Statenvertaling.nl

sample header image

Jeremia 4 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst


Jeremia 4

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

Vermaan tot oprechte bekering, vs. 1, enz. Wijdlopige verkondiging en afbeelding der toekomstige verstoring van het Joodse land door de Babyloniërs, om der zonden wil, tegen het voorgeven der valse profeten, 5, 27. Waarover de profeet bitterlijk weeklaagt, 19. Ondertussen belooft God een genadige matiging der plagen, 27.
 
1 ZO1 gij u bekeren zult, Israël, spreekt de HEERE, bekeer u tot Mij; en zo gij uw 2verfoeiselen van Mijn aangezicht zult wegdoen, zo 3zwerf niet om;
1 Alsof God zeide: Zo gij te eniger tijd van mening zijt u te bekeren, gelijk gij dikwijls voorgeeft te willen doen, zo doe het nu, en doe het oprechtelijk, zonder huichelarij en vermenging van enige afgoderij, als in het volgende verklaard wordt.
2 Uw verfoeilijke en afschuwelijke afgoderijen of drekgoden, die bij de verfoeiselen gevoegd worden, Deut. 29:17. Zie 2 Kron. 15 op vers 8. verwijsteksten
3 Op bergen en heuvelen, om afgoderij te bedrijven. Zie Jer. 2:20; 3:6, 13. Of: zo zult gij niet omzwerven, dat is, in ballingschap gaan, en in het volgende: en gij zult zweren. verwijsteksten
 
2 Maar 4zweer: Zo waarachtig als de HEERE leeft, in a5waarheid, in 6recht en in gerechtigheid; zo zullen zich de 7heidenen in 8Hem bzegenen en zich in Hem roemen.
4 Bewijzende daarmede dat gij Mij kent en eert als uw enigen God, en dat oprechtelijk, zonder valsheid of huichelarij. Vgl. Jer. 5:2. verwijsteksten
a Jes. 48:1. verwijsteksten
5 Deze drie dingen begrijpen hetgeen tot den heiligen eed en den godsdienst vereist wordt, ten opzichte van God, den mens zelven en zijn naaste, zo in het gemeen als in een particulier beroep. Vgl. de voorgaande aant. en Gen. 18 op vers 19. 1 Kon. 10 op vers 9. verwijsteksten
6 Of: oordeel.
7 Die nu met u en Mij spotten, omdat gij u zo schandelijk gedraagt, dat Ik u zelfs door de heidenen moet straffen om de eer Mijns Naams.
8 Namelijk den HEERE; ziende uw godzaligheid en daarop Gods beloofden zegen over u, zullen zij genodigd worden om zich tot den waren God te bekeren, en bij Hem alleen hun welvaart te zoeken, Hem alleen die toe te schrijven, en zich in Hem gelukzalig te achten. Vgl. Gen. 22 op vers 18. Deut. 29:19. Ps. 10:3; 49:19, 20. verwijsteksten
b Gen. 22:18. verwijsteksten
 
3 Want zo zegt de HEERE tot de 9mannen van Juda en tot 10Jeruzalem: 11Braakt ulieden een braakland, en zaait niet onder de 12doornen.
9 Hebr. den man, dat is, de mannen, of een iegelijk, of die van Juda. Alzo vers 4. Jer. 11:9; 17:25; 18:11; 32:32, enz. verwijsteksten
10 Dat is, inwoners van Jeruzalem, als vers 4. verwijsteksten
11 Gelijk men een braakland of driesland opnieuw wel doorploegt en zuivert, opdat het daarna bekwaam zij om het goede zaad te ontvangen en goede vruchten te dragen, alzo zuivert gij u grondiglijk van onreinheden, en wordt vernieuwd, als een nieuwe creatuur, en trekt aan den nieuwen mens, enz. Vgl. Gal. 6:15. Ef. 4:22, 23, 24. Hebr. 6:7. verwijsteksten
12 Vgl. Matth. 13:7, 22. verwijsteksten
 
