is, zo menigmaal als wij bidden, ook voor u te bidden.
g 1 Kor. 1:5. verwijsteksten
15 Dat is, Gods wil in het Evangelie geopenbaard, van welken hij vers 6 gesproken had. verwijsteksten
16 Deze twee gaven worden alzo onderscheiden, dat wijsheid is eigenlijk het begrip der geestelijke verborgenheden en leringen, ons in het Evangelie geopenbaard; maar het verstand de bekwaamheid om de ware leer des Evangelies wel te kunnen onderscheiden van menselijke bijvoegselen, en dezelve tot stichting en vertroosting te kunnen aanleggen, gelijk de apostel hierna ook beide deze dingen voorstelt.
 
10 hOpdat gij moogt wandelen 17waardiglijk den Heere 18tot alle behaaglijkheid, in alle goede werken ivruchtdragende, en wassende in de kennis Gods;
h Gen. 17:1. 1 Kor. 7:20. Ef. 4:1. Filipp. 1:27. 1 Thess. 2:12. verwijsteksten
17 Dat is, gelijk het betaamt dien die den Heere kennen, belijden en liefhebben. Zie dergelijk Rom. 16:2. Ef. 4:1. verwijsteksten
18 Dat is, om den Heere in al uw wandel te mogen behagen.
i Joh. 15:16. verwijsteksten
 
11 19Met alle kracht bekrachtigd zijnde, naar de sterkte Zijner heerlijkheid, tot alle 20lijdzaamheid en lankmoedigheid, 21met blijdschap;
19 Dat is, met allerlei kracht, die Hij ons in onze zwakheid mededeelt, om al deze onze vijanden te overwinnen, wanneer wij die sterkte door het geloof van Hem begeren. Zie 1 Kor. 1:27. 2 Kor. 12:9. Jak. 1:5, 17. verwijsteksten
20 De lijdzaamheid ziet op de grootte der verdrukking, die zij lijdzamelijk verdraagt; de lankmoedigheid op de langdurigheid derzelve, waardoor zij onder dezelve niet bezwijkt, noch zichzelve wreekt, al is zulks somwijlen in haar macht. Zie Jes. 30:15. Klgld. 3:25. verwijsteksten
21 Niet om de verdrukkingen zelve, die ook den gelovigen droefheid aandoen en tranen uitpersen, Joh. 16:20, maar om de vertroostingen die zij daarin gevoelen, en de vruchten en beloningen die zij daardoor verkrijgen. Zie Matth. 5:12. Hand. 5:41. Rom. 5:3. 2 Kor. 1:5, enz. verwijsteksten
 
12 22Dankende den Vader, Die ons 23bekwaam gemaakt heeft om 24deel te hebben in de erve der heiligen 25in het licht;
22 Namelijk wij, van dewelke hij in het negende vers gesproken heeft. De apostel begint hier het tweede deel van dezen zendbrief, bestaande in de voorstelling van de leer der zaligheid en in de wederlegging der daartegen strijdige dwalingen.
23 Namelijk door Zijn Woord en Geest.
24 Of: deel te hebben in het lot, dat is, in het erfdeel der heiligen, gelijk Hand. 26:18. verwijsteksten
25 Dat is, in het Rijk Zijner genade en heerlijkheid, hetwelk licht wordt genaamd vanwege de ware kennis Gods, die daarin heerst; en vanwege de eeuwige heerlijkheid en klaarheid in den hemel, die daarop volgt, gesteld tegen het rijk der duisternis, waarvan in het volgende vers wordt gesproken.
 
