Statenvertaling.nl

sample header image

Deuteronomium 32 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Deuteronomium 32

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Het Goddelijk lied, waarin zeer heerlijk geroemd worden, zo God Zelven als Zijn overgrote weldaden aan Israël, vs. 1 tot 5 en vs. 7 tot 15. Daarentegen zeer heftiglijk gescholden hun gruwelijke ondankbaarheid, 5, 6, 15, enz. Gods toorn en toekomstige straffen voorgesteld, 19. Zonder nochtans de afgodische gruwelen van de vijanden van Zijn volk te verschonen, 31. Waarop dan God Zijn volk wederom troost, belovende dat Hij Zich aan Zijn en hun afgodische vijanden wreken, Zijn kerk met Zich verzoenen, verheugen en ook onder de heidenen uitbreiden zal, 36. Mozes dit lied uitgesproken hebbende, vermaant hen wederom tot betrachting van Gods Woord tot hun best, 44. En ontvangt ten zelven dage bevel van het land Kanaän op een berg te zien en aldaar te sterven, 48.
 
1 NEIG de oren, 1gij hemel, en ik zal spreken; en 2de aarde hore de redenen mijns monds.
1 Zulke aanspraak der onvernuftige schepselen diende tot Israëls overtuiging en beschaming. Vgl. Deut. 4 op vers 26. verwijsteksten
2 Of: gij aarde, hoor.
 
2 Mijn leer 3druppe als een regen, mijn rede vloeie als een dauw; als een stofregen op de grasscheutjes, en als 4droppelen op het kruid.
3 Of: zal druppen, dat is, ik zal een leer voorstellen die zo dienstig en heilzaam zal zijn voor de mensen, als de dauw en regen is voor het kruid. Vgl. Ez. 21:2. Amos 7:16. Micha 2:6, enz. verwijsteksten
4 Of: een dichte regen.
 
3 Want ik zal den Naam des HEEREN 5uitroepen; 6geeft onzen God grootheid.
5 Hebr. roepen, dat is, openbaarlijk verkondigen. Anders: aanroepen.
6 Dat is, schrijft Hem toe de majesteit en grootmogendheid die Hij heeft, en roemt Hem vanwege dezelve. Zie Deut. 9:26; 11:2. verwijsteksten
 
4 Hij is de 7Rotssteen, Wiens werk volkomen is; want al 8Zijn wegen zijn gericht. God is waarheid en is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij.
7 Dat is, vast en onbeweeglijk, een gewisse Toevlucht en Bescherming voor de Zijnen. Alzo vers 31. verwijsteksten
8 Al Zijn doen, Zijn ganse regering, is vergezelschapt met gerechtigheid, strekkende tot behoudenis der vromen en straf der bozen.
 
5 9Hij heeft het tegen 10Hem verdorven; het zijn 11Zijn kinderen niet; de schandvlek is hunne; het is een verkeerd en verdraaid geslacht.
9 Namelijk Israël.
10 Namelijk den HEERE.
11 Te weten, die het alzo verdorven en zo schandelijk gemaakt hebben. Anders: hun gebrek is niet Zijner kinderen, dat is, betaamt dengenen niet die Zijn kinderen genaamd worden, dewijl het niet uit zwakheid maar uit moedwil en een onboetvaardig hart voortkomt.
 
6 Zult gij dit den HEERE vergelden, gij dwaas en onwijs volk? Is Hij niet uw Vader, Die u 12verkregen, Die u gemaakt en u bevestigd heeft?
12 Of: gekocht.
 
