Statenvertaling.nl

sample header image

Leviticus 11 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Leviticus 11

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Wetten aangaande het onderscheid der reine en onreine dieren, niet alleen in het eten, zo van grote viervoetige dieren, vs. 1, enz. Als van vissen, 9. Van vogels, 13. En kruipende dieren, 20. Maar ook in het aanroeren van hun dood aas, 24. Insgelijks van nog andere dieren die men voor onrein moest houden, 29. En hoe men van al deze onrein kon worden, 31. Met een vermaning tot reinheid en heiligheid, 44. Waarop volgt het besluit van het hoofdstuk, 47.
 
Reine en onreine dieren
1 EN de HEERE sprak tot Mozes en tot Aäron, zeggende tot hen:
2 Spreekt tot de kinderen Israëls, zeggende: aDit is het gedierte dat gij eten zult uit 1alle beesten die op aarde zijn.
a Deut. 14:4. Hand. 10:14. verwijsteksten
1 Hebr. uit alle vee. Het Hebreeuwse woord is hier in het gemeen genomen; als ook Gen. 1:26; 6:7, 20. verwijsteksten
 
3 Al wat onder de beesten den 2klauw verdeelt en 3de kloof der klauwen in tweeën klieft en 4herkauwt, dat 5zult gij eten.
2 Dat is, welker hoef, of schoen, of nagel verdeeld is, hetwelk niet is in de klauwen der paarden, ezels, enz.
3 Dat is, alzo verdeeld, dat zij de klauwen niet in vele, als in de honden, katten, enz., te zien is, maar in tweeën gespleten hebben, als in de ossen, koeien, schapen, enz.
4 Hebr. het gekauwde wederophaalt, en zo in het volgende. Versta het gedierte dat opnieuw kauwt wat het gekauwd en ingeslikt had; gelijk wij zien dat de ossen, koeien en schapen doen, als zij nedergezeten zijn. Drie conditiën of eigenschappen worden in deze reine dieren vereist: I. de verdeling der klauwen; II. de klieving in tweeën; III. de herkauwing. De onderscheiding der twee eerste conditiën is af te leiden niet alleen uit dit en het zevende vers, maar voornamelijk uit vers 26. verwijsteksten
5 Dat is, dat moogt gij eten.
 
4 Deze nochtans zult gij niet eten van degene 6die alleen herkauwen of de klauwen alleen verdelen: den kemel, want hij herkauwt wel, maar 7verdeelt den klauw niet; die zal u onrein zijn;
6 Dat is, die alleen herkauwen zonder de andere eigenschappen te hebben; alzo in de volgende woorden die de klauwen alleen verdelen. Zie Deut. 14:6. verwijsteksten
7 Versta niet in twee, maar in meer delen; hetwelk is tegen de tweede vereiste conditie, die ook niet is in de konijnen en hazen, gemeld in de twee volgende verzen.
 
5 En het 8konijntje, want het herkauwt wel, maar verdeelt den klauw niet; dat zal u onrein zijn;
8 Anders: bergmuis, of beermuis, een viervoetig gedierte van grootte als een egel, en van gestalte als een muis en beer, wonende in de holen der steenrotsen, zeer veel gevonden in Palestina.
 
6 En den haas, want hij herkauwt wel, maar verdeelt den klauw niet; die zal u onrein zijn.
7 Ook het zwijn, want het verdeelt wel den klauw en klieft de kloof der klauwen in tweeën, maar herkauwt het gekauwde niet; dat 9zal u onrein zijn.
9 Want het heeft maar de twee eerste conditiën, en niet de derde.
 
8 Van hun vlees zult gij niet eten en hun dood aas niet aanroeren; zij zullen u onrein zijn.
9 Dit zult gij eten van al wat in de wateren is: al wat in de wateren, in de zeeën en in de rivieren 10vinnen en schubben heeft, die zult gij eten.
10 Te weten beide tezamen. Daarom waren onder de vissen onrein: I. die noch vinnen noch schubben hadden; II. die maar een van beide hadden.
 