4 13Besnijdt u den HEERE en doet weg de voorhuiden uws charten, gij mannen van Juda en inwoners van Jeruzalem, opdat Mijn grimmigheid niet uitvare als een d14vuur, en brande, dat niemand blussen kunne, vanwege de boosheid uwer handelingen.
13 Zie Deut. 10 op vers 16; 30 op vers 6, en wijders Genesis 17. Jer. 9:26. verwijsteksten
c Deut. 10:16; 30:6. verwijsteksten
d Jes. 65:5. verwijsteksten
14 Vgl. Deut. 4 op vers 24. verwijsteksten
 
Het onheil dreigt
5 Verkondigt in Juda en laat het horen te Jeruzalem en zegt het, ja, blaast de bazuin in het land; roept met 15volle stem en zegt: Verzamelt ulieden en laat ons ingaan in de vaste 16steden.
15 Hebr. roept, vervult. Van zulke samenvoeging van twee woorden zie Ps. 45 op vers 5. De zin is: Roept ten volle uit, overal, dat alle plaatsen met uitroeping vervuld worden. Anders: roept, vergadert, of legt, maakt een volle vergadering, opdat het elkeen hore en wete, want het zal een algemene ellende zijn in het ganse land. verwijsteksten
16 Tegen des vijands aankomst. Hebr. steden der vesting.
 
6 Werpt de banier op 17naar Sion, vlucht 18met hopen, blijft niet staan, want Ik breng een 19kwaad aan van het 20noorden, en een grote 21breuk.
17 Tot een teken dat zij allen moeten vluchten naar Jeruzalem, als een koninklijke vesting.
18 Of: sterkelijk, sterkt u tot de vlucht; alzo Jes. 10:31. Jer. 6:1. Anders: hoopt u tezamen, vergadert u, kuddet u (om zo te spreken), als Ex. 9:19. Te weten om met allen man te vluchten. Het Hebreeuwse woord (dat in de voorgemelde plaatsen gevonden wordt) heeft de betekenis van vluchten, vertrekken, zich elders heen begeven, en van vergaderen. verwijsteksten
19 Dat is, groot ongeluk, jammer en ellende, als de laatste woorden van dit vers verklaren.
20 Uit Chaldea, of Babylonië.
21 Of: verbreking, dat is, ellende, jammer, verderf, verwoesting, als vers 20. Jer. 6:1, 14; 8:11, 21; 10:19; 14:17. Vgl. ook Jer. 17:18; 22:20; 48:3, 4, 5, en elders dikwijls in dit boek. Alzo Jes. 1:28, enz. verwijsteksten
 
7 De e22leeuw is opgekomen uit zijn haag en de verderver der heidenen is opgetrokken, hij is uitgegaan uit zijn plaats, om 23uw land te stellen in verwoesting; uw steden zullen fverstoord worden, dat er niemand in wone.
e Jes. 5:29. Jer. 2:15; 5:6. verwijsteksten
22 Nebukadnezar, koning van Babel, zal met zijn heirkracht, als een leeuw uit zijn leger en hol, opbreken. Vgl. Jes. 5:26, 27, 28, 29. verwijsteksten
23 O Sion, of Jeruzalem, uit het voorgaande.
f Jer. 2:15. verwijsteksten
 
8 Hierom, gordt 24zakken aan, gbedrijft misbaar en huilt; want de hittigheid van des HEEREN toorn is niet van ons afgekeerd.
24 Zie Gen. 37 op vers 34. verwijsteksten
g Jes. 32:12. verwijsteksten
 
9 En het zal te dien tijde geschieden, spreekt de HEERE, dat het hart des konings en het hart der vorsten 25vergaan zal; en de priesters zullen zich ontzetten en de 26profeten zich verwonderen.
25 Dat is, alle moed en courage zal hun ontvallen. Zie 2 Koningen 25, enz. Jeremia 39; 52. verwijsteksten
26 De valse. Zie de volgende aant. op vers 10. verwijsteksten
 