7 Gedenk aan de dagen 13vanouds, merk op de jaren 14van elk geslacht; vraag uw vader, die zal het u bekendmaken, uw ouden, en zij zullen het u zeggen.
13 Hebr. der eeuw of eeuwigheid; dat is, gedenk aan alles wat van het begin der wereld in Gods kerk gebeurd is. Zie Jer. 2 op vers 20. verwijsteksten
14 Hebr. van geslacht en geslacht, dat is, van alle geslachten, of elk geslacht. Zie 1 Kon. 8 op vers 39. verwijsteksten
 
8 Toen de Allerhoogste den volken de erfenissen uitdeelde, toen Hij 15Adams kinderen vaneenscheidde, heeft Hij de landpalen der volken gesteld 16naar het getal der kinderen Israëls.
15 Anders: des mensen kinderen.
16 Alzo, te weten, dat Hij allen stammen en nakomelingen van Israël hun woningen en bezittingen heeft verordineerd en toegelegd. Vgl. Deut. 3:12, 13, enz. Joz. 13:14, 15, enz. Hand. 17:26. De zin is, dat God in Zijn raad en regering Zijn oog bijzonderlijk op Zijn volk heeft gehad. verwijsteksten
 
9 Want 17des HEEREN deel is Zijn volk, 18Jakob is het snoer Zijner erve.
17 Dat is, den HEERE zeer lief, als den mensen hun erfdeel pleegt te zijn.
18 Dat is, het volk Israël, van Jakob afkomstig, is Gode zo na en waard als mensen hun erfdeel, dat men met snoeren placht af te meten en uit te delen. Zie Deut. 3 op vers 4. verwijsteksten
 
10 Hij vond hem in een land der woestijn, en 19in een woeste, huilende wildernis; Hij voerde hem rondom, Hij onderwees hem, Hij bewaarde hem als 20Zijn oogappel.
19 Hebr. in een woestheid van het huilen der eenzaamheid of wildernis.
20 Als mensen hun oogappel, die zeer teder is, naarstiglijk plegen te bewaren. Zie Ps. 17:8. Zach. 2:8. Vgl. Spr. 7:2. verwijsteksten
 
11 Gelijk een arend 21zijn nest opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn vleugelen uitbreidt, 22ze neemt en ze draagt op zijn vlerken,
21 Dat is, zijn nestkiekens of jonkskens met enig geluid wakker maakt, om hun te verstaan te geven dat hij hen aan het vliegen wil brengen.
22 Hebr. het neemt en het draagt, te weten elk jonksken.
 
12 Zo leidde 23hem de HEERE alleen, en er was geen vreemd god met hem.
23 Israël of Jakob.
 
13 Hij deed hem rijden op de 24hoogten der aarde, dat hij at de inkomsten des velds; en Hij deed hem 25honing zuigen uit de steenrots, en olie uit den 26kei der rots;
24 Dat is, Hij verhoogde hem zeer heerlijk en gaf hem de hoogste en vaste steden. Zie Deut. 1:28. Vgl. met Num. 21:25, 32. Deut. 2:36. Alzo Deut. 33:29. verwijsteksten
25 Want het beloofde land vloeide van honing, Ex. 3:8, 17; ook in bossen, 1 Samuël 14, en holen van steenklippen, naar den aard der bijen, Ps. 81:17. verwijsteksten
26 Vgl. Deut. 8:15. verwijsteksten
 
14 Boter van koeien, en melk van kleinvee, met het vette der lammeren, en der rammen, die 27in Basan weiden, en der bokken, met het vette der 28nieren van tarwe; en het druivenbloed, 29reinen wijn, hebt gij gedronken.
27 Hebr. kinderen van Basan. Zie Num. 32:33 en op vers 34 en elders dikwijls, alwaar Basan (gelegen aan de oostzijde van de Jordaan) verklaard wordt geweest te zijn een zeer vette landouw. verwijsteksten
28 Dat is, met bijzonder dikke en gezwollen tarwekorrels, die, ten aanzien van hun gedaante, ligging in het vet, en zwelling, met de nieren vergeleken worden.
29 Of: roden, wijnigen.
 
