Statenvertaling.nl

sample header image

Ezechiël 28 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Ezechiël 28

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

Profetie tot den vorst van Tyrus
1 VOORTS geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
2 Mensenkind, zeg tot den vorst van Tyrus: Zo zegt de Heere HEERE: Omdat uw hart zich verheft en zegt: Ik ben God, ik zit in Gods stoel in het hart der zeeën; daar gij een amens en geen God zijt, stelt gij nochtans uw hart als Gods hart. a Jes. 31:3. verwijsteksten
3 Zie, gij zijt wijzer dan Daniël; zij hebben niets toegeslotens voor u verborgen.
4 Door uw wijsheid en door uw verstand hebt gij vermogen voor u verkregen, ja, gij hebt goud en zilver verkregen in uw schatten.
5 Door de grootheid uwer wijsheid in uw koophandel hebt gij uw vermogen vermeerderd, en uw hart verheft zich vanwege uw vermogen.
6 Daarom zegt de Heere HEERE alzo: Omdat gij uw hart gesteld hebt als Gods hart,
7 Daarom, zie, Ik zal vreemden over u brengen, de btirannigste der heidenen; die zullen hun zwaarden uittrekken over de schoonheid uwer wijsheid en zullen uw glans ontheiligen. b Jer. 6:23. verwijsteksten
8 Ter groeve zullen zij u doen nederdalen, en gij zult sterven den dood eens verslagenen in het hart der zeeën.
9 Zult gij dan enigszins voor het aangezicht uws doodslagers zeggen: Ik ben God; daar gij een mens zijt en geen God, in de hand desgenen die u verslaat?
10 Gij zult den dood der onbesnedenen sterven, door de hand der vreemden; want Ik heb het gesproken, spreekt de Heere HEERE.
 
Klaaglied over den koning van Tyrus
11 Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
12 Mensenkind, hef een klaaglied op over den koning van Tyrus, en zeg tot hem: Zo zegt de Heere HEERE: Gij verzegelaar der som, vol van wijsheid en cvolmaakt in schoonheid: c Ez. 27:3. verwijsteksten
13 Gij waart in Eden, Gods hof; alle kostelijk gesteente was uw deksel, sardisstenen, topazen en diamanten, turkooizen, sardonyxstenen en jaspisstenen, saffieren, robijnen en smaragden en goud; het werk uwer trommels en uwer pijpen was bij u; ten dage als gij geschapen werdt, waren zij bereid.
14 Gij waart een gezalfde, overdekkende cherub; en Ik had u alzo gezet; gij waart op Gods heiligen berg, gij wandeldet in het midden der vurige stenen.
15 Gij waart volkomen in uw wegen, van den dag af dat gij geschapen zijt, totdat er ongerechtigheid in u gevonden is.
16 Door de veelheid uws koophandels hebben zij het midden van u met geweld vervuld, en gij hebt gezondigd; daarom zal Ik u ontheiligen van Gods berg, en zal u, gij overdekkende cherub, verdoen uit het midden der vurige stenen.
17 Uw hart verheft zich over uw schoonheid; gij hebt uw wijsheid bedorven vanwege uw glans; Ik heb u op de aarde heengeworpen, Ik heb u voor het aangezicht der koningen gesteld, om op u te zien.
18 Vanwege de veelheid uwer ongerechtigheden, door het onrecht uws koophandels hebt gij uw heiligdommen ontheiligd; daarom heb Ik een vuur uit het midden van u doen voortkomen, dat u heeft verteerd, en Ik heb u gemaakt tot as op de aarde, voor de ogen van al degenen die u zien.
19 Allen die u kennen onder de volken, zijn over u ontzet; gij zijt een grote schrik geworden, en zult er niet meer zijn tot in eeuwigheid.
 
Profetie tegen Sidon
20 Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
21 Mensenkind, zet uw aangezicht tegen Sidon, en profeteer tegen haar,
22 En zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik wil aan u, o Sidon, en zal in het midden van u verheerlijkt worden; en zij zullen weten dat Ik de HEERE ben, als Ik gerichten in haar zal hebben geoefend en in haar geheiligd zal zijn.
23 Want Ik zal de pestilentie in haar zenden, en bloed in haar straten, en de verslagenen zullen vallen in het midden van haar, door het zwaard, dat tegen haar zal zijn van rondom; en zij zullen weten dat Ik de HEERE ben.
 
Israëls herstel
24 En het huis Israëls zal geen smartenden doorn noch wee doende distel meer hebben, van allen die rondom hen zijn, die henlieden beroven; en zij zullen weten dat Ik de Heere HEERE ben.
25 Alzo zegt de Heere HEERE: Als Ik het huis Israëls zal vergaderd hebben uit de volken onder dewelke zij verstrooid zijn, en Ik onder hen voor de ogen der heidenen zal geheiligd zijn, dan zullen zij in hun land wonen, dat Ik aan Mijn knecht, aan Jakob, gegeven heb.
26 En zij zullen daarin zeker wonen, en huizen bouwen en wijngaarden dplanten, ja, zij zullen zeker wonen, als Ik gerichten zal hebben geoefend tegen allen die henlieden beroofd hebben, van degenen die rondom hen zijn; en zij zullen weten dat Ik de HEERE hunlieder God ben. d Jer. 31:5. verwijsteksten

Einde Ezechiël 28