13 kDie ons getrokken heeft uit 26de macht der duisternis, en overgezet heeft in het Koninkrijk van l27den Zoon Zijner liefde,
k Ef. 2:4. 1 Thess. 2:12. verwijsteksten
26 Van de zonde en den eeuwigen dood, waarover den satan als een prins der duisternis, Ef. 6:12, de macht toegeschreven wordt, Hebr. 2:14, omdat hij door afleiding en onkennis van God en Zijn wil over de ongelovige mensen heerst, 2 Kor. 4:3, 4, en hen alzo tot den eeuwigen dood in de eeuwige duisternis brengt, Matth. 8:12. 2 Petr. 2:17. Jud. vs. 6. verwijsteksten
l Matth. 3:17; 17:5. 2 Petr. 1:17. verwijsteksten
27 Dat is, Zijn welgeliefden Zoon, Matth. 3:17; 17:5. Een Hebreeuwse wijze van spreken, gelijk Ps. 15:1 de berg Sion de berg Zijner heiligheid genaamd wordt, dat is, Zijn heilige berg. verwijsteksten
 
14 28In Denwelken wij 29de verlossing hebben mdoor Zijn bloed, 30namelijk de vergeving der zonden;
28 Namelijk Zoon Zijner liefde, dat is, Christus Jezus, Wiens Persoon hij daarna gaat beschrijven.
29 Gr. vrijmaking of lossing door rantsoen. Zie ook Ef. 1:7. verwijsteksten
m Hand. 20:28. Ef. 1:7. Hebr. 9:14. 1 Petr. 1:19. verwijsteksten
30 Hier wordt deze verlossing, die wij in Christus Jezus hebben, nader verklaard; de vergeving der zonden wordt hier, gelijk ook Luk. 1:77, alleen uitgedrukt, niet omdat wij door de verlossing van Christus niet meer hebben, maar omdat dezelve het eerste deel is van onze verlossing, en de grond waarop het recht tot het eeuwige leven en de heiligmaking, mitsgaders ook het pand des Heiligen Geestes noodwendiglijk volgt, gelijk de apostel elders alom verklaart, voornamelijk Ef. 1:7, enz., waarvan deze brief een kort begrip is. Zie ook Gal. 3:12, enz. verwijsteksten
 
15 nDewelke is 31het Beeld 32des onzienlijken Gods, ode 33Eerstgeborene aller creatuur.
n 2 Kor. 4:4. Filipp. 2:6. Hebr. 1:3. verwijsteksten
31 Christus wordt hier alzo genaamd, zo ten aanzien van Zijn eeuwige geboorte van den Vader, omdat Hij is het uitgedrukte en eeuwige Beeld van den Persoon des Vaders, eenswezens met den Vader, Spr. 8:22. Micha 5:1. Joh. 10:30. Hebr. 1:3, alsook ten aanzien dat Hij Mens geworden zijnde, God in Hem en door Hem Zijn eigenschappen, namelijk Zijn wijsheid, goedheid, rechtvaardigheid en almacht, voor onze ogen gelijk als afbeeldt. Zie Joh. 14:9. 1 Tim. 3:16. verwijsteksten
32 Namelijk des Vaders, Die daarom onzienlijk genoemd wordt, omdat Zijn Wezen onzienlijk is, 1 Tim. 6:16, en omdat Hij Zichzelven voor de ogen der mensen niet heeft geopenbaard, gelijk wel de Zoon in Zijn aangenomen menselijke natuur heeft gedaan. Zie Joh. 1:18, 33. verwijsteksten
o Openb. 3:14. verwijsteksten
33 Hij zegt niet de Eerstgeschapene, maar Eerstgeborene, hetwelk verstaan moet worden van Zijn Goddelijke natuur en eeuwige geboorte van den Vader vóór alle schepselen, en van Zijn waardigheid boven alle schepselen, gelijk op het woord Beeld aangetekend is, en nader blijkt Joh. 1:1, vergeleken met vers 14. Te meer omdat Hij hier gezegd wordt de Eerstgeborene niet onder vele broederen, gelijk Rom. 8:29, maar aller creatuur, waardoor Hij merkelijk van alle schepselen wordt onderscheiden, en dienvolgens niet als een schepsel, maar als de Schepper van alles wordt ingevoerd, gelijk in het volgende vers breder verklaard wordt. verwijsteksten
 
