Statenvertaling.nl

sample header image

Lukas 23 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Lukas 23

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

Voor Pilatus
1 ENa de gehele menigte van hen stond op en leidde Hem tot Pilatus. a Matth. 27:2. Mark. 15:1. Joh. 18:28. verwijsteksten
2 En zij begonnen Hem te beschuldigen, zeggende: Wij hebben bevonden dat Deze het volk verkeert, en bverbiedt den keizer schattingen te geven, czeggende dat Hij Zelf Christus, de Koning, is. b Matth. 17:25; 22:21. Mark. 12:17. Luk. 20:25. Rom. 13:7. c Hand. 17:7. verwijsteksten
3 dEn Pilatus vraagde Hem, zeggende: Zijt Gij de Koning der Joden? En Hij antwoordde hem en zeide: Gij zegt het. d Matth. 27:11. Mark. 15:2. Joh. 18:33. verwijsteksten
4 En Pilatus zeide tot de overpriesters en de scharen: Ik vind geen schuld in dezen Mens.
5 En zij hielden te sterker aan, zeggende: Hij beroert het volk, lerende door geheel Judéa, begonnen hebbende van Galiléa tot hiertoe.
6 Als nu Pilatus van Galiléa hoorde, vraagde hij of die Mens een Galileeër was.
7 eEn verstaande dat Hij uit het gebied van Herodes was, zond hij Hem heen tot Herodes, die ook zelf in die dagen binnen Jeruzalem was. e Luk. 3:1. verwijsteksten
 
Voor Herodes
8 fEn als Herodes Jezus zag, werd hij zeer verblijd; want hij was van overlang begerig geweest Hem te zien omdat hij veel van Hem hoorde; en hoopte enig teken te zien, dat van Hem gedaan zou worden. f Luk. 9:7. verwijsteksten
9 En hij vraagde Hem met vele woorden; doch Hij antwoordde hem niets.
10 En de overpriesters en de schriftgeleerden stonden en beschuldigden Hem heftiglijk.
11 En Herodes met zijn krijgslieden Hem veracht en bespot hebbende, deed Hem een blinkend kleed aan en zond Hem weder tot Pilatus.
12 gEn op denzelfden dag werden Pilatus en Herodes vrienden met elkander; want zij waren tevoren in vijandschap tegen elkander. g Hand. 4:27. verwijsteksten
 
Barábbas of Jezus
13 hEn als Pilatus de overpriesters en de oversten en het volk bijeengeroepen had, zeide hij tot hen: h Matth. 27:23. Mark. 15:14. Joh. 18:38; 19:4. verwijsteksten
14 Gij hebt dezen Mens tot mij gebracht als een die het volk afkerig maakt; en zie, ik heb Hem in uw tegenwoordigheid ondervraagd, en heb in dezen Mens geen schuld gevonden van hetgeen waar gij Hem mede beschuldigt;
15 Ja, ook Herodes niet; want ik heb ulieden tot hem gezonden, en zie, er is van Hem niets gedaan dat des doods waardig is.
16 Zo zal ik Hem dan kastijden en loslaten.
17 iEn hij moest hun op het feest een loslaten. i Matth. 27:15. Mark. 15:6. Joh. 18:39. verwijsteksten
18 Doch al de menigte riep gelijkelijk, zeggende: kWeg met Dezen en laat ons Barábbas los. k Hand. 3:14. verwijsteksten
19 Dewelke was om zeker oproer dat in de stad geschied was, en om een doodslag, in de gevangenis geworpen.
20 Pilatus dan riep hun wederom toe, willende Jezus loslaten.
21 Maar zij riepen daartegen, zeggende: Kruis Hem, kruis Hem.
22 En hij zeide ten derden male tot hen: Wat heeft Deze dan kwaads gedaan? Ik heb geen schuld des doods in Hem gevonden. Zo zal ik Hem dan kastijden en loslaten.
23 Maar zij hielden aan met groot geroep, eisende dat Hij zou gekruist worden; en hun en der overpriesters geroep werd geweldiger.
24 lEn Pilatus oordeelde dat hun eis geschieden zou. l Matth. 27:26. Mark. 15:15. Joh. 19:16. verwijsteksten
25 En hij liet hun los dengene die om oproer en doodslag in de gevangenis geworpen was, welken zij geëist hadden; maar Jezus gaf hij over tot hun wil.
 
