Statenvertaling.nl

sample header image

Markus 7 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst


Markus 7

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

1 De farizeeën en schriftgeleerden berispen de discipelen van Christus, dat zij met ongewassen handen aten. 6 Welke Christus verantwoordt, en bestraft der farizeeën geveinsdheid in hun uitwendige wassingen. 9 En verwerpt hun menselijke inzettingen, inzonderheid in de verklaring van het vijfde gebod. 14 Leert wat den mens eigenlijk ontreinigt of niet. 24 Werpt een duivel uit de dochter van een vrouw uit Syro-Fenicië. 31 Geneest een dove en stomme. 37 En wordt daarover zeer geprezen.
 
De ware reinheid
1 ENa tot Hem vergaderden de farizeeën en sommigen der schriftgeleerden, 1die van Jeruzalem gekomen waren;
a Matth. 15:1. verwijsteksten
1 Namelijk van de kloekste en bitterste, daartoe van Jeruzalem uitgezonden om op Zijn leer en werken te letten, en die te berispen en bij het volk verdacht te maken.
 
2 En ziende dat sommigen van Zijn discipelen met 2onreine, dat is met ongewassen handen 3brood aten, 4berispten zij hen.
2 Gr. gemene; alzo wordt doorgaans genaamd hetgeen onrein of onheilig is. Zie Hand. 10:14. Want de farizeeën meenden als zij iets gemeens mochten aangetast hebben, hoewel het in de wet niet was voor onrein verklaard, dat zij evenwel onrein of onheilig waren, zolang zij niet weder gewassen waren, hetwelk Christus hier bestraft, niet om de burgerlijke eerbaarheid in het wassen van de handen voor het eten, maar om hun bijgelovigheden en geveinsdheid te wederspreken. verwijsteksten
3 Dat is, spijze.
4 Of: klaagden daarover.
 
3 Want de farizeeën en al de Joden eten niet, tenzij dat zij eerst de handen 5dikmaals wassen, 6houdende de inzetting der 7ouden.
5 Of: met de vuist, gelijk degenen die hun handen wel schoon willen wassen, met de vuist in de hand plachten te wrijven. Of: naarstiglijk, of: tot den elleboog toe, gelijk sommigen getuigen de gewoonte der Joden geweest te zijn.
6 Gr. vasthoudende de overlevering.
7 Of: der ouderlingen.
 
4 En van de 8markt komende, eten zij niet, tenzij dat zij eerst 9gewassen zijn; en vele andere dingen zijn er die zij aangenomen hebben te houden, als namelijk de wassingen der drinkbekers 10en kannen en koperen vaten en 11bedden.
8 Omdat zij daar met allerlei soorten van mensen als heidenen en anderen handelden, en andere dingen aanraakten, waardoor zij meenden ontreinigd te zijn.
9 Gr. gedoopt, hetwelk indopen in het water en ook afwassen betekent, waarvan de Heilige Doop zijn naam heeft.
10 Het Griekse woord xestes betekent het zesde part van een congius, dat is, omtrent anderhalve pint naar onze maat.
11 Dat is, de bedsteden of de sponden van de beddekens waarop de ouden om te eten aan de tafel lagen of leunden, in plaats dat wij aanzitten.
 
5 Daarna vraagden Hem de farizeeën en de schriftgeleerden: Waarom 12wandelen Uw discipelen niet naar de inzetting der 13ouden, maar eten het brood met ongewassen handen?
12 Dat is, leven; een Hebreeuwse manier van spreken, gelijk Ps. 1:1, en doorgaans. verwijsteksten
13 Of: der ouderlingen.
 
6 Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: 14Wel heeft Jesaja van u, geveinsden, geprofeteerd, gelijk geschreven is: bDit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart 15houdt zich verre van Mij;
14 Zie van dit gehele antwoord de aantt. op Matth. 15:7, enz. verwijsteksten
b Jes. 29:13. Ez. 33:31. verwijsteksten
15 Dat is, is verre van Mij.
 
7 cDoch 16tevergeefs 17eren zij Mij, lerende leringen die geboden zijn der mensen.
c Matth. 15:9. Kol. 2:18, 20. Tit. 1:14. verwijsteksten
16 Dat is, zonder vrucht, alzo zulke dienst den Heere niet aangenaam is.
17 Of: dienen.
 
