Statenvertaling.nl

sample header image

Mattheüs 17 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28
Inleiding Bijbelboek
Inleiding Nieuwe Testament
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Mattheüs 17

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

De verheerlijking op den berg
1 EN ana zes dagen nam Jezus met Zich Petrus en Jakobus en Johannes, zijn broeder, en bracht hen op een hogen berg alleen. a Mark. 9:2. Luk. 9:28. 2 Petr. 1:17. verwijsteksten
2 En Hij werd voor hen veranderd van gedaante; en Zijn aangezicht blonk gelijk de zon, en Zijn klederen werden wit gelijk het licht.
3 En zie, van hen werden gezien Mozes en Elía, met Hem samensprekende.
4 En Petrus antwoordende zeide tot Jezus: Heere, het is goed dat wij hier zijn; zo Gij wilt, laat ons hier drie tabernakelen maken, voor U een, en voor Mozes een, en een voor Elía.
5 Terwijl hij nog sprak, zie, een luchtige wolk heeft hen overschaduwd; en zie, een stem uit de wolk, zeggende: bDeze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb; choort Hem. b Jes. 42:1. Matth. 3:17. Mark. 1:11; 9:7. Luk. 3:22; 9:35. Kol. 1:13. 2 Petr. 1:17. c Deut. 18:19. Hand. 3:22. verwijsteksten
6 En de discipelen dit horende, vielen op hun aangezicht en werden zeer bevreesd.
7 En Jezus bij hen komende, raakte hen aan en zeide: Staat op en vreest niet.
8 En hun ogen opheffende, zagen zij niemand dan Jezus alleen.
9 dEn als zij van den berg afkwamen, gebood hun Jezus, zeggende: Zegt niemand dit gezicht, totdat de Zoon des mensen zal opgestaan zijn uit de doden. d Mark. 9:9. Luk. 9:36. verwijsteksten
10 eEn Zijn discipelen vraagden Hem, zeggende: Wat zeggen dan de schriftgeleerden dat fElía eerst moet komen? e Mark. 9:11. f Mal. 4:5. Matth. 11:14. Mark. 9:11. verwijsteksten
11 Doch Jezus antwoordende zeide tot hen: Elía zal wel eerst komen en alles wederoprichten;
12 Maar Ik zeg u, dat Elía nu gekomen is, en zij hebben hem niet gekend; doch zij hebben aan hem gedaan al wat zij hebben gewild; alzo zal ook de Zoon des mensen van hen lijden.
13 Toen verstonden de discipelen dat Hij hun van Johannes den Doper gesproken had.
 
De maanzieke knaap
14 gEn als zij bij de schare gekomen waren, kwam tot Hem een mens, vallende voor Hem op de knieën en zeggende: g Mark. 9:16. Luk. 9:37. verwijsteksten
15 Heere, ontferm U over mijn zoon, want hij is maanziek en is in zwaar lijden; want menigmaal valt hij in het vuur en menigmaal in het water.
16 En ik heb hem tot Uw discipelen gebracht, en zij hebben hem niet kunnen genezen.
17 En Jezus antwoordende zeide: O ongelovig en verkeerd geslacht, hoe lang zal Ik nog met ulieden zijn? Hoe lang zal Ik u nog verdragen? Brengt hem Mij hier.
18 En Jezus bestrafte hem, en de duivel ging van hem uit, en het kind werd genezen van die ure af.
19 hToen kwamen de discipelen tot Jezus alleen en zeiden: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen? h Mark. 9:28. verwijsteksten
20 En Jezus zeide tot hen: Om uws ongeloofs wil; iwant voorwaar zeg Ik u, zo gij een geloof hadt als een mosterdzaad, gij zoudt tot dezen berg zeggen: Ga heen vanhier derwaarts, en hij zal heengaan; en niets zal u onmogelijk zijn. i Matth. 21:21. Luk. 17:6. verwijsteksten
21 Maar dit geslacht vaart niet uit dan door bidden en vasten.
 
Tweede aankondiging van het lijden
22 kEn als zij in Galiléa verkeerden, zeide Jezus tot hen: De Zoon des mensen zal overgeleverd worden in de handen der mensen; k Matth. 16:21; 20:18. Mark. 8:31; 9:31; 10:33. Luk. 9:22, 44; 18:31. verwijsteksten
23 En zij zullen Hem doden, en ten derden dage zal Hij opgewekt worden. En zij werden zeer bedroefd.
 
De tempelbelasting
24 En als zij te Kapérnaüm ingekomen waren, gingen tot Petrus die de didrachmen ontvingen, en zeiden: Uw Meester, betaalt Hij de didrachmen niet?
25 Hij zeide: lJa. En toen hij in huis gekomen was, voorkwam hem Jezus, zeggende: Wat dunkt u, Simon? De koningen der aarde, van wie nemen zij tollen of schatting, van hun zonen of van de vreemden? l Matth. 22:21. Rom. 13:7. verwijsteksten
26 Petrus zeide tot Hem: Van de vreemden. Jezus zeide tot hem: Zo zijn dan de zonen vrij.
27 Maar opdat wij hun geen aanstoot geven, ga heen naar de zee, werp den angel uit, en den eersten vis die opkomt, neem, en zijn mond geopend hebbende, zult gij een stater vinden; neem dien en geef hem aan hen voor Mij en u.

Einde Mattheüs 17