Statenvertaling.nl

sample header image

Mattheüs 25 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28
Inleiding Bijbelboek
Inleiding Nieuwe Testament
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Mattheüs 25

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

De wijze en de dwaze maagden
1 ALSDAN zal het Koninkrijk der hemelen zijn gelijk tien maagden, welke haar lampen namen en gingen uit, den bruidegom tegemoet.
2 En vijf van haar waren wijs, en vijf waren dwaas.
3 Die dwaas waren, haar lampen nemende, namen geen olie met zich.
4 Maar de wijzen namen olie in haar vaten, met haar lampen.
5 Als nu de bruidegom vertoefde, werden zij allen sluimerig en vielen in slaap.
6 En te middernacht geschiedde een geroep: Zie, de bruidegom komt, gaat uit, hem tegemoet.
7 Toen stonden al die maagden op en bereidden haar lampen.
8 En de dwazen zeiden tot de wijzen: Geeft ons van uw olie, want onze lampen gaan uit.
9 Doch de wijzen antwoordden, zeggende: Geenszins, opdat er misschien voor ons en voor u niet genoeg zij; maar gaat liever tot de verkopers en koopt voor uzelven.
10 Als zij nu heengingen om te kopen, kwam de bruidegom; en die gereed waren, gingen met hem in tot de bruiloft, en de deur werd gesloten.
11 Daarna kwamen ook de andere maagden, zeggende: Heere, Heere, doe ons open.
12 En hij antwoordende zeide: Voorwaar zeg ik u, ik aken u niet. a Matth. 7:23. Luk. 13:25. verwijsteksten
13 bZo waakt dan; want gij weet den dag niet, noch de ure, in dewelke de Zoon des mensen komen zal. b Matth. 24:42. Mark. 13:33, 35. verwijsteksten
 
De talenten
14 cWant het is gelijk een mens die buitenslands reizende, zijn dienstknechten riep en gaf hun zijn goederen over. c Luk. 19:12. verwijsteksten
15 En den enen gaf hij vijf talenten en den anderen twee en den derden een, een iegelijk naar zijn vermogen, en verreisde terstond.
16 Die nu de vijf talenten ontvangen had, ging heen en handelde daarmede en won andere vijf talenten.
17 Desgelijks ook die de twee ontvangen had, die won ook andere twee.
18 Maar die het ene ontvangen had, ging heen en groef in de aarde en verborg het geld zijns heren.
19 En na een langen tijd kwam de heer van dezelve dienstknechten en hield rekening met hen.
20 En die de vijf talenten ontvangen had, kwam en bracht tot hem andere vijf talenten, zeggende: Heere, vijf talenten hebt gij mij gegeven; zie, andere vijf talenten heb ik boven dezelve gewonnen.
21 En zijn heer zeide tot hem: Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht, dover weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uws heren. d Matth. 24:45. Luk. 12:42. verwijsteksten
22 En die de twee talenten ontvangen had, kwam ook tot hem, en zeide: Heere, twee talenten hebt gij mij gegeven; zie, twee andere talenten heb ik boven dezelve gewonnen.
23 Zijn heer zeide tot hem: Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht, over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uws heren.
24 Maar die het ene talent ontvangen had, kwam ook en zeide: Heere, ik kende u dat gij een hard mens zijt, maaiende waar gij niet gezaaid hebt, en vergaderende vandaar waar gij niet gestrooid hebt;
25 En bevreesd zijnde, ben ik heengegaan en heb uw talent verborgen in de aarde; zie, gij hebt het uwe.
26 Maar zijn heer antwoordende zeide tot hem: Gij boze en luie dienstknecht, gij wist dat ik maai waar ik niet gezaaid heb, en vandaar vergader waar ik niet gestrooid heb.
27 Zo moest gij dan mijn geld den wisselaars gedaan hebben, en ik komende zou het mijne wedergenomen hebben met woeker.
28 Neemt dan van hem het talent weg, en geeft het dengene die de tien talenten heeft.
29 eWant een iegelijk die heeft, dien zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben; maar van dengene die niet heeft, van dien zal genomen worden ook wat hij heeft. e Matth. 13:12. Mark. 4:25. Luk. 8:18; 19:26. verwijsteksten
30 En werpt den onnutten dienstknecht uit in de buitenste duisternis; fdaar zal wening zijn en knersing der tanden. f Matth. 8:12; 13:42; 22:13; 24:51. Luk. 13:28. verwijsteksten
 
