Statenvertaling.nl

sample header image

Johannes 19 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Johannes 19

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Jezus door Pilatus overgegeven
1 TOEN anam Pilatus dan Jezus en geselde Hem. a Matth. 27:26. Mark. 15:15. verwijsteksten
2 En de krijgsknechten een kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten die op Zijn hoofd, en wierpen Hem een purperen kleed om,
3 En zeiden: Wees gegroet, Gij Koning der Joden. En zij gaven Hem kinnebakslagen.
4 Pilatus dan kwam wederom uit, en zeide tot hen: Zie, ik breng Hem tot ulieden uit, opdat gij weet dat ik in Hem geen schuld vind.
5 Jezus dan kwam uit, dragende de doornenkroon en het purperen kleed. En Pilatus zeide tot hen: Zie, de Mens.
6 Als Hem dan de overpriesters en de dienaars zagen, riepen zij, zeggende: Kruis Hem, kruis Hem. Pilatus zeide tot hen: Neemt gijlieden Hem en kruist Hem; want ik vind in Hem geen schuld.
7 De Joden antwoordden hem: bWij hebben een wet, en naar onze wet moet Hij sterven, cwant Hij heeft Zichzelven Gods Zoon gemaakt. b Lev. 24:16. c Joh. 5:18; 10:33. verwijsteksten
8 Toen Pilatus dan dit woord hoorde, werd hij meer bevreesd;
9 En ging wederom in het rechthuis, en zeide tot Jezus: Vanwaar zijt Gij? Maar Jezus gaf hem geen antwoord.
10 Pilatus dan zeide tot Hem: Spreekt Gij tot mij niet? Weet Gij niet dat ik macht heb U te kruisigen, en macht heb U los te laten?
11 Jezus antwoordde: Gij zoudt geen macht hebben tegen Mij, indien het u niet van boven gegeven was; daarom, die Mij aan u heeft overgeleverd, heeft groter zonde.
12 Van toen af zocht Pilatus Hem los te laten; maar de Joden riepen, zeggende: Indien gij Dezen loslaat, zo zijt gij des keizers vriend niet; deen iegelijk die zichzelven koning maakt, wederspreekt den keizer. d Hand. 17:7. verwijsteksten
13 Als Pilatus dan dit woord hoorde, bracht hij Jezus uit, en zat neder op den rechterstoel, in de plaats genaamd Lithostrótos, en in het Hebreeuws Gabbatha.
14 En het was de voorbereiding van het pascha, en omtrent de zesde ure; en hij zeide tot de Joden: Zie, uw Koning.
15 Maar zij riepen: Neem weg, neem weg, kruis Hem. Pilatus zeide tot hen: Zal ik uw Koning kruisigen? De overpriesters antwoordden: eWij hebben geen koning dan den keizer. e Gen. 49:10. verwijsteksten
16 fToen gaf hij Hem dan hun over, opdat Hij gekruist zou worden. En zij namen Jezus en leidden Hem weg. f Matth. 27:26. Mark. 15:15. Luk. 23:24, 25. verwijsteksten
 