10 Toen zeide ik: Ach Heere HEERE, waarlijk, Gij hebt dit volk en Jeruzalem 27grotelijks bedrogen, zeggende: Gijlieden zult vrede hebben; daar het zwaard tot aan de 28ziel raakt.
27 Hebr. bedriegende bedrogen, te weten door de valse profeten, dien Gij toelaat het volk onder voorwendsel van Uw Naam en dienst, alle welvaart valselijk te beloven, daar toch de uiterste ellende voorhanden is. Vgl. 1 Kon. 22:21, 22, 23 en de aantt. aldaar. Insgelijks Jer. 6:14; 7:4, 10; 23:1. Ez. 14:9. verwijsteksten
28 Vgl. vers 18. verwijsteksten
 
11 Te dien tijde zal tot dit volk en tot Jeruzalem gezegd worden: Een 29dorre wind van de hoge plaatsen in de woestijn, 30des weegs der dochter Mijns volks; niet om te wannen, noch om te 31zuiveren.
29 Of: schrale. Anders: gladde, dat is, die glad en onverhinderd zal doorgaan, om alles neder te vellen; versta de Babyloniërs, die van het noorden zouden komen, over het gebergte van Libanon. Zie vers 15. verwijsteksten
30 Dat is, naar het Joodse land en Jeruzalem.
31 Maar om te verwoesten, wil de Heere zeggen.
 
12 Er zal Mij een wind komen die hun 32te sterk zal zijn. Nu zal Ik ook 33oordelen tegen hen uitspreken.
32 Hebr. vol, dat is, te sterk, zodat zij hem niet zullen kunnen verdragen en tegenstaan. Hebr. voller dan zij. Anders: een volle wind van die plaatsen, te weten die in het voorgaande zijn beschreven.
33 Dat is, Mijn vonnissen of sententiën over hen, dat is, Ik zal recht over hen houden. Zie Jer. 1:16. Een ander gebruik van deze manier van spreken hebt gij Jer. 12:1. verwijsteksten
 
13 Zie, 34hij komt op als wolken en zijn wagens zijn als een wervelwind, zijn paarden zijn 35sneller dan arenden; 36wee ons, want wij zijn verwoest.
34 De Babyloniër zal u zo haastig aankomen als wolken, enz.
35 Hebr. lichter.
36 Woorden van de Joden, als gevoelende Gods oordeel; of van den profeet, als beklagende des volks ellende.
 
14 hWas uw hart van boosheid, o Jeruzalem, opdat gij behouden wordt; hoe lang zult gij de 37gedachten uwer ijdelheid in het binnenste van u laten 38vernachten?
h Jes. 1:16. verwijsteksten
37 Dat is, uw ijdele gedachten, waarmede gij u op ijdelheid en valsheid of ongerechtigheid verlaat.
38 Of: herbergen, verblijven.
 
15 Want een stem 39verkondigt van 40Dan af, en doet ellende horen van het 41gebergte van Efraïm.
39 De aankomst der Babyloniërs, die vandaar door Israël naar Juda toetrekken.
40 De uiterste grenzen van Kanaän in het noorden.
41 De binnenste grens van Israël, in het noorden van Juda.
 
16 Vermeldt den volken, zie, doet het horen 42tegen Jeruzalem; daar komen 43hoeders uit 44verren lande; en zij 45verheffen hun stem tegen de steden van Juda.
42 Of: tot aan, of: van.
43 Die Jeruzalem zullen bezetten, omringen, en wel toezien dat er niemand ontkome. Zie 2 Kon. 25:4, 5. verwijsteksten
44 Babylonië.
45 Hebr. geven, dat is, maken een geschrei, als Jer. 2:15. verwijsteksten
 