Jezus weggeleid
26 mEn als zij Hem wegleidden, namen zij enen Simon van Cyréne, komende van den akker, en legden hem het kruis op, dat hij het achter Jezus droeg. m Matth. 27:32. Mark. 15:21. verwijsteksten
27 En een grote menigte van volk en van vrouwen volgde Hem, welke ook weenden en Hem beklaagden.
28 En Jezus Zich tot haar kerende zeide: Gij dochteren van Jeruzalem, weent niet over Mij, maar weent over uzelven en over uw kinderen.
29 Want zie, er komen dagen in welke men zeggen zal: Zalig zijn de onvruchtbaren, en de buiken die niet gebaard hebben, en de borsten die niet gezoogd hebben.
30 Alsdan zullen zij beginnen te zeggen tot de bergen: nValt op ons; en tot de heuvelen: Bedekt ons. n Jes. 2:19. Hos. 10:8. Openb. 6:16; 9:6. verwijsteksten
31 oWant indien zij dit doen aan het groene hout, wat zal aan het dorre geschieden? o Jer. 25:29. 1 Petr. 4:17. verwijsteksten
32 pEn er werden ook twee anderen, zijnde kwaaddoeners, geleid om met Hem gedood te worden. p Joh. 19:18. verwijsteksten
 
Golgotha
33 qEn toen zij kwamen op de plaats genaamd Hoofdschedelplaats, kruisigden zij Hem aldaar, en de kwaaddoeners, den een ter rechter- en den ander ter linkerzijde. q Matth. 27:33, 38. Mark. 15:22. Joh. 19:18. verwijsteksten
34 En Jezus zeide: rVader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. sEn verdelende Zijn klederen, wierpen zij het lot. r Hand. 7:60. 1 Kor. 4:12. s Ps. 22:19. Matth. 27:35. Mark. 15:24. Joh. 19:23. verwijsteksten
35 En het volk stond en zag het aan. En ook tde oversten met hen beschimpten Hem, zeggende: Anderen heeft Hij verlost; dat Hij nu Zichzelven verlosse, zo Hij is de Christus, de Uitverkorene Gods. t Matth. 27:39. Mark. 15:29. verwijsteksten
36 En ook de krijgsknechten tot Hem komende, bespotten Hem en brachten Hem edik,
37 En zeiden: Indien Gij de Koning der Joden zijt, zo verlos Uzelven.
38 vEn er was ook een opschrift boven Hem geschreven, met Griekse en Romeinse en Hebreeuwse letters: DEZE IS DE KONING DER JODEN. v Matth. 27:37. Mark. 15:26. Joh. 19:19. verwijsteksten
39 En een van de kwaaddoeners, die gehangen waren, lasterde Hem, zeggende: Indien Gij de Christus zijt, verlos Uzelven en ons.
40 Maar de andere antwoordende bestrafte hem, zeggende: Vreest gij ook God niet, daar gij in hetzelfde oordeel zijt?
41 En wij toch rechtvaardiglijk, want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben; maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan.
42 En hij zeide tot Jezus: Heere, gedenk mijner als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn.
43 En Jezus zeide tot hem: Voorwaar zeg Ik u: Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn.
44 xEn het was omtrent de zesde ure, en er werd duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe. x Matth. 27:45. Mark. 15:33. verwijsteksten
45 En de zon werd verduisterd, yen het voorhangsel des tempels scheurde middendoor. y Matth. 27:51. Mark. 15:38. verwijsteksten
46 En Jezus roepende met grote stem, zeide: zVader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. En als Hij dat gezegd had, gaf Hij den geest. z Ps. 31:6. Matth. 27:50. Mark. 15:37. Joh. 19:30. Hand. 7:59. verwijsteksten
47 aAls nu de hoofdman over honderd zag wat er geschied was, verheerlijkte hij God en zeide: Waarlijk, deze Mens was rechtvaardig. a Matth. 27:54. Mark. 15:39. verwijsteksten
48 En al de scharen die daar samengekomen waren om dit te aanschouwen, ziende de dingen die geschied waren, keerden weder, slaande op hun borsten.
49 En al Zijn bekenden stonden van verre, ook de vrouwen die Hem tezamen gevolgd waren van Galiléa, en zagen dit aan.
 
De begrafenis
50 bEn zie, een man, met name Jozef, zijnde een raadsheer, een goed en rechtvaardig man b Matth. 27:57. Mark. 15:43. Joh. 19:38. verwijsteksten
51 (Deze had niet medebewilligd in hun raad en handel), van Arimathéa, een stad der Joden, en die ook zelf het Koninkrijk Gods verwachtte;
52 Deze ging tot Pilatus en begeerde het lichaam van Jezus.
53 En als hij hetzelve afgenomen had, wond hij dat in een fijn lijnwaad, cen legde het in een graf, in een rots gehouwen, waarin nog nooit iemand gelegd was. c Matth. 12:40; 26:12; 27:59. Mark. 15:46. verwijsteksten
54 En het was de dag der voorbereiding, en de sabbat kwam aan.
55 En ook de vrouwen ddie met Hem gekomen waren uit Galiléa, volgden na en aanschouwden het graf, en hoe Zijn lichaam gelegd werd. d Luk. 8:2. verwijsteksten
56 En wedergekeerd zijnde, bereidden zij specerijen en zalven; en op den sabbat rustten zij naar het gebod.

Einde Lukas 23