Golgotha
17 gEn Hij dragende Zijn kruis, ging uit naar de plaats genaamd Hoofdschedelplaats, welke in het Hebreeuws genaamd wordt Golgotha; g Matth. 27:31, 33. Mark. 15:22. Luk. 23:26, 33. verwijsteksten
18 Alwaar zij Hem kruisten, en met Hem twee anderen, aan elke zijde een, en Jezus in het midden.
19 hEn Pilatus schreef ook een opschrift en zette dat op het kruis; en er was geschreven: JEZUS DE NAZARENER, DE KONING DER JODEN. h Matth. 27:37. Mark. 15:26. Luk. 23:38. verwijsteksten
20 Dit opschrift dan lazen velen van de Joden; want de plaats waar Jezus gekruist werd, was nabij de stad; en het was geschreven in het Hebreeuws, in het Grieks, en in het Latijn.
21 De overpriesters dan der Joden zeiden tot Pilatus: Schrijf niet: De Koning der Joden; maar dat Hij gezegd heeft: Ik ben de Koning der Joden.
22 Pilatus antwoordde: Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven.
23 iDe krijgsknechten dan, als zij Jezus gekruist hadden, namen Zijn klederen (en maakten vier delen, voor elken krijgsknecht een deel) en den rok. De rok nu was zonder naad, van boven af geheel geweven. i Matth. 27:35. Mark. 15:24. Luk. 23:34. verwijsteksten
24 Zij dan zeiden tot elkander: Laat ons dien niet scheuren, maar laat ons daarover loten, wiens die zijn zal; opdat de Schrift vervuld worde, die zegt: kZij hebben Mijn klederen onder zich verdeeld, en over Mijn kleding hebben zij het lot geworpen. Dit hebben dan de krijgsknechten gedaan. k Ps. 22:19. verwijsteksten
25 lEn bij het kruis van Jezus stonden Zijn moeder en Zijner moeders zuster, Maria, Klopas’ vrouw, en Maria Magdaléna. l Matth. 27:55. Mark. 15:40. Luk. 23:49. verwijsteksten
26 Jezus nu, ziende Zijn moeder, en den discipel dien Hij liefhad, daarbij staande, zeide tot Zijn moeder: Vrouw, zie, uw zoon.
27 Daarna zeide Hij tot den discipel: Zie, uw moeder. En van die ure aan nam haar de discipel in zijn huis.
28 Hierna Jezus, wetende dat nu alles volbracht was, mopdat de Schrift zou vervuld worden, zeide: Mij dorst. m Ps. 69:22. verwijsteksten
29 nEr stond dan een vat vol edik, en zij vulden een spons met edik, en omlegden ze met hysop, en brachten ze aan Zijn mond. n Matth. 27:48. verwijsteksten
30 Toen Jezus dan den edik genomen had, zeide Hij: oHet is volbracht; en het hoofd buigende, gaf den geest. o Joh. 17:4. verwijsteksten
 
Geen been verbroken
31 De Joden dan, opdat de lichamen niet aan het kruis zouden blijven op den sabbat, dewijl het de voorbereiding was (want die dag des sabbats was groot), baden Pilatus dat hun benen zouden gebroken en zij weggenomen worden.
32 De krijgsknechten dan kwamen, en braken wel de benen des eersten en des anderen die met Hem gekruist was;
33 Maar komende tot Jezus, als zij zagen dat Hij nu gestorven was, zo braken zij Zijn benen niet;
34 Maar een der krijgsknechten doorstak Zijn zijde met een speer, en terstond pkwam er bloed en water uit. p 1 Joh. 5:6. verwijsteksten
35 En die het gezien heeft, die heeft het getuigd, en zijn getuigenis is waarachtig, en hij weet dat hij zegt hetgeen dat waar is, opdat ook gij geloven moogt.
36 Want deze dingen zijn geschied, qopdat de Schrift vervuld worde: Geen been van Hem zal verbroken worden. q Ex. 12:46. Num. 9:12. verwijsteksten
37 En wederom zegt een andere Schrift: rZij zullen zien in Welken zij gestoken hebben. r Zach. 12:10. verwijsteksten
 
De begrafenis
38 sEn daarna Jozef van Arimathéa (die een discipel van Jezus was, maar bedekt tom de vreze der Joden), bad Pilatus dat hij mocht het lichaam van Jezus wegnemen; en Pilatus liet het toe. Hij dan ging en nam het lichaam van Jezus weg. s Matth. 27:57. Mark. 15:42. Luk. 23:50. t Joh. 12:42. verwijsteksten
39 En vNicodémus kwam ook (die des nachts tot Jezus eerst gekomen was), brengende een mengsel van mirre en aloë, omtrent honderd ponden gewicht. v Joh. 3:1; 7:50. verwijsteksten
40 Zij namen dan het lichaam van Jezus en bonden het in linnen doeken met de specerijen, gelijk de Joden de gewoonte hebben van begraven.
41 En er was in de plaats waar Hij gekruist was, een hof, en in den hof een nieuw graf, in hetwelk nog nooit iemand gelegd was geweest.
42 Aldaar dan legden zij Jezus, om de voorbereiding der Joden, overmits het graf nabij was.

Einde Johannes 19