17 Als de 46wachters der velden zijn zij rondom tegen 47haar, omdat 48zij tegen Mij wederspannig geweest is, spreekt de HEERE.
46 Die de velden bezetten, opdat het gejaagde wild nergens ontkome.
47 Belegerende Jeruzalem aan alle kanten, 2 Kon. 25:1, enz. verwijsteksten
48 Jeruzalem, uit vers 14. verwijsteksten
 
18 Uw 49weg en uw handelingen hebben u 50deze dingen gedaan; dit is uw 51boosheid, dat 52het zo bitter is, dat het tot aan uw hart raakt.
49 Dat is, uw kwaad wezen en doen. Zie Gen. 6 op vers 12. verwijsteksten
50 Veroorzaken al deze plagen.
51 Dat is, de vrucht en het loon uwer boosheid.
52 Anders: daarom is het zo bitter, te weten het lijden dat u naakt. Anders: dat hij (de vijand) zo bitter is, en u naar het leven tracht, en uw staat gans zoekt om te keren. Vgl. vers 10. verwijsteksten
 
19 53O mijn iingewand, mijn ingewand! Ik heb barenswee, o 54wanden mijns harten! Mijn hart maakt getier in mij, ik kan niet 55zwijgen; want gij, mijn ziel, hoort het geluid der bazuin en het krijgsgeschrei.
53 Dit zijn de woorden van den profeet, die zich voor den Heere ontstelt, alsof hij deze ellende voor ogen zag. Vgl. Jes. 15:5; 16:11; 21:3. verwijsteksten
i Jes. 21:4. Jer. 9:1. verwijsteksten
54 Of: in de wanden mijns harten, dat is, in mijn hartkolk, hartdeksel, in het binnenste, in mijn hart.
55 Of: stil zijn.
 
20 56Breuk op breuk wordt er uitgeroepen, want het ganse land is verstoord; haastelijk zijn mijn 57tenten verstoord, mijn gordijnen in een 58ogenblik.
56 Dat is, de ene ellende of verwoesting is niet gepasseerd, of men hoort terstond de tijding van een andere. Vgl. Ps. 42:8, en zie boven, vers 6. verwijsteksten
57 Dat is, woonplaatsen mijns volks.
58 Dat is, zeer haastelijk.
 
21 Hoe lang zal ik de banier zien, het geluid der bazuin horen?
22 Zekerlijk, Mijn volk is dwaas, Mij kennen zij niet; het zijn zotte kinderen en zij zijn niet verstandig; 59wijs zijn zij om kwaad te doen, maar 60goed te doen weten zij niet.
59 Arglistig en wel ervaren in het kwade. Vgl. 2 Sam. 13 op vers 3. verwijsteksten
60 Vgl. Amos 3:10. verwijsteksten
 
23 Ik zag het 61land aan, en zie, het was 62woest en ledig; ook naar den hemel, en zijn 63licht was er niet.
61 Het Joodse land.
62 Zie Gen. 1 op vers 2. Dit is een figuurlijke beschrijving en levendige vertoning van een algemene en schrikkelijke verwoesting en ruïnering van het Joodse land. verwijsteksten
63 Dat is, de hemel was donker en zwart. Vgl. vers 28. Jes. 5:30; 50:3. verwijsteksten
 
24 Ik zag de bergen aan, en zie, zij beefden; en al de heuvelen 64schudden.
64 Hebr. maakten zich licht, of snel, dat is, bewogen zich snellijk.
 