8 Want nalatende het gebod Gods, houdt gij de inzettingen der mensen, als namelijk wassing der kannen en drinkbekers; en andere diergelijke dingen doet gij vele.
9 En Hij zeide tot hen: Gij doet zeker Gods gebod wel teniet, opdat gij uw inzetting zoudt onderhouden.
10 Want Mozes heeft gezegd: dEer uw vader en uw moeder; en: eWie vader of moeder 18vloekt, die zal den dood sterven.
d Ex. 20:12. Deut. 5:16. Ef. 6:2. verwijsteksten
e Ex. 21:17. Lev. 20:9. Deut. 27:16. Spr. 20:20. verwijsteksten
18 Dat is, met kwade woorden tot hen gaat, scheldende of dreigende.
 
11 Maar gijlieden zegt: Zo een mens tot vader of moeder zegt: 19Het is korban (dat is te zeggen, een gave), zo wat u van mij zou kunnen ten nutte komen, die voldoet;
19 Of: de korban, dat is, gave die van mij geofferd wordt, zal u ten nutte komen. Zie hiervan de aant. op Matth. 15:5. Of: Het zij korban, hetgeen u van mij zou mogen ten nutte komen. verwijsteksten
 
12 En gij laat hem niet meer toe iets aan zijn vader of zijn moeder te doen;
13 f20Makende alzo Gods woord krachteloos door uw inzetting, die gij ingezet hebt; en diergelijke dingen doet gij vele.
f Matth. 15:6. 1 Tim. 4:3. 2 Tim. 3:2. verwijsteksten
20 Gr. Afkeurende, of: zijn aanzien en kracht benemende.
 
14 gEn tot Zich de ganse schare geroepen hebbende, zeide Hij tot hen: Hoort Mij allen en verstaat:
g Matth. 15:10. verwijsteksten
 
15 hEr is 21niets van buiten den mens in hem ingaande, hetwelk hem kan 22ontreinigen; maar de dingen die van hem uitgaan, die zijn het welke den mens ontreinigen.
h Hand. 10:15. Rom. 14:17, 20. Tit. 1:15. verwijsteksten
21 Namelijk van spijze of drank, matiglijk en met dankzegging gebruikt zijnde, 1 Tim. 4:4. verwijsteksten
22 Gr. gemeen maken.
 
16 23Zo iemand oren heeft om te horen, die hore.
23 Zie Matth. 11:15. verwijsteksten
 
17 iEn toen Hij van de schare in huis gekomen was, vraagden Hem Zijn discipelen van de 24gelijkenis.
i Matth. 15:15. verwijsteksten
24 Gr. parabel, welk woord betekent niet alleen een gelijkenis, maar ook een bijzondere lering of spreuk.
 
18 En Hij zeide tot hen: Zijt ook gij alzo onwetend? Verstaat gij niet dat al wat van buiten in den mens ingaat, hem niet kan ontreinigen?
19 Want het gaat niet in zijn hart, maar in den buik, en gaat in de heimelijkheid uit, 25reinigende al de spijzen.
25 Dat is, hetgeen onbekwaam is tot voedsel, wordt daardoor als onrein uitgeworpen, en het blijvende voedsel wordt daardoor gereinigd.
 
20 En Hij zeide: Hetgeen uitgaat uit den mens, dat ontreinigt den mens.
21 kWant van binnen uit het hart der mensen komen voort kwade 26gedachten, overspelen, hoererijen, doodslagen,
k Gen. 6:5; 8:21. Spr. 6:14. Jer. 17:9. verwijsteksten
26 Of: overleggingen, overdenkingen, of: samensprekingen.
 
22 Dieverijen, 27gierigheden, boosheden, bedrog, 28ontuchtigheid, een 29boos oog, lastering, hovaardij, 30onverstand.
27 Of: begeerten van altijd meer en meer te hebben.
28 Of: dartelheid, geilheid.
29 Dat is, nijdigheid, of afgunstigheid. Zie Matth. 20:15. verwijsteksten
30 Of: dwaasheid.
 
