Statenvertaling.nl

sample header image

Numeri 34 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Numeri 34

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

God beschrijft de landpalen van Kanaän, vs. 1, enz. En noemt hen die het den kinderen Israëls zullen uitdelen, 16.
 
Kanaäns grenzen
1 VOORTS sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
2 Gebied den kinderen Israëls en zeg tot hen: Wanneer gij in het land Kanaän ingaat, zo zal dit het land zijn dat u ter erfenis 1vallen zal, het land Kanaän naar zijn 2landpalen.
1 Door loting ten deel zal vallen, of uitgedeeld worden.
2 Die in het volgende beschreven worden. Vgl. hiermede Gen. 10 op vers 19. Gen. 15 op vers 18. Ex. 23:31. Deut. 1:7; 11:24. Joz. 1:4. verwijsteksten
 
3 aDe zuiderhoek nu zal u zijn van de woestijn Zin 3aan de zijden van Edom; en de zuiderlandpale zal u zijn van het einde der 4Zoutzee tegen het oosten.
a Joz. 15:1. verwijsteksten
3 Dat is, langs de landpalen of grenzen der Edomieten. Zie Joz. 15:1. verwijsteksten
4 Anders genoemd de Dode Zee. Zie Gen. 14 op vers 3. verwijsteksten
 
4 En deze landpale zal u omgaan van het zuiden naar den opgang van 5Akrábbim en doorgaan naar Zin, en 6haar uitgangen zullen zijn 7van het zuiden naar Kades-Barnéa, en zij zal uitgaan naar 8Hazar-Addar en doorgaan naar 9Azmon.
5 Dat is, der schorpioenen; waarvan deze plaats den naam kan hebben ontvangen. Zie Deut. 8:15. Dit was aan het zuideinde van de Zoutzee en het oosteinde van het gebergte van Edom. verwijsteksten
6 Dat is, uitgangen van deze landpale.
7 Anders: tegen.
8 Deze twee plaatsen worden hier samengevoegd, als nabij elkander gelegen. Vgl. Joz. 15:3, alwaar zij van elkander worden afgescheiden, en de eerste genoemd Hezron. De kaarten stellen ze beide aan de noordzijde van het gebergte van Edom, niet ver van Azmon. verwijsteksten
9 Gelegen aan het westeinde van het gebergte van Edom, niet ver van Gerar.
 
5 Voorts zal deze landpale omgaan van Azmon naar de rivier 10van Egypte, en haar uitgangen zullen zijn 11naar de zee.
10 Die Egypte van het Joodse land afscheidt. Vgl. Gen. 15 op vers 18. Anders: naar het dal of de vallei van Egypte; want aldaar waren moerassige laagten. verwijsteksten
11 Dat is, naar het westen. Zie Gen. 12 op vers 8. verwijsteksten
 
6 Aangaande de landpale van het 12westen, daar zal u de 13Grote Zee de landpale zijn; dit zal uw landpale van het westen zijn.
12 Hebr. zee; en zo in het volgende.
13 Versta de Middellandse Zee, genoemd de Grote Zee in vergelijking van de andere wateren en zeeën of meren die omtrent het Joodse land zijn.
 
7 Voorts zal u de landpale van het noorden deze zijn: van de Grote Zee af zult gij u den berg 14Hor aftekenen.
14 Dit is niet geweest de berg Hor op welken Aäron gestorven is, Num. 33:38, maar een andere, ook genoemd Hermon, aan het westeinde van het gebergte Libanon; uit vergelijking van Joz. 13:5 met dit en het volgende vers. Dat de berg Hermon verscheidene namen gehad heeft, blijkt Deut. 3:9; 4:48. Sommigen nemen het voor een berg aan de zee gelegen, die als een hoofd of kaap (als wij nu spreken) uitstak. verwijsteksten
 
8 Van den berg Hor zult gij aftekenen tot waar men komt te 15Hamath; en de uitgangen dezer landpale zullen zijn naar 16Zedad.
15 Een vermaarde koninklijke stad, aan den voet van het gebergte Libanon. Zie Gen. 10:18. Num. 13:21. Joz. 13:5. Richt. 3:3. 2 Sam. 8:9. 1 Kon. 8:65. 2 Kon. 14:25, 28; 17:24, 30; 23:33. Jer. 49:23. Ez. 47:16, 17; 48:1. Amos 6:2. Zach. 9:2. verwijsteksten
16 Deze en de volgende plaatsen strekten langs het gebergte Libanon van Hamath af, voorts aan de westzijde van de Jordaan, waar die begint, tot aan de Zee Cinnereth of Gennesaret.
 
