Statenvertaling.nl

sample header image

1 Korinthe 4 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst


1 Korinthe 4

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

Het oordeel aan den Heere laten
1 ALZO houde ons een ieder mens aals dienaars van Christus en uitdelers der verborgenheden Gods. a Matth. 24:45. 2 Kor. 6:4. Kol. 1:25. Tit. 1:7. verwijsteksten
2 En voorts wordt in de uitdelers vereist bdat elk getrouw bevonden worde. b Luk. 12:42. verwijsteksten
3 Doch mij is voor het minst, dat ik van ulieden geoordeeld word, of van een menselijk oordeel; ja, ik oordeel ook mijzelven niet.
4 Want ik ben mijzelven van geen ding bewust, cdoch ik ben daardoor niet gerechtvaardigd; maar Die mij oordeelt, is de Heere. c Ex. 34:7. Job 9:2. Ps. 143:2. verwijsteksten
5 dZo dan, oordeelt niets vóór den tijd, totdat de Heere zal gekomen zijn, eWelke ook in het licht zal brengen hetgeen in de duisternis verborgen is, en openbaren de raadslagen der harten; en alsdan zal een iegelijk lof hebben van God. d Matth. 7:1. Rom. 2:1. e Dan. 7:10. Openb. 20:12. verwijsteksten
 
De hoogmoed der Korinthiërs
6 En deze dingen, broeders, heb ik op mijzelven en Apollos bij gelijkenis gepast om uwentwil, opdat gij aan ons zoudt leren fniet te gevoelen boven hetgeen geschreven is, dat gij niet, de een om eens anders wil, opgeblazen wordt tegen den ander. f Spr. 3:7. Rom. 12:3. verwijsteksten
7 Want wie onderscheidt u? gEn wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen? En zo gij het ook ontvangen hebt, wat roemt gij alsof gij het niet ontvangen hadt? g Joh. 3:27. Jak. 1:17. verwijsteksten
8 Alrede zijt gij verzadigd, alrede zijt gij rijk geworden, zonder ons hebt gij geheerst; en och, of gij heerstet, opdat ook wij met u heersen mochten!
9 Want ik acht dat God ons, die de laatste apostelen zijn, tentoon heeft gesteld hals tot den dood verwezen; want wij zijn ieen schouwspel geworden der wereld en den engelen en den mensen. h Ps. 44:23. Rom. 8:36. 2 Kor. 4:11. i Hebr. 10:33. verwijsteksten
10 kWij zijn dwazen om Christus’ wil, maar gij zijt wijzen in Christus; wij zijn zwakken, maar gij sterken; gij zijt heerlijken, maar wij verachten. k 1 Kor. 2:3. verwijsteksten
11 Tot op deze tegenwoordige ure lijden wij honger en lijden wij dorst, en zijn naakt, en worden met vuisten lgeslagen, en hebben geen vaste woonplaats; l Hand. 23:2. verwijsteksten
12 mEn arbeiden, werkende met onze eigen handen; wij worden gescholden en nwij zegenen; wij worden vervolgd en wij verdragen; m Hand. 18:3; 20:34. 1 Thess. 2:9. 2 Thess. 3:8. n Matth. 5:44. Luk. 6:28; 23:34. Hand. 7:60. Rom. 12:14. verwijsteksten
13 Wij worden gelasterd en wij bidden; wij zijn geworden als uitvaagsels der wereld en aller afschrapsel tot nu toe.
14 Ik schrijf deze dingen niet om u te beschamen, maar oals mijn lieve kinderen vermaan ik u. o 1 Thess. 2:11. verwijsteksten
15 Want al hadt gij tienduizend leermeesters in Christus, zo hebt gij toch niet vele vaders; pwant in Christus Jezus heb ik u door het Evangelie geteeld. p Hand. 18:11. Gal. 4:19. Filem. vs. 10. Jak. 1:18. verwijsteksten
16 Zo vermaan ik u dan: qZijt mijn navolgers. q 1 Kor. 11:1. Filipp. 3:17. 1 Thess. 1:6. 2 Thess. 3:9. verwijsteksten
17 Daarom heb ik Timótheüs tot u gezonden, die mijn lieve en getrouwe zoon is in den Heere, welke u zal indachtig maken mijn wegen die in Christus zijn, gelijkerwijs ik alom in alle gemeenten leer.
18 Doch sommigen zijn opgeblazen, alsof ik tot ulieden niet komen zou.
19 Maar ik zal haast tot u komen, rzo de Heere wil, en ik zal dan verstaan niet de woorden dergenen die opgeblazen zijn, maar de kracht. r Hand. 18:21. Hebr. 6:3. Jak. 4:15. verwijsteksten
20 sWant het Koninkrijk Gods is niet gelegen in woorden, maar in kracht. s 1 Kor. 2:4. 1 Thess. 1:5. 2 Petr. 1:16. verwijsteksten
21 Wat wilt gij? Zal ik met de roede tot u komen, of in liefde en in den geest der zachtmoedigheid?

Einde 1 Korinthe 4