23 Al deze boze dingen 31komen voort van binnen en ontreinigen den mens.
31 Dat is, hebben hun oorsprong in het hart, en worden daarna uiterlijk volbracht. Zie Jak. 1:15. verwijsteksten
 
De Syro-Fenicische vrouw
24 lEn vandaar opstaande ging Hij weg 32naar de landpalen van Tyrus en Sidon; en in een huis gegaan zijnde, wilde Hij niet dat het iemand wist, en Hij kon nochtans niet verborgen zijn.
l Matth. 15:21. verwijsteksten
32 Dat is, tot omtrent. Want Christus schijnt Zelf nooit in de steden der heidenen gepredikt te hebben. Zie vss. 27, 31. Matth. 15:24. verwijsteksten
 
25 Want een vrouw welker dochtertje een onreinen geest had, van Hem gehoord hebbende, kwam en viel neder aan Zijn voeten.
26 Deze nu was een 33Griekse vrouw, 34van geboorte uit 35Syro-Fenicië; en zij bad Hem dat Hij den duivel uitwierp uit haar dochter.
33 Dat is, heidense; gelijk de Joden en Grieken doorgaans tegen elkander gesteld worden.
34 Dat is, van afkomst.
35 Want Tyrus en Sidon waren gelegen in Fenicië, hetwelk een deel van Syrië was, gelegen aan de Middellandse Zee.
 
27 Maar Jezus zeide tot haar: Laat eerst de kinderen verzadigd worden; want het is niet 36betamelijk dat men het brood der kinderen neme en den 37hondekens voorwerpe.
36 Gr. eerlijk, of: goed.
37 Zie Matth. 15:26. verwijsteksten
 
28 Maar zij antwoordde en zeide tot Hem: Ja Heere; doch ook de hondekens eten onder de tafel van de kruimkens der kinderen.
29 En Hij zeide tot haar: Om dezes 38woords wil ga heen, de duivel is uit uw dochter uitgevaren.
38 Namelijk waarmede gij uw geloof en betrouwen op Mij betuigd hebt.
 
30 En als zij in haar huis kwam, vond zij dat de duivel 39uitgevaren was, en de dochter 40liggende op het bed.
39 Gr. uitgegaan.
40 Gr. geworpen.
 
De doofstomme in Dekápolis
31 mEn Hij wederom weggegaan zijnde van de landpalen van Tyrus en Sidon, kwam aan de Zee van Galiléa, door het midden der landpalen van 41Dekápolis.
m Matth. 15:29. verwijsteksten
41 Zie van dit land Matth. 4:25. verwijsteksten
 
32 nEn zij brachten tot Hem een dove, die zwaarlijk sprak, en baden Hem dat Hij 42de hand op hem legde.
n Matth. 9:32. Luk. 11:14. verwijsteksten
42 Namelijk om hem te genezen; alzo Hij gewoon was zulks met oplegging Zijner handen, aanraken en andere uitwendige tekenen te doen.
 
33 En hem van de schare 43alleen genomen hebbende, 44stak Hij Zijn vingers in zijn oren, en gespogen hebbende, raakte Hij zijn tong aan;
43 Of: bezijden.
44 Deze tekenen heeft Christus gebruikt, omdat tussen dezelve en de kracht Gods in het doorboren van de oren en de losmaking van de tong enige gelijkenis is.
 
34 En 45opwaarts ziende naar den hemel, 46zuchtte Hij en zeide tot hem: Effatha; dat is: Word geopend.
45 Namelijk om Zijn Vader te bidden, gelijk te zien is Joh. 11:41. verwijsteksten
46 Namelijk uit medelijden over de ellende der mensen, waarvan deze man als een spiegel was.
 
35 En terstond werden zijn oren geopend en de band zijner tong werd los en hij sprak recht.
36 En Hij gebood hunlieden dat zij het 47niemand zeggen zouden; maar wat Hij hun ook gebood, zo verkondigden zij het des te 48meer.
47 De reden hiervan zie Matth. 12:16. verwijsteksten
48 Gr. overvloediger.
 
37 En zij ontzetten zich bovenmate zeer, zeggende: oHij heeft alles wel gedaan, en Hij maakt dat de doven horen en de stommen spreken.
o Gen. 1:31. verwijsteksten

Einde Markus 7