10 Maar al wat in de zeeën en in de rivieren, van alle gewemel der wateren en van alle 11levende ziel die in de wateren is, geen vinnen of schubben heeft, die zullen u 12een verfoeisel zijn.
11 Zie Gen. 1 op vers 20. verwijsteksten
12 Dat is, wat men verfoeien moet te eten, en dood zijnde aan te tasten; gelijk in het volgende vers verklaard wordt.
 
11 Ja, een verfoeisel zullen zij u zijn; van hun vlees zult gij niet eten en hun dood aas zult gij verfoeien.
12 Al wat in de wateren geen vinnen of schubben heeft, dat zal u een verfoeisel zijn.
13 En van het gevogelte zult gij deze verfoeien, zij zullen niet gegeten worden, zij zullen een verfoeisel zijn: 13de arend en de 14havik en de 15zeearend,
13 In het overzetten van deze namen heeft men hier gevolgd het meest gemeen gevoelen der geleerden.
14 Anders: de beenbreker, een soort van arenden die zijn jonkheid vernieuwt, Ps. 103:5. verwijsteksten
15 Hij heeft den naam van de kracht en sterkte van zijn vliegen.
 
14 En de gier, en de 16kraai naar haar aard,
16 Dezen vogel wordt een goed en sterk gezicht toegeschreven, Job 28:7. verwijsteksten
 
15 Alle raaf naar haar aard,
16 En de 17struis en de nachtuil en de koekoek, en de sperwer naar zijn aard,
17 Hebr. de dochter van den struis. Sommigen menen dat deze benaming daarvan komt, omdat onder deze vogels geen mannetjes, maar alleen wijfjes zouden zijn. Anders: de uil.
 
17 En de steenuil en het duikertje en de 18schuifuit,
18 Een soort van een groten uil, of een vogel die des nachts vliegt, anders een oehoe genaamd.
 
18 En de kauw en de roerdomp en de pelikaan,
19 En de 19ooievaar, de reiger naar zijn aard, en de hop en de vledermuis.
19 Deze vogel heeft zijn naam van de weldadigheid die hij zijn voorttelers bewijst, die voedende en helpende, als zij door oudheid machteloos geworden zijn.
 
20 Alle kruipend gevogelte dat op vier voeten gaat, zal u een verfoeisel zijn.
21 Dit nochtans zult gij eten van al het kruipend gevogelte dat op vier voeten gaat, 20hetwelk boven aan zijn voeten schenkels heeft om daarmede op de aarde te springen;
20 Anders: hetwelk geen schenkels heeft.
 
22 Van die zult gij deze eten: den 21sprinkhaan naar zijn aard en den 22solham naar zijn aard, en den hargol naar zijn aard en den hagab naar zijn aard.
21 Hebr. arbe. Dat deze in de oriëntaalse landen gegeten werd, is te zien Matth. 3:4. Mark. 1:6. verwijsteksten
22 Deze drie namen worden hier gelaten gelijk zij in den Hebreeuwsen tekst staan, omdat zij niet zo eigenlijk en zekerlijk bekend zijn. In het gemeen betekenen zij zekere soorten van diertjes die de Latijnen insect noemen, beschreven in het voorgaande vers.
 
23 En alle kruipend gevogelte dat vier voeten heeft, zal u een verfoeisel zijn.
24 En 23aan deze zult gij 24verontreinigd worden; zo wie hun dood aas zal aangeroerd hebben, 25zal onrein zijn tot aan den avond;
23 Te weten aan de navolgende dingen, dewelke verhaald worden van hier af tot het 43ste vers van dit hoofdstuk.
24 Te weten met het aanroeren van dezelve.
25 Dat is, hij zal vanwege zijn ceremoniële onreinheid niet mogen verkeren met de mensen, veelmin in het voorhof des Heeren verschijnen, of van het geofferde eten, dan na den avond.
 