16 pWant 34door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn, hetzij 35tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten: alle dingen zijn door Hem en 36tot Hem geschapen;
p Gen. 1:3. Ps. 33:6. Joh. 1:3. Ef. 3:9. Hebr. 1:2. verwijsteksten
34 Gr. in Hem, dat is, door Hem als een Medewerker des Vaders, gelijk aan het einde van dit vers verklaard wordt. Zie ook Joh. 1:3; 5:19. verwijsteksten
35 Deze namen worden hier den engelen in den hemel gegeven, omdat God hen als koningen (aan welke eigenlijk de tronen toekomen), prinsen, overheden en machtigen dikmaals gebruikt in het regeren van landen en koninkrijken, gelijk bij Daniël, Zacharia en andere profeten te zien is. Zie ook Ef. 1:21; 3:10. verwijsteksten
36 Dat is, om Zijnentwil, opdat Hij een Erfgenaam en Heere zou zijn ook van dit alles. Zie Hebr. 1:2. Of: tot Zijn eer, gelijk tot de eer des Vaders en des Heiligen Geestes. Zie Joh. 5:23. Rom. 11:36. verwijsteksten
 
17 En Hij is 37vóór alle dingen, en alle dingen 38bestaan tezamen door Hem.
37 Dat is, eer daar enige dingen geschapen zijn geweest, gelijk Spr. 8:22. Joh. 17:5. verwijsteksten
38 Dat is, alle geschapen creaturen worden in wezen, leven en bewegen van Hem onderhouden; zie Joh. 5:17. Hebr. 1:3, enz., door welke alle de eeuwige Godheid des Zoons, en dienvolgens de enigheid Zijns Wezens met den Vader en den Heiligen Geest bewezen wordt, alzo daar maar een enig God is, Die hemel en aarde geschapen heeft en onderhoudt. Zie 1 Joh. 5:7. verwijsteksten
 
18 qEn Hij is 39het Hoofd des lichaams, namelijk der gemeente, Hij Die 40het Begin is, rde 41Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij 42in allen de Eerste zou zijn.
q Ef. 1:22; 4:15; 5:23. verwijsteksten
39 In de voorgaande verzen heeft hij gesproken van de uitnemendheid van den Persoon van Christus, als den eeuwigen Zone Gods en Schepper en Onderhouder van alle dingen; nu bewijst hij ook de uitnemendheid van Zijn Persoon boven al Zijn uitverkoren leden, ten aanzien dat Hij als God en Mens een Middelaar is geworden tussen God en de mensen; waarvan het eerste is, dat Hij het geestelijk Hoofd is der gemeente, die Zijn geestelijk lichaam is, hetwelk van Hem door Zijn verdienste en Geest alle geestelijk leven en zaligheid ontvangt. Waarvan zie breder Ef. 1:22; 4:15, 16. verwijsteksten
40 Dat is, de Eersteling uit de doden, gelijk Hem Paulus noemt 1 Kor. 15:20. Christus wordt alzo genaamd, omdat Hij niet alleen is Degene Die door Zijn eigen kracht is opgestaan, en door Wiens kracht alle anderen opgestaan zijn, en hiernamaals opstaan zullen, maar ook omdat Hij de Eerste is Die tot de eeuwige heerlijkheid opgestaan is, opdat Hij al Zijn gelovigen met Zich tot dezelve heerlijkheid hiernamaals zou verwekken. Zie 1 Kor. 15:23. 1 Thess. 4:14, enz. verwijsteksten
r 1 Kor. 15:20. Openb. 1:5. verwijsteksten
41 Dat is, de Eerstgeborene onder degenen die tot de eeuwige heerlijkheid uit de doden zullen opstaan, waardoor, gelijk ook door het woord Begin, te kennen gegeven wordt, niet alleen dat Hij de Eerste in orde is en de Oorzaak van de opstanding der anderen, maar bovendien ook dat Hij in heerlijkheid boven anderen, zelfs naar Zijn menselijke natuur, ver zal uitsteken, gelijk de eerstgeborenen in het Oude Testament boven al hun broederen gezet waren; hetwelk ook de volgende woorden opdat Hij, enz., merkelijk medebrengen.
42 Of: onder allen, namelijk Zijn broederen.
 
