Statenvertaling.nl

sample header image

Johannes 1 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst


Johannes 1

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Het vlees geworden Woord
1 INa den beginne was het Woord, en het Woord was bbij God, en het Woord was God. a Spr. 8:22. 1 Joh. 1:1. b 1 Joh. 1:2. verwijsteksten
2 cDit was in den beginne bij God. c Joh. 17:5. verwijsteksten
3 dAlle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt dat gemaakt is. d Gen. 1:3. Ps. 33:6. Ef. 3:9. Kol. 1:16. Hebr. 1:2. verwijsteksten
4 eIn Hetzelve was het Leven, en fhet Leven was het Licht der mensen. e Joh. 5:26. 1 Joh. 5:11. f Joh. 8:12; 9:5; 12:46. verwijsteksten
5 gEn het Licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft Hetzelve niet begrepen. g Joh. 3:19. verwijsteksten
6 hEr was een mens van God gezonden, wiens naam was Johannes. h vers 33. Mal. 3:1. Matth. 3:1. Mark. 1:2, 4. Luk. 3:3; 7:27. verwijsteksten
7 Deze kwam tot een getuigenis, om van het Licht te getuigen, opdat zij allen door hem geloven zouden.
8 Hij was het Licht niet, maar was gezonden opdat hij van het Licht getuigen zou.
9 iDit was het waarachtige Licht, Hetwelk verlicht een iegelijk mens, komende in de wereld. i Joh. 8:12; 9:5; 12:46. verwijsteksten
10 Hij was in de wereld, ken de wereld is door Hem gemaakt; en de wereld heeft Hem niet gekend. k Hebr. 1:2; 11:3. verwijsteksten
11 Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.
12 lMaar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven; l Jes. 56:5. Rom. 8:15. Gal. 3:26. 2 Petr. 1:4. 1 Joh. 3:1. verwijsteksten
13 Welke niet uit den bloede, noch uit den wil des vleses, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren zijn.
14 mEn het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (nen wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader), ovol van genade en waarheid. m Jes. 7:14. Matth. 1:16. Luk. 1:31; 2:7. n Matth. 17:2. 2 Petr. 1:17. o Kol. 1:19; 2:9. verwijsteksten
15 pJohannes getuigt van Hem en heeft geroepen, zeggende: Deze was het van Welken ik zeide: Die na mij komt, is vóór mij geworden, want Hij was eer dan ik. p vss. 26, 30. Matth. 3:11. Mark. 1:7. Luk. 3:16. verwijsteksten
16 En quit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade. q Kol. 2:10. verwijsteksten
17 rWant de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden. r Ex. 20:1, enz. verwijsteksten
18 sNiemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, tDie in den schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard. s Ex. 33:20. Deut. 4:12. Joh. 6:46. 1 Tim. 6:16. 1 Joh. 4:12. t Matth. 11:27. verwijsteksten
 
Johannes de Doper
19 En dit is vde getuigenis van Johannes, toen de Joden enige priesters en Levieten afzonden van Jeruzalem, opdat zij hem zouden vragen: Wie zijt gij? v Joh. 5:33. verwijsteksten
20 En xhij beleed, en loochende het niet, en beleed: Ik ben de Christus niet. x Joh. 3:28. Hand. 13:25. verwijsteksten
21 En zij vraagden hem: Wat dan? Zijt gij Elía? En hij zeide: Ik ben die niet. Zijt ygij de Profeet? En hij antwoordde: Neen. y Deut. 18:18. verwijsteksten
22 Zij zeiden dan tot hem: Wie zijt gij? opdat wij antwoord geven mogen dengenen die ons gezonden hebben; wat zegt gij van uzelven?
23 Hij zeide: zIk ben de stem des roependen in de woestijn: Maakt den weg des Heeren recht; gelijk Jesaja, de profeet, gesproken heeft. z Jes. 40:3. Matth. 3:3. Mark. 1:3. Luk. 3:4. verwijsteksten
24 En de afgezondenen waren uit de farizeeën.
25 En zij vraagden hem en spraken tot hem: Waarom doopt gij dan, zo gij de Christus niet zijt, noch Elía, noch ade Profeet? a Deut. 18:18. verwijsteksten
26 Johannes antwoordde hun, zeggende: bIk doop met water, maar Hij staat midden onder ulieden, Dien gij niet kent; b Matth. 3:11. Mark. 1:7. Luk. 3:16. Hand. 1:5; 11:16; 19:4. verwijsteksten
27 Dezelve is het Die na mij komt, Welke vóór mij geworden is, Wien ik niet waardig ben dat ik Zijn schoenriem zou ontbinden.
28 Deze dingen zijn geschied in Bethábara over de Jordaan, waar Johannes was dopende.
29 Des anderen daags zag Johannes Jezus tot zich komende, en zeide: cZie, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt. c vers 36. Jes. 53:5, 7. verwijsteksten
30 Deze is het van Welken ik gezegd heb: Na mij komt een Man, Die vóór mij geworden is, want Hij was eer dan ik.
31 En ik kende Hem niet; maar opdat Hij aan Israël zou geopenbaard worden, daarom ben ik gekomen dopende met het water.
32 dEn Johannes getuigde, zeggende: Ik heb den Geest zien nederdalen uit den hemel gelijk een duif, en Hij bleef op Hem. d Matth. 3:16. Mark. 1:10. Luk. 3:21. verwijsteksten
33 En ik kende Hem niet; maar Die mij gezonden heeft om te dopen met water, Die had mij gezegd: Op Welken gij den Geest zult zien nederdalen, en op Hem blijven, eDeze is het Die met den Heiligen Geest doopt. e Matth. 3:11. verwijsteksten
34 En ik heb gezien en heb getuigd, dat Deze de Zone Gods is.
 