15 Als nu 30Jeschurun vet werd, zo 31sloeg hij achteruit (gij zijt vet, gij zijt dik, ja, met vet overdekt geworden); en hij liet God varen, 32Die hem gemaakt heeft, en versmaadde den Rotssteen zijns heils.
30 Versta het volk Israël, dat hier Jeschurun genoemd wordt omdat zij recht behoorden te zijn, en oprecht of rechtuit in Gods wegen te wandelen, als daartoe van Hem geroepen zijnde, en dewijl bij hen alleen was de regel van ware gerechtigheid. Maar alzo het verre vandaar geweest was en in het toekomende zou zijn, wordt hier deze titel, de rechte, of die recht geworden is, hun bij wijze van verwijt gegeven; die anderszins een treffelijke eretitel was, als Deut. 33:5, 26. verwijsteksten
31 Als dartele kalveren of moedwillige paarden, dat is, hij werd rebel tegen God.
32 Hebr. zijn Maker. Zie Job 4 op vers 17. verwijsteksten
 
16 Zij hebben Hem tot 33ijver verwekt door vreemde goden; door gruwelen hebben zij Hem tot toorn verwekt.
33 Zie Deut. 4 op vers 24. verwijsteksten
 
17 Zij hebben den 34duivelen geofferd, niet Gode; den goden die zij niet kenden; nieuwe, die 35van nabij gekomen waren, voor dewelke uw vaders niet geschrikt hebben.
34 Dat is, de afgoden, door welke de duivelen gediend worden. Vgl. 1 Kor. 10:20. Het Hebreeuwse woord betekent verwoesters; zoals de duivelen met recht genoemd worden, gelijk de engel des afgronds de verderver genoemd wordt, Openb. 9:11. verwijsteksten
35 Dat is, nieuwelijks of onlangs opgekomen waren.
 
18 Den Rotssteen Die u 36gegenereerd heeft, hebt gij vergeten; en gij hebt in vergetenis gesteld den God Die u gebaard heeft.
36 Dat is, God, Die als vader en moeder over u is, hebbende u tot Zijn kinderen gemaakt en met vaderlijke en moederlijke affectie behandeld.
 
19 Als het de HEERE zag, zo versmaadde Hij hen, uit 37toornigheid tegen Zijn zonen en Zijn dochteren.
37 Hebr. toorn Zijner zonen en Zijner dochteren, dat is, waarmede Hij tegen hen vertoornd was. Vgl. Jer. 7:29. Joël 3:19. Obadja vs. 10, enz. Anders: die Zijn zonen en dochteren verwekt hadden. verwijsteksten
 
20 En Hij zeide: Ik zal Mijn 38aangezicht van hen verbergen, Ik zal zien welk hunlieder 39einde zal wezen; want zij zijn een 40gans verkeerd geslacht, kinderen in welke geen 41trouw is.
38 Zie Deut. 31 op vers 17. verwijsteksten
39 Hebr. laatste, uiterste, achterste. Alzo vers 29. Dat is, wat hun ten laatste wedervaren zal, hoe hun dit bekomen zal. Vgl. Ps. 37 op vers 37. Spr. 14:12; 16:25 met de aant. verwijsteksten
40 Hebr. geslacht der verkeerdheden.
41 Dat is, die geen geloof noch woord houden, die ontrouw en meinedig zijn.
 
21 aZij hebben Mij tot ijver verwekt 42door hetgeen dat geen God is; zij hebben Mij tot toorn verwekt door hun ijdelheden; Ik dan zal hen tot ijver verwekken door diegenen die 43geen volk zijn, door een dwaas volk zal Ik hen tot toorn verwekken.
a Rom. 10:19. verwijsteksten
42 Dat is, door de afgoden. Zie 1 Kor. 8:4, 5; 10:19. verwijsteksten
43 Versta de heidenen die God zou bekeren en roepen tot de kennis van Hem en tot Zijn gemeenschap, in plaats van de Joden. Zie Rom. 9:25; 10:19, enz. verwijsteksten
 
22 Want been 44vuur is aangestoken in Mijn toorn, en zal bernen 45tot in de onderste hel, en zal het land met zijn inkomst verteren en de gronden der bergen 46in vlam zetten.
b Jer. 15:14. verwijsteksten
44 Dat is, gruwelijke plagen van verwoesting, krijg, honger, pestilentie, enz., als volgt. Vgl. Deut. 4 op vers 24. Zie Job 22 op vers 20. verwijsteksten
45 Hebr. tot de hel van het onderste of van de benedenheid toe, dat is, tot in de plaats der graven, diep in de aarde, die alzo zal worden verwoest en verdorven dat zij in lang geen vruchten zal voortbrengen. Zie wijders van het Hebreeuwse woord scheol Gen. 37 op vers 35. verwijsteksten
46 Hebr. vlammen.
 