19 Want het is 43des Vaders welbehagen geweest, dat sin Hem 44al de volheid wonen zou,
43 Dat is, Gods Zijns Vaders, van Denwelken hij ook in de volgende verzen spreekt. Zie 2 Kor. 5:18. verwijsteksten
s Joh. 1:14, 16. Kol. 2:9. verwijsteksten
44 Namelijk van alle geestelijke gaven en heerlijkheid, namelijk niet alleen om dezelve voor Zich te bezitten, maar ook om al den leden, naar de mate Zijner gaven, dezelve mede te delen. Zie Joh. 1:14, 16; 3:34, 35. Ef. 4:7, enz. verwijsteksten
 
20 tEn dat Hij door Hem vvrede gemaakt hebbende 45door het bloed Zijns kruises, door Hem, zeg ik, alle dingen verzoenen zou tot Zichzelven, hetzij de dingen 46die op de aarde, hetzij de dingen die in de hemelen zijn.
t 2 Kor. 5:18. 1 Joh. 4:10. verwijsteksten
v Jes. 9:6. Joh. 16:33. Hand. 10:36. Rom. 5:1. Ef. 2:14. verwijsteksten
45 Dat is, door Zijn bloedige offerande eenmaal aan het kruis volbracht, Hebr. 10:10, enz. verwijsteksten
46 Zie de verklaring van deze plaats in de aant. op Ef. 1:10. verwijsteksten
 
21 En Hij heeft 47u, die 48eertijds vervreemd waart, 49en vijanden door het verstand 50in de boze werken, nu ook verzoend,
47 Namelijk gelovigen uit de heidenen.
48 Namelijk eer gij tot Christus bekeerd waart. Zie Ef. 2:12, enz. verwijsteksten
49 Dat is, God hatende en van God gehaat. Zie Joh. 15:25. Rom. 1:30; 5:10. Jak. 4:4. verwijsteksten
50 Dat is, hetwelk zich altijd in het boze bezighoudt, Gen. 6:5. verwijsteksten
 
22 51In het lichaam Zijns vleses, door den dood, xopdat Hij u zou heilig en onberispelijk en 52onbeschuldiglijk voor Zich stellen;
51 Dat is, in Zijn lichaam, bestaande uit vlees en bloed, en ons in alle zwakheden gelijk, uitgenomen de zonde, Hebr. 2:14; welken titel de apostel daarbij doet, opdat hij Zijn lichaam dat Hij voor ons in den dood gegeven heeft, zou onderscheiden van Zijn geestelijk lichaam Zijner gemeente, waarvan hij kort tevoren heeft gesproken; en ook van Zijn verheerlijkt lichaam, waarmede Hij in den hemel triumfeert, en hetwelk aan geen zwakheid of sterfelijkheid meer is onderworpen, Rom. 6:9, 10. verwijsteksten
x Luk. 1:75. Ef. 1:4; 5:27. 2 Tim. 1:9. Tit. 2:12. verwijsteksten
52 Namelijk omdat de gerechtigheid van Christus ons door het geloof wordt toegerekend, en al onze gebreken door Zijn bloed en voorbidden bedekt worden, Rom. 8:33, 34, en wij door Gods Geest wedergeboren zijnde, ook zelven van alle overblijfselen der zonde hierna zullen bevrijd worden, Ef. 5:26, 27. verwijsteksten
 
23 yIndien gij maar blijft in het geloof, gefundeerd en vast, en niet bewogen wordt van 53de hoop des Evangelies, dat gij gehoord hebt, hetwelk gepredikt is onder 54al de creatuur die onder den hemel is; 55van hetwelk ik, Paulus, een dienaar geworden ben;
y Joh. 15:6. verwijsteksten
53 Dat is, de hoop der eeuwige zaligheid, die den gelovigen door het Evangelie wordt beloofd.
54 Dat is, alle volken of soorten van mensen in de wereld, gelijk Christus verklaart Matth. 28:19, en Markus ook spreekt Mark. 16:15. verwijsteksten
55 Namelijk Evangelie onder alle volken.
 