De eerste discipelen
35 Des anderen daags wederom stond Johannes, en twee uit zijn discipelen.
36 En ziende op Jezus, daar wandelende, zeide hij: fZie, het Lam Gods. f vers 29. Ex. 12:3. Jes. 53:7. Hand. 8:32. verwijsteksten
37 En die twee discipelen hoorden hem dat spreken, en zij volgden Jezus.
38 En Jezus Zich omkerende en ziende hen volgen, zeide tot hen:
39 Wat zoekt gij? En zij zeiden tot Hem: Rabbi (hetwelk is te zeggen, overgezet zijnde, Meester), waar woont Gij?
40 Hij zeide tot hen: Komt en ziet. Zij kwamen en zagen waar Hij woonde, en bleven dien dag bij Hem. En het was omtrent de tiende ure.
41 Andréas, de broeder van Simon Petrus, was een van de twee die het van Johannes gehoord hadden en Hem gevolgd waren.
42 Deze vond eerst zijn broeder Simon, en zeide tot hem: Wij hebben gevonden den Messías, hetwelk is, overgezet zijnde, de Christus.
43 En hij leidde hem tot Jezus. En Jezus hem aanziende zeide: Gij zijt Simon, de zoon van Jona; gij zult ggenaamd worden Céfas, hetwelk overgezet wordt: Petrus. g Matth. 16:18. verwijsteksten
 
Filippus en Nathánaël
44 Des anderen daags wilde Jezus heengaan naar Galiléa, en vond Filippus en zeide tot hem: Volg Mij.
45 hFilippus nu was van Bethsáïda, uit de stad van Andréas en Petrus. h Joh. 12:21. verwijsteksten
46 Filippus vond iNathánaël en zeide tot hem: Wij hebben Dien gevonden kvan Welken Mozes in de Wet geschreven heeft, en de Profeten, namelijk Jezus, den Zoon van Jozef, van Nazareth. i Joh. 21:2. k Gen. 3:15; 22:18; 26:4; 49:10. Deut. 18:18. 2 Sam. 7:12. Jes. 4:2; 7:14; 9:5; 40:10, 11; 53:1, enz. Jer. 23:5; 33:14. Ez. 34:23. Dan. 9:24. Zach. 6:12; 9:9. verwijsteksten
47 En Nathánaël zeide tot hem: Kan uit Nazareth iets goeds zijn? Filippus zeide tot hem: Kom en zie.
48 Jezus zag Nathánaël tot Zich komen, en zeide van hem: Zie, waarlijk een Israëliet, in welken geen bedrog is.
49 Nathánaël zeide tot Hem: Vanwaar kent Gij mij? Jezus antwoordde en zeide tot hem: Eer u Filippus riep, daar gij onder den vijgenboom waart, zag Ik u.
50 Nathánaël antwoordde en zeide tot Hem: Rabbi, Gij zijt de Zone Gods, Gij zijt de Koning Israëls.
51 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Omdat Ik u gezegd heb: Ik zag u onder den vijgenboom, zo gelooft gij; gij zult groter dingen zien dan deze.
52 En Hij zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden: lVan nu aan zult gij den hemel zien geopend, en de engelen Gods opklimmende en nederdalende op den Zoon des mensen. l Gen. 28:12. verwijsteksten

Einde Johannes 1