23 Ik zal 47kwaden over hen hopen; Mijn 48pijlen zal Ik op hen verschieten.
47 Dat is, plagen, ongelukken, die hier door Gods pijlen en vers 22 door het vuur verstaan worden. verwijsteksten
48 Dat is, al Mijn plagen, die de Schrift dikwijls Gods pijlen noemt, omdat zij van Hem worden toegezonden en gewis en diep treffen. Alzo vers 42. verwijsteksten
 
24 Uitgeteerd zullen zij zijn van honger, opgegeten van den 49karbonkel en bitter verderf; en Ik zal de tanden der beesten onder hen schikken, met vurig venijn van slangen des 50stofs.
49 Dat is, vurig gezwel, hebbende den naam van een vurige kool.
50 Die het stof der aarde eten, Gen. 3:14. verwijsteksten
 
25 Van buiten zal het zwaard 51beroven, en uit de binnenkameren de verschrikking; ook den jongeling, ook de jongedochter, het zuigende kind met den 52grijzen man.
51 Den een van den ander, zonder verschoning, als volgt.
52 Hebr. man der grijsheid of grauwheid.
 
26 Ik zeide: In alle hoeken zou Ik hen 53verstrooien; Ik zou hun gedachtenis van onder de mensen doen ophouden;
53 Of: verdoen; uit hoeken zou Ik hen halen, hoek uit hoek in zou Ik hen jagen. Zie het vervolg van dit vers vs. 28. verwijsteksten
 
27 Tenware dat Ik de 54toornigheid des vijands 55schroomde, dat niet hun tegenpartijen zich 56vreemd mochten houden, dat zij niet mochten zeggen: 57Onze hand is hoog geweest, de HEERE heeft dit alles niet gewrocht.
54 Of: terging.
55 Menselijk van God gesproken. De zin is: Tenware dat Ik zulks naliet om de eer Mijns Naams, opdat die onder de heidenen niet gelasterd worde.
56 Te weten alzo, dat zij niet zouden willen weten dat Ik het gedaan had om Israëls gruwelijke zonden, maar dat zij door hulp van hun afgoden Israël alzo hadden vermeesterd en uitgeroeid.
57 Dat is, wij hebben door onze macht de overhand over Israël bekomen; het is Gods werk niet.
 
28 Want 58zij zijn een volk dat door 59raadslagen verloren gaat, en er is geen verstand in hen.
58 De Israëlieten.
59 Door eigen kwaden raad zichzelf in het verderf stort.
 
29 O, dat zij wijs waren! Zij 60zouden dit vernemen, zij zouden op hun 61einde merken.
60 Of: Dat zij dit verstonden, dat zij op hun einde merkten!
61 Zie vers 20. verwijsteksten
 
30 Hoe zou een 62enige 63duizend jagen, en twee tienduizend doen vluchten, tenware dat hunlieder 64Rotssteen hen verkocht en de HEERE hen 65overgeleverd had.
62 Te weten van de vijanden.
63 Van de Israëlieten. Anders: een der Israëlieten zou duizend vijanden verjagen, enz., tenware, enz.
64 Dat is, God, als boven.
65 Of: besloten had, te weten in der vijanden hand.
 
31 Want 66hun 67rotssteen is niet gelijk onze 68Rotssteen, 69zelfs onze vijanden rechters zijnde.
66 Te weten der vijanden.
67 Dat is, afgoden, op welke zij zich als op een rots verlaten.
68 Onze God, op Welken wij ons verlaten als op een rots.
69 Of: laat onze vijanden zelfs rechters zijn, dat is, zij moeten het zelfs bekennen, als bevindende door de ervaring dat hun afgoden gans geen macht hebben om te wreken of te straffen, gelijk de God Israëls Zijn macht aan Zijn volk en deszelfs vijanden in het openbaar betoont, aan beide Zijn rechtvaardigheid bewijzende.
 