25 Zo wie van hun dood aas gedragen zal hebben, zal zijn klederen wassen en onrein zijn tot aan den avond:
26 26Alle beest 27dat den klauw verdeelt, doch de kloof niet in tweeën klieft en niet herkauwt, zullen u onrein zijn; zo wie dezelve aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn.
26 Drieërlei soorten van beesten worden vermeld, door welker aanroeren men verontreinigd werd: I. onreine die groot waren, hier en in de twee volgende verzen; II. onreine die klein waren, vss. 29, 30, 31, enz.; III. reine die vanzelf gestorven of verscheurd waren, vers 39. verwijsteksten
27 Dat is, die de klauw wel verdeeld heeft, doch niet in tweeën alleen, als de schapen en koeien; maar in meer delen, als daar zijn leeuwen, wolven, beren, honden, katten. Zie op vss. 3, 4. verwijsteksten
 
27 En al wat op zijn poten gaat onder alle gedierte, op vier voeten gaande, die zullen u onrein zijn; al wie hun dood aas aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn tot aan den avond.
28 Ook die hun dood aas zal gedragen hebben, zal zijn klederen wassen en onrein zijn tot aan den avond; zij zullen u onrein zijn.
29 Verder zal u dit onder het kruipend gedierte dat op de aarde kruipt, onrein zijn: 28het wezeltje en de muis en de 29schildpad naar haar aard;
28 In het vertalen van deze namen hebben wij gevolgd wat der waarheid het meest gelijkvormig scheen, en van het merendeel der geleerden aangenomen wordt.
29 Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk wat opgezwollen en als overwelfd is.
 
30 En de zwijnegel en de krokodil en de hagedis, en de slak en de mol;
31 30Die zullen u onrein zijn onder alle kruipend gedierte; zo wie die zal aangeroerd hebben als zij dood zijn, zal onrein zijn tot aan den avond.
30 Versta de voormelde dieren, dewelke onreinheid maakten, niet alleen gegeten, maar ook aangeroerd zijnde; gelijk het verder blijkt uit het volgende.
 
32 Daartoe al hetgeen waarop iets van dezelve vallen zal als zij dood zijn, zal onrein zijn, hetzij bvan alle houten vat of kleed of vel of zak, of alle vat waarmede enig werk gedaan wordt; het zal in het water gestoken worden en onrein zijn tot aan den avond; daarna zal het rein zijn.
b Lev. 15:12. verwijsteksten
 
33 En alle aarden vat 31waarin iets van dezelve zal gevallen zijn, al wat daarin is, zal onrein zijn, en gij zult dat breken.
31 Hebr. wat vallen zal uit hetzelve in zijn midden, dat is, in welks vats midden, of waarin iets van dezelve onreine dieren zal gevallen zijn; hetzij dat zij dood of levend waren. Want zij mochten geenszins aangeroerd worden.
 
34 Van alle spijze die men eet, waarop 32het water zal gekomen zijn, die zal onrein zijn; en alle drank dien men drinkt, zal in alle 33vat onrein zijn.
32 Te weten, waarmede men iets zal gewassen hebben van hetgeen door het aanroeren dezer dingen onrein geworden was.
33 Namelijk dat door het aanroeren van iets derzelver dingen onrein geworden was.
 
35 En waarop iets van hun dood aas zal vallen, zal onrein zijn; de oven en de aarden pan zal verbroken worden, zij zijn onrein; daarom zullen zij u onrein zijn.
36 Doch 34een fontein of put van vergadering der wateren 35zal rein zijn; maar 36wie hun dood aas zal aangeroerd hebben, zal onrein zijn.
34 Te weten, waarin een van deze onreine dieren zal gevallen, geworpen, of versmoord zijn.
35 Dat is, haar water zal men niet behoeven uit te putten en weg te werpen als onrein, maar men zal het te zijnen behoeve mogen gebruiken.
36 Dat is, welke persoon of wat ding het dood aas aanroert, als dit uit de fontein of put, enz., getrokken wordt waarin het gevallen was.
 
