Statenvertaling.nl

sample header image

Lukas 18 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Lukas 18

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

De onrechtvaardige rechter
1 EN Hij zeide ook een gelijkenis tot hen, daartoe strekkende adat men altijd bidden moet en niet vertragen; a Rom. 12:12. Ef. 6:18. Kol. 4:2. 1 Thess. 5:17. verwijsteksten
2 Zeggende: Er was een zeker rechter in een stad, die God niet vreesde en geen mens ontzag.
3 En er was een zekere weduwe in dezelve stad, en zij kwam tot hem, zeggende: Doe mij recht tegen mijn wederpartij.
4 En hij wilde voor een langen tijd niet; maar daarna zeide hij bij zichzelven: Hoewel ik God niet vrees en geen mens ontzie,
5 Nochtans omdat deze weduwe mij moeilijk valt, zo zal ik haar recht doen, opdat zij niet eindelijk kome en mij het hoofd breke.
6 En de Heere zeide: Hoort wat de onrechtvaardige rechter zegt.
7 bZal God dan geen recht doen Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, hoewel Hij lankmoedig is over hen? b Openb. 6:10. verwijsteksten
8 Ik zeg u, dat Hij hun haastelijk recht doen zal. Doch de Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde?
 
De farizeeër en de tollenaar
9 En Hij zeide ook tot sommigen die bij zichzelven vertrouwden dat zij rechtvaardig waren en de anderen niets achtten, deze gelijkenis:
10 Twee mensen gingen op in den tempel om te bidden; de een was een farizeeër en de ander een tollenaar.
11 De farizeeër staande, bad dit bij zichzelven: cO God, ik dank U dat ik niet ben gelijk de andere mensen: rovers, onrechtvaardigen, overspelers, of ook gelijk deze tollenaar; c Jes. 1:15; 58:2. Openb. 3:17, 18. verwijsteksten
12 Ik vast tweemaal per week; ik geef tienden van alles wat ik bezit.
13 En de tollenaar van verre staande, wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar den hemel, maar sloeg op zijn borst, zeggende: O God, zijt mij zondaar genadig.
14 Ik zeg ulieden: Deze ging af gerechtvaardigd in zijn huis, meer dan die; dwant een ieder die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden, en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden. d Job 22:29. Spr. 29:23. Matth. 23:12. Luk. 14:11. Jak. 4:6, 10. 1 Petr. 5:5. verwijsteksten
 
Jezus zegent de kinderen
15 eEn zij brachten ook de kinderkens tot Hem, opdat Hij die zou aanraken; en de discipelen dat ziende, bestraften dezelve. e Matth. 19:13. Mark. 10:13. verwijsteksten
16 Maar Jezus riep dezelve kinderkens tot Zich, en zeide: Laat de kinderkens tot Mij komen en verhindert hen niet; fwant derzulken is het Koninkrijk Gods. f Matth. 18:3; 19:14. 1 Kor. 14:20. 1 Petr. 2:2. verwijsteksten
17 Voorwaar zeg Ik u: Zo wie het Koninkrijk Gods niet zal ontvangen als een kindeken, die zal geenszins in hetzelve komen.
 
De rijke jongeling
18 gEn een zeker overste vraagde Hem, zeggende: Goede Meester, wat doende zal ik het eeuwige leven beërven? g Matth. 19:16. Mark. 10:17. verwijsteksten
19 En Jezus zeide tot hem: Wat noemt gij Mij goed? Niemand is goed dan Eén, namelijk God.
20 Gij weet de geboden: hGij zult geen overspel doen; gij zult niet doden; gij zult niet stelen; gij zult geen valse getuigenis geven; ieer uw vader en uw moeder. h Ex. 20:13. Deut. 5:17. Rom. 13:9. i Ef. 6:2. Kol. 3:20. verwijsteksten
21 En hij zeide: Al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jonkheid aan.
22 Doch Jezus dit horende, zeide tot hem: Nog één ding ontbreekt u: kverkoop alles wat gij hebt en deel het onder de armen, en gij zult een schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, volg Mij. k Matth. 6:19; 19:21. 1 Tim. 6:19. verwijsteksten
23 Maar als hij dit hoorde, werd hij geheel droevig; want hij was zeer rijk.
24 Jezus nu ziende dat hij geheel droevig geworden was, zeide: lHoe zwaarlijk zullen degenen die goed hebben, in het Koninkrijk Gods ingaan. l Spr. 11:28. Matth. 19:23. Mark. 10:23. verwijsteksten
25 Want het is lichter dat een kemel gaat door het oog van een naald, dan dat een rijke in het Koninkrijk Gods ingaat.
26 En die dit hoorden, zeiden: Wie kan dan zalig worden?
27 En Hij zeide: mDe dingen die onmogelijk zijn bij de mensen, zijn mogelijk bij God. m Job 42:2. Jer. 32:17. Zach. 8:6. Luk. 1:37. verwijsteksten
28 nEn Petrus zeide: Zie, wij hebben alles verlaten en zijn U gevolgd. n Matth. 4:20; 19:27. Mark. 10:28. Luk. 5:11. verwijsteksten
29 En Hij zeide tot hen: Voorwaar Ik zeg ulieden, odat er niemand is die verlaten heeft huis of ouders of broeders of vrouw of kinderen om het Koninkrijk Gods, o Deut. 33:9. verwijsteksten
30 pDie niet zal veelvoudig wederontvangen in dezen tijd, en in de komende eeuw het eeuwige leven. p Job 42:12. verwijsteksten
 
Derde aankondiging van het lijden
31 qEn Hij nam de twaalve bij Zich en zeide tot hen: Zie, wij gaan op naar Jeruzalem, en het zal alles volbracht worden aan den Zoon des mensen, rwat geschreven is door de profeten. q Matth. 16:21; 17:22; 20:17. Mark. 8:31; 9:31; 10:32. Luk. 9:22; 24:7. r Ps. 22:7. Jes. 53:7. verwijsteksten
32 sWant Hij zal den heidenen overgeleverd worden, en Hij zal bespot worden en smadelijk behandeld worden en bespogen worden. s Matth. 27:2. Luk. 23:1. Joh. 18:28. Hand. 3:13. verwijsteksten
33 En Hem gegeseld hebbende, zullen zij Hem doden; en ten derden dage zal Hij weder opstaan.
34 En zij verstonden geen van deze dingen; en dit woord was voor hen verborgen, en zij verstonden niet hetgeen gezegd werd.
 
Een blinde bij Jericho
35 tEn het geschiedde als Hij nabij Jericho kwam, dat een zeker blinde aan den weg zat, bedelende. t Matth. 20:29. Mark. 10:46. verwijsteksten
36 En deze horende de schare voorbijgaan, vraagde wat dat was.
37 En zij boodschapten hem dat Jezus de Nazaréner voorbijging.
38 En hij riep, zeggende: Jezus, Gij Zone Davids, ontferm U mijner.
39 En die voorbijgingen, bestraften hem, opdat hij zwijgen zou; maar hij riep zoveel te meer: Zone Davids, ontferm U mijner.
40 En Jezus stilstaande, beval dat men denzelven tot Hem brengen zou; en als hij nabij Hem gekomen was, vraagde Hij hem,
41 Zeggende: Wat wilt gij dat Ik u doen zal? En hij zeide: Heere, dat ik ziende mag worden.
42 En Jezus zeide tot hem: Word ziende; uw geloof heeft u behouden.
43 En terstond werd hij ziende, en volgde Hem, God verheerlijkende. En al het volk dat ziende, gaven Gode lof.

Einde Lukas 18