32 Want hun wijnstok is 70uit den wijnstok van Sódom en uit de velden van Gomórra; hun wijndruiven zijn 71vergiftige wijndruiven, zij hebben bittere beziën.
70 Alsof hij daaruit gesproten was. Dat is, zij zijn van gelijken aard en werken als die van Sodom en Gomorra. Een zeer schoon en vruchtbaar land, maar gans goddeloze inwoners. Of dit ziet op den wijn die den afgoden geofferd werd. Zie vers 38. verwijsteksten
71 Hebr. wijndruiven van het vergift. Anders: van de gal, dat is, galachtig.
 
33 Hun wijn is vurig drakenvenijn, en een wreed addervergift.
34 72Is dat niet bij Mij opgesloten, verzegeld in Mijn schatten?
72 Dat is, Ik weet het alles zeer wel en heb de wraak (waarvan in het volgende) vastelijk besloten, maar zal de executie opschorten tot den tijd dien Ik in Mijn verborgen raad daartoe bestemd heb. Vgl. Job 33:16. Ps. 56 op vers 9. verwijsteksten
 
35 cMijne is de wrake en de vergelding, ten tijde als hunlieder voet zal wankelen; want de dag huns ondergangs is nabij, en de dingen 73die hun zullen gebeuren, haasten.
c Rom. 12:19. Hebr. 10:30. 1 Petr. 2:23. verwijsteksten
73 Anders: die hun bereid zijn.
 
36 Want de HEERE zal aan Zijn volk recht doen, en het zal Hem over Zijn knechten 74berouwen; want Hij zal zien dat de 75hand is weggegaan, en de 76beslotene en verlatene niets is.
74 Zie Gen. 6 op vers 6. verwijsteksten
75 Dat is, alle macht, alle vermogen van Zijn volk.
76 Of: dat er geen beslotene noch verlatene is. Dit schijnt een spreekwoord geweest te zijn, betekenende de uiterste benauwdheid en verwoesting. Vgl. 1 Kon. 14:10; 21:21 en inzonderheid 2 Kon. 14:26. De zin is, dat het ook zelfs met die gedaan was, beide die zich in de steden verstoken en verborgen hadden op hoop van te ontkomen of van iemand door medelijden of gunst opgesloten of in gevangenis bewaard waren, en die in het ruime veld weggelaten of gevlucht waren, menende dat men op hen niet meer zou denken, dat zij al van den vijand schenen verlaten en vergeten te zijn. Wanneer zodanigen mede opgezocht en achterhaald worden, of dat er zulken bijkans gene zijn, dat is een teken dat er kwalijk iemand ontkomt of gespaard wordt. Als het zover gekomen is, dan, wil de Heere zeggen, zal God van den hemel hulp en verlossing zenden. verwijsteksten
 
37 Dan zal Hij zeggen: Waar zijn 77hun goden; de rotssteen op welken zij betrouwden?
77 Te weten der vijanden.
 
38 78Welker slachtoffers vet zij aten, welker drankoffers wijn zij dronken; dat zij opstaan en u helpen, dat er 79verberging voor u zij.
78 Anders: Dewelke het vet van hun slachtoffers aten en den wijn van hun drankoffers dronken.
79 Of: een schuilplaats; of: dat er beschutting over u zij.
 
39 Ziet nu, dat Ik, Ik DIE ben, en dgeen God met Mij; Ik edood en maak levend, Ik 80versla en Ik heel; en er is niemand die uit Mijn hand redt.
d Deut. 4:35. Jes. 45:5, 18, 22. verwijsteksten
e 1 Sam. 2:6. verwijsteksten
80 Of: verwond, doorsteek.
 