37 En wanneer van hun dood aas zal gevallen zijn op enig 37zaaibaar zaad dat gezaaid wordt, dat zal rein zijn.
37 Dat is, dat men pleegt te zaaien tot gebruik der mensen, of der beesten; gelijk uit de volgende woorden te verstaan is.
 
38 Maar als water op het zaad gedaan zal worden en van hun dood aas daarop zal gevallen zijn, dat zal u onrein zijn.
39 En wanneer van de dieren die u tot spijze zijn, iets zal gestorven zijn, wie deszelfs dood aas zal aangeroerd hebben, zal onrein zijn tot aan den avond.
40 Ook die van hun dood aas 38gegeten zal hebben, zal zijn klederen wassen en onrein zijn tot aan den avond; en die hun dood aas zal gedragen hebben, zal zijn klederen wassen en onrein zijn tot aan den avond.
38 Versta dit eigenlijk van het eten uit onwetendheid, als men niet wist dat de spijze van zodanig dood aas toegemaakt was. Want anderszins was het hun verboden van zodanig aas te eten, Deut. 14:21. verwijsteksten
 
41 Voorts alle kruipend gedierte dat op de aarde kruipt, dat zal een verfoeisel zijn, het zal niet gegeten worden.
42 Al wat op zijn buik gaat en al wat gaat op zijn vier voeten of 39al wat vele voeten heeft, onder alle kruipend gedierte dat op de aarde kruipt, die zult gij niet eten, want zij zijn een verfoeisel.
39 Hebr. tot al wat de voeten vermenigvuldigt.
 
43 Maakt 40uw zielen niet verfoeilijk aan enig kruipend gedierte dat kruipt; en verontreinigt u niet daaraan, dat gij daaraan verontreinigd zoudt worden.
40 Dat is, uw personen. Zie Gen. 12:5. verwijsteksten
 
44 cWant 41Ik ben de HEERE uw God; daarom zult gij u 42heiligen en heilig zijn, dewijl Ik heilig ben; en gij zult uw ziel niet verontreinigen aan enig kruipend gedierte dat zich op aarde roert.
c Lev. 19:2; 20:7. 1 Petr. 1:16. verwijsteksten
41 Uit de redenen die God hier gebruikt om Zijn volk de voormelde wetten in te scherpen, blijkt dat de ceremoniële reinheid is geweest een aanwijzing en aanleiding tot de ware geestelijke heiligmaking, die voornamelijk betracht moet worden. God neemt Zijn redenen I. van Zijn natuur, die geestelijk en volkomen heilig is; II. van het einde waartoe Hij de Israëlieten verkoren en beroepen had, hetwelk was hun heiligmaking naar het lichaam, en naar den geest; III. van de weldaad die Hij hun bewees, hen geleid hebbende uit Egypte, om hen te brengen in het beloofde land; betekenende daarmede dat Hij hen ook uit het geestelijk Egypte verlossen wilde, opdat zij Hem hier kennen en dienen, en hierna in het hemels Kanaän eeuwiglijk met Hem leven zouden.
42 Dat is, reinigt u van alle besmetting des lichaams, en des geestes, en volbrengt de heiligmaking, dat is, de ware vernieuwing des levens in de vreze Gods, 2 Kor. 7:1. verwijsteksten
 
45 Want Ik ben de HEERE, Die u uit Egypteland doe optrekken, opdat Ik u 43tot een God zij, 44en opdat gij heilig zijt, dewijl Ik heilig ben.
43 Zie Gen. 17 op vers 7. verwijsteksten
44 Of: weest dan heilig, dewijl Ik heilig ben.
 
46 Dit is de wet van de beesten en van het gevogelte en van alle levende ziel die zich roert in de wateren, en van alle ziel die kruipt op de aarde;
47 Om te onderscheiden tussen het onreine en tussen het reine, en tussen het gedierte dat men eten, en tussen het gedierte dat men niet eten zal.

Einde Leviticus 11