24 zDie mij nu verblijd in mijn 56lijden avoor u, en vervul in mijn vlees 57de overblijfselen van 58de verdrukkingen van Christus bvoor 59Zijn lichaam, hetwelk is de gemeente;
z 2 Kor. 7:4. verwijsteksten
56 Dat is, om u met mijn voorbeeld te versterken in de aangenomen waarheid. Zie 2 Kor. 12:15. 2 Tim. 2:10. verwijsteksten
a Ef. 3:13. Filipp. 2:17. 2 Tim. 2:10. verwijsteksten
57 Of: hetgeen ontbreekt. Dit wordt niet verstaan van het lijden van Christus voor onze zonden, alsof daaraan iets zou ontbreken tot onze verlossing, want dat is volkomen en in alle delen volmaakt, zodat daaraan niets ontbreekt, Kol. 1:20. Hebr. 10:14. 1 Joh. 1:7; 2:2, maar van het lijden dat Zijn leden aangedaan wordt om Zijnentwil. Zie 2 Kor. 1:5. Hebr. 11:26. verwijsteksten
58 Dat is, die óf Christus lijdt in Zijn ledematen, Hand. 9:4. 2 Kor. 1:5, óf de gelovigen om Christus’ zaak lijden, 2 Kor. 4:10. Hebr. 11:26. verwijsteksten
b Rom. 12:5. 1 Kor. 12:27. Ef. 4:12; 5:23. verwijsteksten
59 Dat is, tot versterking en stichting van Zijn gemeente, gelijk hij tevoren gezegd heeft voor u.
 
25 Welker dienaar ik geworden ben naar 60de bedeling Gods, cdie mij gegeven is aan u, om te vervullen het Woord Gods;
60 Dat is, naar dat Hij mij dezen Zijn last en deze Zijn gaven uitgedeeld heeft, als een heer over zijn huis. Zie de verklaring van dit woord Ef. 1:10. verwijsteksten
c Rom. 16:25. Ef. 1:9; 3:9. 2 Tim. 1:10. Tit. 1:3. 1 Petr. 1:20. verwijsteksten
 
26 Namelijk de verborgenheid 61die verborgen is geweest van alle eeuwen en van alle geslachten, dmaar nu geopenbaard is aan Zijn heiligen,
61 Zie de verklaring hiervan in de aantt. op Ef. 3:5, enz. verwijsteksten
d Matth. 13:11. verwijsteksten
 
27 eAan wie God heeft willen bekendmaken, welke zij 62de rijkdom der heerlijkheid dezer verborgenheid onder de heidenen, 63welke 64is Christus onder u, f65de Hoop der heerlijkheid;
e 2 Kor. 2:14. verwijsteksten
62 Dat is, de overvloed en heerlijkheid; of: de heerlijke overvloedigheid.
63 Namelijk rijkdom der heerlijkheid.
64 Want in Hem zijn alle schatten der wijsheid en kennis Gods verborgen, gelijk hij hierna spreekt Kol. 2:3. Die dan Christus heeft in zich wonende door het geloof, die heeft alles met Hem, Rom. 8:32. verwijsteksten
f 1 Tim. 1:1. verwijsteksten
65 Dat is, in Wien en door Wien wij de hoop der eeuwige heerlijkheid ontvangen.
 
28 Denwelken wij verkondigen, vermanende een iegelijk mens en lerende een iegelijk mens 66in alle wijsheid, opdat wij zouden 67een iegelijk mens 68volmaakt stellen in Christus Jezus;
66 Namelijk ter zaligheid nodig. Zie Hand. 20:27. 2 Tim. 3:15. verwijsteksten
67 Namelijk wie hij ook zij, hetzij Jood of heiden.
68 Dat is, leren zijn volmaaktheid alleen in Christus te stellen en te zoeken; of in Christus’ geloof en leer. Zie Hand. 4:12. Rom. 1:16. verwijsteksten
 
29 Waartoe ik ook arbeid, 69strijdende 70naar Zijn werking, die in mij werkt met kracht.
69 Een gelijkenis genomen van degenen die om prijs strijden of vechten, die al hun krachten die zij hebben, gebruiken om te overwinnen.
70 Dat is, naar de mate Zijner werking, die in ons niet ledig is. Zie 1 Kor. 15:10. 2 Tim. 1:6, 7. verwijsteksten

Einde Kolossenzen 1