Het laatste oordeel
31 gEn wanneer de Zoon des mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op den htroon Zijner heerlijkheid. g Matth. 16:27; 26:64. Mark. 14:62. Luk. 21:27. Hand. 1:11. 1 Thess. 4:16. 2 Thess. 1:10. Openb. 1:7. h Matth. 19:28. verwijsteksten
32 En vóór Hem zullen al de volken vergaderd worden, ien Hij zal hen van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt. i Ez. 34:17, 20. Matth. 13:49. verwijsteksten
33 En Hij zal de schapen tot Zijn rechterhand zetten, maar de bokken tot Zijn linkerhand.
34 Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen die tot Zijn rechterhand zijn: Komt, gij gezegenden Mijns Vaders, beërft dat Koninkrijk khetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld. k Matth. 20:23. Mark. 10:40. verwijsteksten
35 lWant Ik ben hongerig geweest en gij hebt Mij te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest en gij hebt Mij te drinken gegeven; mIk was een vreemdeling en gij hebt Mij geherbergd. l Jes. 58:7. Ez. 18:7. m Hebr. 13:2. verwijsteksten
36 Ik was nnaakt en gij hebt Mij gekleed; Ik ben krank geweest en gij hebt Mij bezocht; Ik was oin de gevangenis en gij zijt tot Mij gekomen. n Jes. 58:7. Jak. 2:15, 16. o 2 Tim. 1:16. verwijsteksten
37 Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden, zeggende: Heere, wanneer hebben wij U hongerig gezien en gespijzigd, of dorstig en te drinken gegeven?
38 En wanneer hebben wij U een vreemdeling gezien en geherbergd, of naakt en gekleed?
39 En wanneer hebben wij U krank gezien of in de gevangenis en zijn tot U gekomen?
40 En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar zeg Ik u, pvoor zoveel gij dit een van deze Mijn minste broeders gedaan hebt, zo hebt gij dat Mij gedaan. p Spr. 19:17. Matth. 10:42. Mark. 9:41. Joh. 13:20. 2 Kor. 9:6. verwijsteksten
41 Dan zal Hij zeggen ook tot degenen die ter linkerhand zijn: qGaat weg van Mij, gij vervloekten, in het reeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijn engelen bereid is. q Ps. 6:9. Matth. 7:23. Luk. 13:25, 27. r Jes. 30:33. Openb. 19:20. verwijsteksten
42 Want Ik ben hongerig geweest en gij hebt Mij niet te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest en gij hebt Mij niet te drinken gegeven;
43 Ik was een vreemdeling en gij hebt Mij niet geherbergd; naakt en gij hebt Mij niet gekleed; krank en in de gevangenis en gij hebt Mij niet bezocht.
44 Dan zullen ook dezen Hem antwoorden, zeggende: Heere, wanneer hebben wij U hongerig gezien, of dorstig, of een vreemdeling, of naakt, of krank, of in de gevangenis, en hebben U niet gediend?
45 Dan zal Hij hun antwoorden en zeggen: Voorwaar zeg Ik u, svoor zoveel gij dit een van deze minsten niet gedaan hebt, zo hebt gij het Mij ook niet gedaan. s Spr. 14:31; 17:5. Zach. 2:8. verwijsteksten
46 tEn dezen zullen gaan in de eeuwige pijn; maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven. t Dan. 12:2. Joh. 5:29. verwijsteksten

Einde Mattheüs 25