Statenvertaling.nl

sample header image

Lukas 10 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst


Lukas 10

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

De uitzending van de zeventig
1 EN na dezen stelde de Heere nog andere zeventig, en zond hen heen voor Zijn aangezicht, twee en twee, in iedere stad en plaats waar Hij komen zou.
2 Hij zeide dan tot hen: aDe oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinige; bdaarom, bidt den Heere des oogstes, dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitstote. a Matth. 9:37. Joh. 4:35. b 2 Thess. 3:1. verwijsteksten
3 cGaat heen; zie, Ik zend u als lammeren in het midden der wolven. c Matth. 10:16. verwijsteksten
4 dDraagt geen buidel, noch male, noch schoenen, een groet niemand op den weg. d Matth. 10:9. Mark. 6:8. Luk. 9:3; 22:35. e 2 Kon. 4:29. verwijsteksten
5 fEn in wat huis gij zult ingaan, zegt eerst: Vrede zij dezen huize. f Matth. 10:12. Mark. 6:10. verwijsteksten
6 En indien aldaar een zoon des vredes is, zo zal uw vrede op hem rusten; maar indien niet, zo zal uw vrede tot u wederkeren.
7 gEn blijft in datzelve huis, etende en drinkende hetgeen van hen voorgezet wordt; hwant de arbeider is zijn loon waardig; gaat niet over van het ene huis in het andere huis. g 1 Kor. 10:27. h Lev. 19:13. Deut. 24:14; 25:4. Matth. 10:10. 1 Kor. 9:4, 14. 1 Tim. 5:18. verwijsteksten
8 En in wat stad gij zult ingaan en zij u ontvangen, eet hetgeen ulieden voorgezet wordt.
9 En geneest de kranken die daarin zijn, en zegt tot hen: Het Koninkrijk Gods is nabij u gekomen.
10 iMaar in wat stad gij zult ingaan en zij u niet ontvangen, uitgaande op haar straten zo zegt: i Matth. 10:14. Mark. 6:11. Luk. 9:5. verwijsteksten
11 kOok het stof dat uit uw stad aan ons kleeft, schudden wij af op ulieden; nochtans zo weet dit, dat het Koninkrijk Gods nabij u gekomen is. k Hand. 13:51; 18:6. verwijsteksten
12 En Ik zeg u, dat het dien van Sódom verdraaglijker wezen zal in dien dag dan dezelve stad.
13 Wee u, Chórazin, wee u, Bethsáïda; want zo in Tyrus en Sidon de krachten geschied waren die in u geschied zijn, zij zouden eertijds in zak en as zittende zich bekeerd hebben.
14 Doch het zal Tyrus en Sidon verdraaglijker zijn in het oordeel dan ulieden.
15 En gij Kapérnaüm, die tot den hemel toe verhoogd zijt, gij zult tot de hel toe nedergestoten worden.
16 lWie u hoort, die hoort Mij; en wie u verwerpt, die verwerpt Mij; men wie Mij verwerpt, die verwerpt Dengene Die Mij gezonden heeft. l Matth. 10:40. Mark. 9:37. Joh. 13:20. m 1 Thess. 4:8. verwijsteksten
17 En de zeventig zijn wedergekeerd met blijdschap, zeggende: Heere, ook de duivelen zijn ons onderworpen in Uw Naam.
18 En Hij zeide tot hen: nIk zag den satan als een bliksem uit den hemel vallen. n Openb. 12:8, 9. verwijsteksten
19 oZie, Ik geef u de macht om op slangen en schorpioenen te treden, en over alle kracht des vijands; en geen ding zal u enigszins beschadigen. o Mark. 16:18. Hand. 28:5. verwijsteksten
20 Doch verblijdt u daarin niet, dat de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u veelmeer pdat uw namen geschreven zijn in de hemelen. p Ex. 32:32. Jes. 4:3. Dan. 12:1. Filipp. 4:3. verwijsteksten
 