40 Want 81Ik zal Mijn hand naar den hemel opheffen, en Ik zal zeggen: 82Ik leef in eeuwigheid.
81 Dat is, Ik zal zweren. God spreekt alzo menselijkerwijze. Deze manier van doen was in het eedzweren gebruikelijk. Zie Gen. 14 op vers 22. verwijsteksten
82 Zwerende bij Mijzelven. Zie Hebr. 6:13. verwijsteksten
 
41 Indien Ik Mijn 83glinsterend zwaard wette en Mijn hand ten gerichte grijpt, zo zal Ik de wraak op Mijn tegenpartijen doen wederkeren en Mijn haters vergelden.
83 Hebr. den bliksem of blik, glinster van Mijn zwaard.
 
42 Ik zal Mijn 84pijlen dronken maken van bloed en Mijn zwaard zal vlees eten; van het bloed des verslagenen en des 85gevangenen, 86van het hoofd af zullen er wraken des vijands zijn.
84 Zie op vers 23. verwijsteksten
85 Hebr. der gevangenis.
86 Dat is, van boven af, beginnende van het hoofd. Anders: van het begin af zullen de wraken of wrekingen des vijands zijn; dat is, Ik zal alles wat de vijanden van den beginne af misdaan hebben, tezamen wreken.
 
43 f87Juicht, gij heidenen met 88Zijn volk; want Hij zal het bloed Zijner 89knechten wreken; en Hij zal de wraak op Zijn tegenpartijen doen wederkeren, en 90verzoenen Zijn land en Zijn volk.
f Rom. 15:10. verwijsteksten
87 Zie Rom. 15:10. verwijsteksten
88 Versta de Joden.
89 Vgl. Openb. 19:2. verwijsteksten
90 Te weten met Zichzelven, uit genade, om des Messias’ wil.
 
44 En Mozes kwam en sprak al de woorden dezes lieds voor de oren des volks, hij en 91Hoséa, de zoon van Nun.
91 Dat is, Jozua.
 
45 Als nu Mozes geëindigd had al die woorden tot gans Israël te spreken,
46 Zo zeide hij tot hen: Zet uw hart op al de woorden die ik heden onder ulieden betuig, dat gij ze uw kinderen gebieden zult, dat zij waarnemen te doen al de woorden dezer wet.
47 Want dat is geen 92vergeefs woord voor ulieden, maar het is uw leven; en door ditzelve woord zult gij de dagen verlengen op het land waar gij over de Jordaan naartoe gaat om dat te erven.
92 Of: ijdel. De zin is: Dit woord is zo ijdel of slecht niet, dat het u de moeite niet waard zou zijn op het hoogste datzelve te behartigen.
 
48 Daarna sprak de HEERE tot Mozes op dienzelven dag, zeggende:
49 gKlim op den berg Abárim (deze is de berg Nebo, die in het land Moabs is, die 93tegenover Jericho is), en zie het land Kanaän, dat Ik den kinderen Israëls tot een bezitting geven zal.
g Num. 27:12. verwijsteksten
93 Of: in het gezicht van Jericho.
 
50 En sterf op dien berg waarheen gij opklimmen zult, en word 94vergaderd tot uw volken, gelijk als uw hbroeder Aäron stierf op den berg Hor en werd tot zijn volken vergaderd;
94 Zie Gen. 15 op vers 15. verwijsteksten
h Num. 27:13; 33:38. verwijsteksten
 
51 Omdat gijlieden u tegen Mij ivergrepen hebt in het midden der kinderen Israëls, aan het twistwater te Kades in de woestijn Zin; omdat gij Mij niet 95geheiligd hebt in het midden der kinderen Israëls.
i Num. 20:12. verwijsteksten
95 Dat is, gij hebt zulk vertrouwen te dien tijde op Mij niet gehad en tot Mijn eer voor het volk in het openbaar vertoond, als u betaamde. Zie wijders Lev. 10 op vers 3. verwijsteksten
 
52 Want van tegenover zult gij dat land zien, maar daarheen niet inkomen, in het land dat Ik den kinderen Israëls geven zal.

Einde Deuteronomium 32