25 Ik zag, en zie, er was geen mens, en alle vogelen des hemels waren 65weggevlogen.
65 Hebr. eigenlijk: weggezworven, of weggevloden. Zie Jer. 9:10; 50:3. verwijsteksten
 
26 Ik zag, en zie, het 66vruchtbare land was een woestijn, en al 67zijn steden waren afgebroken, vanwege 68den HEERE, vanwege de hittigheid Zijns toorns.
66 Hebr. karmel. Zie Jer. 2 op vers 7. verwijsteksten
67 Van het vruchtbare land, die daarin of -aan gelegen waren.
68 Hebr. vanwege het aangezicht des Heeren. Hetwelk enigen nemen voor Zijn toorn, Zijn toornig aangezicht. Zie Jer. 3 op vers 12. verwijsteksten
 
27 Want zo zegt de HEERE: Dit ganse land zal een 69woestheid zijn (doch Ik zal geen k70voleinding maken);
69 Dat is, overal zeer verwoest.
k Jer. 5:10, 18; 30:11; 46:28. verwijsteksten
70 Of: vernieling, vertering. Vgl. Jer. 5:10, 18. Ez. 11:13; 20:17. Dat is, Ik zal het niet gans uitmaken, maar Mijn genade nog onder Mijn toorn mengen, en Mij een overblijfsel en zaad behouden in Jakob. Zie Jer. 30:11; 46:28. Dit voegt God hier in, onder deze schrikkelijke dreigementen, tot troost der uitverkorenen en gelovigen. Sommigen verstaan dat de zin dezer woorden is: Het zal hiermede nog niet gedaan zijn; Mijn toorn en oordeel zal hiermede nog geen einde hebben, maar wijders voortgaan, en lang duren over dit land, waarop zij dan passen den rouw der aarde en des hemels, waarvan in het volgende. Deze manier van spreken wordt in een anderen zin gebruikt van zondaars die ten uiterste misdaan en de maat vervuld hebben. Zie Gen. 18 op vers 21. verwijsteksten
 
28 Hierom zal de aarde treuren, en de hemel daarboven 71zwart zijn; omdat Ik het heb gesproken, Ik heb het voorgenomen en het zal Mij niet berouwen, en Ik zal Mij daarvan niet afkeren.
71 Als rouwdragende. Zie Ps. 35 op vers 14. verwijsteksten
 
29 Van het 72geroep der ruiters en boogschutters 73vluchten al de steden; zij gaan in de 74wolken en klimmen op de rotsen; al de steden zijn verlaten, zodat niemand in dezelve woont.
72 Hebr. stem.
73 Hebr. is al de stad of de ganse stad vluchtende, dat is, de stadslieden of inwoners der steden (als de volgende woorden uitwijzen) zullen vluchten, en zo in het volgende.
74 Dat is, op de hoogten der bergen, die tot aan de wolken raken, om zich aldaar te bergen. Anders: in dikke of dichte plaatsen, als bosschages, heggen.
 
30 Wat zult gij dan doen, 75gij verwoeste? Al 76kleeddet gij u met scharlaken, al versierdet gij u met gouden sieraad, al 77scheurdet gij uw ogen met blanketsel, zo zoudt gij u toch tevergeefs oppronken; de 78boelen versmaden u, zij zullen uw 79ziel zoeken.
75 Dochter Sions, als in het volgende vers, dat is, gij, die verstoord of verwoest zult worden.
76 Op zijn afgodisch en heidens, om uw vijanden te behagen en te vermurwen; gelijk de hoeren zich oppronken om de boelen te behagen.
77 Al versierdet en blankettet gij u zozeer en dikwijls, dat uw aangezicht of wangen daarvan kwamen te splijten en te scheuren.
78 De Babyloniërs, die u zoeken machtig te worden.
79 Dat is, u naar het leven staan. Zie 2 Sam. 4 op vers 8. verwijsteksten
 
31 Want ik hoor een stem als van een vrouw die in arbeid is, een benauwdheid als van een die in des eersten kinds noden is, de stem van de dochter Sions; zij 80hijgt, zij 81breidt haar handen uit, zeggende: O wee mij nu, want mijn ziel is moede vanwege 82de doodslagers.
80 Anders: kermt, klaagt, vanwege den overlast en de benauwdheid.
81 Als die plegen te doen die in groten rouw en de uiterste noden zijn.
82 De Babyloniërs.

Einde Jeremia 4