Des Vaders welbehagen
21 qTe dier ure verheugde Zich Jezus in den geest, en zeide: Ik dank U, Vader, Heere des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen rvoor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard; ja Vader, want alzo is geweest het welbehagen voor U. q Matth. 11:25. r Job 5:12. Jes. 29:14. 1 Kor. 1:19; 2:7, 8. 2 Kor. 3:14. verwijsteksten
22 sAlle dingen zijn Mij van Mijn Vader overgegeven; en niemand weet wie de Zoon is dan de Vader, en wie de Vader is dan de Zoon, en tdien het de Zoon zal willen openbaren. s Ps. 8:7. Joh. 3:35; 17:2. 1 Kor. 15:27. Filipp. 2:10. Hebr. 2:8. t Joh. 1:18; 6:44, 46. verwijsteksten
23 En Zich kerende naar de discipelen, zeide Hij tot hen alleen: vZalig zijn de ogen die zien hetgeen gij ziet. v Matth. 13:16. verwijsteksten
24 xWant Ik zeg u, dat vele profeten en koningen hebben begeerd te zien hetgeen gij ziet, en hebben het niet gezien; en te horen hetgeen gij hoort, en hebben het niet gehoord. x 1 Petr. 1:10. verwijsteksten
 
De barmhartige Samaritaan
25 En zie, een zeker wetgeleerde stond op, Hem verzoekende, en zeggende: Meester, wat doende zal ik het eeuwige leven beërven?
26 En Hij zeide tot hem: Wat is in de wet geschreven? Hoe leest gij?
27 En hij antwoordende zeide: yGij zult den Heere uw God liefhebben uit geheel uw hart en uit geheel uw ziel en uit geheel uw kracht en uit geheel uw verstand; zen uw naaste als uzelven. y Deut. 6:5; 10:12; 30:6. z Lev. 19:18. Rom. 13:9. Gal. 5:14. Jak. 2:8. verwijsteksten
28 En Hij zeide tot hem: Gij hebt recht geantwoord; doe dat en gij zult leven.
29 Maar hij willende zichzelven rechtvaardigen, zeide tot Jezus: En wie is mijn naaste?
30 En Jezus antwoordende zeide: Een zeker mens kwam af van Jeruzalem naar Jericho, en viel onder de moordenaars, welke hem ook uitgetogen en daartoe zware slagen gegeven hebbende, heengingen, en lieten hem halfdood liggen.
31 En bijgeval kwam een zeker priester denzelven weg af, en hem ziende, ging hij tegenover hem voorbij.
32 En desgelijks ook een Leviet, als hij was bij die plaats, kwam hij en zag hem, en ging tegenover hem voorbij.
33 Maar een zekere Samaritaan, reizende, kwam omtrent hem, en hem ziende, werd hij met innerlijke ontferming bewogen.
34 En hij tot hem gaande, verbond zijn wonden, gietende daarin olie en wijn; en hem heffende op zijn eigen beest, voerde hem in de herberg en verzorgde hem.
35 En des anderen daags weggaande, langde hij twee penningen uit, en gaf ze den waard, en zeide tot hem: Draag zorg voor hem; en zo wat gij meer aan hem ten koste zult leggen, dat zal ik u wedergeven als ik wederkom.
36 Wie dan van deze drie dunkt u de naaste geweest te zijn desgenen die onder de moordenaars gevallen was?
37 En hij zeide: Die barmhartigheid aan hem gedaan heeft. Zo zeide dan Jezus tot hem: Ga heen en doe gij desgelijks.
 
Maria en Martha
38 En het geschiedde als zij reisden, dat Hij kwam in een vlek; en een zekere vrouw, met name Martha, ontving Hem in haar huis.
39 En deze had een zuster, genaamd Maria, welke ook azittende aan de voeten van Jezus, Zijn woord hoorde. a Hand. 22:3. verwijsteksten
40 Doch Martha was zeer bezig met veel dienen, en daarbij komende zeide zij: Heere, trekt Gij U dat niet aan, dat mijn zuster mij alleen laat dienen? Zeg dan haar, dat zij mij helpe.
41 En Jezus antwoordende zeide tot haar: Martha, Martha, gij bekommert en ontrust u over vele dingen;
42 Maar één ding is nodig; doch Maria heeft het goede deel uitgekozen, bhetwelk van haar niet zal weggenomen worden. b Ps. 27:4. verwijsteksten

Einde Lukas 10