9 En deze landpale zal uitgaan naar Zifron, en haar uitgangen zullen zijn te Hazar-Enan; dit zal u de noorderlandpale zijn.
10 Voorts zult gij u tot een landpale tegen het oosten aftekenen van Hazar-Enan naar 17Sefam.
17 Ook, naar sommiger gevoelen, genoemd Sifmoth, 1 Sam. 30:28. verwijsteksten
 
11 En deze landpale zal afgaan van Sefam naar Ribla, tegen het oosten van Ain; daarna zal deze landpale afgaan en strekken langs den 18oever van de Zee 19Cinnéreth oostwaarts.
18 Hebr. schouder.
19 Naderhand genoemd Gennesaret, bekend in de evangelische historie. Zie ook Deut. 3 op vers 17. verwijsteksten
 
12 Voorts zal deze landpale afgaan 20langs de Jordaan, en haar uitgangen zullen zijn aan de Zoutzee. Dit zal u zijn het land naar zijn landpalen rondom.
20 Hebr. naar de Jordaan, te weten waar en zoals dezelve rivier van de Zee Cinnereth voortloopt en ten laatste valt in de Zoutzee.
 
Inbezitneming van het land
13 En Mozes gebood den kinderen Israëls, zeggende: Dit is het land dat gij door het lot ten erve innemen zult, hetwelk de HEERE aan de negen stammen en aan den halven stam te geven geboden heeft.
14 Want de stam van de kinderen der Rubenieten naar het huis hunner vaderen en de stam van de kinderen der Gadieten naar het huis hunner vaderen hebben ontvangen; mitsgaders de halve stam van Manasse 21heeft zijn erfenis ontvangen.
21 Hebr. hebben.
 
15 Twee stammen en een halve stam hebben hun erfenis ontvangen aan deze zijde der Jordaan, van Jericho oostwaarts tegen den 22opgang.
22 Te weten der zon.
 
16 Voorts sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
17 bDit zijn de namen der mannen die ulieden het land ten erve zullen uitdelen: Eleázar, de priester, en Jozua, de zoon van Nun.
b Joz. 14:1. verwijsteksten
 
18 Daartoe zult gij 23uit elken stam één overste nemen om het land ten erve uit te delen.
23 Hebr. een overste of vorst, een overste uit een stam.
 
19 En dit zijn de namen dezer mannen: van den stam van Juda, Kaleb, zoon van Jefunne;
20 En van den stam der kinderen van Simeon, Semuël, zoon van Ammíhud;
21 Van den stam van Benjamin, Elídad, zoon van Chislon;
22 En 24van den stam der kinderen van Dan, de overste Bukki, zoon van Jogli;
24 Of: van den stam der kinderen van Dan, een overste, te weten Bukki, enz., en alzo in het volgende.
 
23 Van de kinderen van Jozef: van den stam der kinderen van Manasse, de overste Hánniël, zoon van Efod;
24 En van den stam der kinderen van Efraïm, de overste Kemúël, zoon van Siftan;
25 En van den stam der kinderen van Zebulon, de overste Elízafan, zoon van Parnach;
26 En van den stam der kinderen van Issaschar, de overste Paltiël, zoon van Azzan;
27 En van den stam der kinderen van Aser, de overste Achíhud, zoon van Selómi;
28 En van den stam der kinderen van Naftali, de overste Pedáël, zoon van Ammíhud.
29 Dit zijn ze wien de HEERE 25geboden heeft, den kinderen Israëls de erfenissen uit te delen in het land Kanaän.
25 Of: gesteld, verordineerd heeft om, enz. Vgl. 2 Sam. 6 op vers 21. 2 Sam. 7 op vers 11, enz. verwijsteksten

Einde Numeri 34