Statenvertaling.nl

sample header image

Markus 3 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Markus 3

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

De man met de dorre hand
1 ENa Hij ging wederom in de synagoge; en aldaar was een mens, hebbende een verdorde hand. a Matth. 12:9. Luk. 6:6. verwijsteksten
2 En zij namen Hem waar, of Hij op den sabbat hem genezen zou, opdat zij Hem beschuldigen mochten.
3 En Hij zeide tot den mens die de verdorde hand had: Sta op in het midden.
4 En Hij zeide tot hen: Is het geoorloofd op sabbatdagen goed te doen of kwaad te doen? Een mens te behouden of te doden? En zij zwegen stil.
5 En als Hij hen met toorn rondom aangezien had, meteen bedroefd zijnde over de verharding van hun hart, zeide Hij tot den mens: Strek uw hand uit. En hij strekte ze uit; ben zijn hand werd hersteld, gezond gelijk de andere. b 1 Kon. 13:6. verwijsteksten
6 cEn de farizeeën uitgegaan zijnde, hebben terstond met de herodianen tezamen raad gehouden tegen Hem, hoe zij Hem zouden doden. c Matth. 12:14. Joh. 10:39; 11:53. verwijsteksten
 
De toeloop der schare
7 En Jezus vertrok met Zijn discipelen naar de zee; den Hem volgde een grote menigte van Galiléa en van Judéa, d Matth. 4:25. Luk. 6:17. verwijsteksten
8 En van Jeruzalem en van Iduméa en van over de Jordaan; en die van omtrent Tyrus en Sidon, een grote menigte, gehoord hebbende hoe grote dingen Hij deed, kwamen tot Hem.
9 En Hij zeide tot Zijn discipelen, dat een scheepje steeds omtrent Hem blijven zou om der schare wil, opdat zij Hem niet zouden verdringen.
10 Want Hij had er velen genezen, alzo dat Hem al degenen die enige kwalen hadden, overvielen, opdat zij Hem mochten aanraken.
11 En de onreine geesten, als zij Hem zagen, vielen voor Hem neder en riepen, zeggende: Gij zijt de Zone Gods.
12 En Hij gebood hun scherpelijk dat zij Hem niet zouden openbaar maken.
 
De roeping der twaalve
13 eEn Hij klom op den berg en riep tot Zich die Hij wilde; en zij kwamen tot Hem. e Matth. 10:1. Mark. 6:7. Luk. 6:13; 9:1. verwijsteksten
14 En Hij stelde er twaalf, opdat zij met Hem zouden zijn, en opdat Hij dezelve zou uitzenden om te prediken;
15 En om macht te hebben de ziekten te genezen en de duivelen uit te werpen.
16 En Simon gaf Hij den toenaam Petrus;
17 En Jakobus, den zoon van Zebedéüs, en Johannes, den broeder van Jakobus; en gaf hun toenamen, Boanérges, hetwelk is zonen des donders;
18 En Andréas, en Filippus, en Bartholoméüs, en Matthéüs, en Thomas, en Jakobus, den zoon van Alféüs, en Thaddéüs, en Simon Kananítes,
19 En Judas Iskáriot, die Hem ook verraden heeft.
 
Jezus en Beëlzebul
20 En zij kwamen in huis; en daar vergaderde wederom een schare, alzo dat zij ook zelfs fniet konden brood eten. f Mark. 6:31. verwijsteksten
21 En als degenen die Hem bestonden, dit hoorden, gingen zij uit om Hem vast te houden; want zij zeiden: Hij is buiten Zijn zinnen.
22 En de schriftgeleerden, die van Jeruzalem afgekomen waren, zeiden: gHij heeft Beëlzebul, en door den overste der duivelen werpt Hij de duivelen uit. g Matth. 9:34; 12:24. Luk. 11:15. Joh. 8:48. verwijsteksten
23 En hen tot Zich geroepen hebbende, hzeide Hij tot hen in gelijkenissen: Hoe kan de satan den satan uitwerpen? h Matth. 12:25. verwijsteksten
24 En indien een koninkrijk tegen zichzelf verdeeld is, zo kan dat koninkrijk niet bestaan.
25 En indien een huis tegen zichzelf verdeeld is, zo kan dat huis niet bestaan.
26 En indien de satan tegen zichzelven opstaat en verdeeld is, zo kan hij niet bestaan, maar heeft een einde.
27 iEr kan niemand in het huis eens sterken ingaan en zijn vaten ontroven, kindien hij niet eerst den sterke bindt; en alsdan zal hij zijn huis beroven. i Matth. 12:29. k Kol. 2:15. verwijsteksten
28 Voorwaar Ik zeg u, ldat al de zonden den kinderen der mensen zullen vergeven worden, en allerlei lasteringen waarmede zij zullen gelasterd hebben; l 1 Sam. 2:25. Matth. 12:31. Luk. 12:10. 1 Joh. 5:16. verwijsteksten
29 mMaar zo wie gelasterd zal hebben tegen den Heiligen Geest, die heeft geen vergeving in der eeuwigheid, maar hij is schuldig des eeuwigen oordeels. m 1 Joh. 5:16. verwijsteksten
30 Want zij zeiden: Hij heeft een onreinen geest.
 
Jezus’ ware verwanten
31 nZo kwamen dan Zijn broeders en Zijn moeder; en buiten staande, zonden zij tot Hem en riepen Hem. n Matth. 12:46. Luk. 8:19. verwijsteksten
32 En de schare zat rondom Hem; en zij zeiden tot Hem: Zie, Uw moeder en Uw broeders daarbuiten zoeken U.
33 En Hij antwoordde hun, zeggende: Wie is Mijn moeder, of Mijn broeders?
34 En rondom overzien hebbende die om Hem zaten, zeide Hij: Zie, Mijn moeder en Mijn broeders.
35 oWant zo wie den wil Gods doet, die is Mijn broeder en Mijn zuster en moeder. o Joh. 15:14. 2 Kor. 5:16, 17. verwijsteksten

Einde Markus 3