Statenvertaling.nl

sample header image

Markus 4 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Markus 4

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

De zaaier
1 ENa Hij begon wederom te leren omtrent de zee; en er vergaderde een grote schare bij Hem, alzo dat Hij, in het schip gegaan zijnde, nederzat op de zee; en de gehele schare was op het land aan de zee. a Matth. 13:1. Luk. 8:4. verwijsteksten
2 En Hij leerde hun vele dingen door gelijkenissen, en Hij zeide in Zijn lering tot hen:
3 Hoort toe: Zie, een zaaier ging uit om te zaaien.
4 En het geschiedde in het zaaien, dat het ene deel van het zaad viel bij den weg; en de vogelen des hemels kwamen en aten het op.
5 En het andere viel op het steenachtige, waar het niet veel aarde had; en het ging terstond op, omdat het geen diepte van aarde had.
6 Maar als de zon opgegaan was, zo is het verbrand geworden, en omdat het geen wortel had, zo is het verdord.
7 En het andere viel in de doornen, en de doornen wiesen op en verstikten hetzelve, en het gaf geen vrucht.
8 En het andere viel in de goede aarde en gaf vrucht, die opging en wies; en het ene droeg dertig- en het andere zestig- en het andere honderdvoud.
9 En Hij zeide tot hen: Wie oren heeft om te horen, die hore.
10 bEn als Hij nu alleen was, vraagden Hem degenen die omtrent Hem waren, met de twaalve, naar de gelijkenis. b Matth. 13:10. Luk. 8:9. verwijsteksten
11 En Hij zeide tot hen: cHet is u gegeven te verstaan de verborgenheid van het Koninkrijk Gods; dmaar dengenen die buiten zijn, geschieden al deze dingen door gelijkenissen; c Matth. 11:25. 2 Kor. 2:14. d 2 Kor. 3:14. verwijsteksten
12 eOpdat zij ziende zien en niet bemerken, en horende horen en niet verstaan; opdat zij zich niet te eniger tijd bekeren en hun de zonden vergeven worden. e Jes. 6:9. Matth. 13:14. Luk. 8:10. Joh. 12:40. Hand. 28:26. Rom. 11:8. verwijsteksten
13 En Hij zeide tot hen: Weet gij deze gelijkenis niet? En hoe zult gij al de gelijkenissen verstaan?
14 fDe zaaier is die het Woord zaait. f Matth. 13:19. Luk. 8:11. verwijsteksten
15 En dezen zijn die bij den weg bezaaid worden, waarin het Woord gezaaid wordt; en als zij het gehoord hebben, zo komt de satan terstond en neemt het Woord weg, hetwelk in hun harten gezaaid was.
16 En dezen zijn desgelijks, die op de steenachtige plaatsen bezaaid worden, welke, als zij het Woord gehoord hebben, terstond hetzelve met vreugde ontvangen;
17 En hebben geen wortel in zichzelven, maar zijn voor een tijd; daarna, als verdrukking of vervolging komt om des Woords wil, zo worden zij terstond geërgerd.
18 En dezen zijn die in de doornen bezaaid worden, namelijk degenen die het Woord horen;
19 gEn de zorgvuldigheden dezer wereld en de verleiding des rijkdoms en de begeerlijkheden omtrent de andere dingen inkomende, verstikken het Woord, en het wordt onvruchtbaar. g Matth. 19:23. Mark. 10:23. Luk. 18:24. 1 Tim. 6:9. verwijsteksten
20 En dezen zijn die in de goede aarde bezaaid zijn, welke het Woord horen en aannemen en dragen vruchten, het ene dertig- en het andere zestig- en het andere honderdvoud.
 
Het licht op den kandelaar
21 hEn Hij zeide tot hen: Komt ook de kaars opdat zij onder de korenmaat of onder het bed gezet worde? Is het niet opdat zij op den kandelaar gezet worde? h Matth. 5:15. Luk. 8:16; 11:33. verwijsteksten
22 iWant er is niets verborgen, dat niet geopenbaard zal worden; en er is niets geschied om verborgen te zijn, maar opdat het in het openbaar zou komen. i Job 12:22. Matth. 10:26. Luk. 8:17; 12:2. verwijsteksten
23 Zo iemand oren heeft om te horen, die hore.
24 En Hij zeide tot hen: Ziet wat gij hoort. kMet wat maat gij meet, zal u gemeten worden, en u die hoort, zal meer toegelegd worden. k Matth. 7:2. Luk. 6:38. verwijsteksten
25 lWant zo wie heeft, dien zal gegeven worden; en wie niet heeft, van dien zal genomen worden ook wat hij heeft. l Matth. 13:12; 25:29. Luk. 8:18; 19:26. verwijsteksten
 
Het zelf uitspruitende zaad
26 En Hij zeide: Alzo is het Koninkrijk Gods, gelijk of een mens het zaad in de aarde wierp;
27 En voorts sliep en opstond, nacht en dag; en het zaad uitsproot en lang werd, dat hij zelf niet wist hoe.
28 Want de aarde brengt vanzelf vrucht voort: eerst het kruid, daarna de aar, daarna het volle koren in de aar.
29 En als de vrucht zich voordoet, terstond zendt hij de sikkel daarin, omdat de oogst daar is.
 
Het mosterdzaad
30 mEn Hij zeide: Waarbij zullen wij het Koninkrijk Gods vergelijken, of met wat gelijkenis zullen wij hetzelve gelijken? m Matth. 13:31. Luk. 13:18. verwijsteksten
31 Namelijk bij een mosterdzaad, hetwelk, wanneer het in de aarde gezaaid wordt, het minste is van al de zaden die op de aarde zijn.
32 En wanneer het gezaaid is, gaat het op en wordt het meeste van al de moeskruiden, en maakt grote takken, alzo dat de vogelen des hemels onder zijn schaduw kunnen nestelen.
33 nEn door vele zulke gelijkenissen sprak Hij hun het Woord, naar dat zij het horen konden. n Matth. 13:34. verwijsteksten
34 En zonder gelijkenis sprak Hij hun niet; maar Hij verklaarde alles Zijn discipelen in het bijzonder.
 
De storm gestild
35 oEn op denzelven dag, als het nu avond geworden was, zeide Hij tot hen: Laat ons overvaren aan de andere zijde. o Matth. 8:23. Luk. 8:22. verwijsteksten
36 En zij de schare gelaten hebbende, namen Hem mede, gelijk Hij in het schip was; en er waren nog andere scheepjes met Hem.
37 En er werd een grote storm van wind, en de baren sloegen over in het schip, alzo dat het nu vol werd.
38 En Hij was in het achterschip, slapende op een oorkussen; en zij wekten Hem op en zeiden tot Hem: Meester, bekommert het U niet dat wij vergaan?
39 En Hij opgewekt zijnde, pbestrafte den wind, en zeide tot de zee: Zwijg, wees stil. En de wind ging liggen en er werd grote stilte. p Job 26:12. Ps. 107:29. Jes. 51:10. verwijsteksten
40 En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij zo vreesachtig? Hoe hebt gij geen geloof?
41 En zij vreesden met grote vreze en zeiden tot elkander: Wie is toch Deze, dat ook de wind en de zee Hem gehoorzaam zijn?

Einde Markus 4