Statenvertaling.nl

sample header image

Jesaja 42 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Jesaja 42

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

De Knecht des HEEREN
1 ZIE, Mijn Knecht, Dien Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Denwelken Mijn ziel aeen welbehagen heeft. bIk heb Mijn Geest op Hem gegeven, Hij zal het recht den heidenen voortbrengen. a Matth. 3:17; 17:5. Ef. 1:6. b Jes. 11:2. Joh. 3:34. verwijsteksten
2 Hij zal niet schreeuwen, noch Zijn stem verheffen, noch Zijn stem op de straat horen laten.
3 Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken en de rokende vlaswiek, die zal Hij niet uitblussen; met waarheid zal Hij het recht voortbrengen.
4 Hij zal niet verdonkerd worden en Hij zal niet verbroken worden, totdat Hij het recht op aarde zal hebben besteld; en de eilanden zullen naar Zijn leer wachten.
5 Alzo zegt God de HEERE, Die de hemelen geschapen en dezelve uitgebreid heeft, Die de aarde uitgespannen heeft en wat daaruit voortkomt; Die den volke dat daarop is, den adem geeft, en den geest dengenen die daarop wandelen:
6 Ik, de HEERE, heb U geroepen in gerechtigheid, en Ik zal U bij Uw hand grijpen; en Ik zal U behoeden, en Ik zal U geven tot een Verbond des volks, tot een Licht der heidenen,
7 Om te openen de blinde ogen, om den gebondene uit te voeren uit de gevangenis, en uit het gevangenhuis hen die in duisternis zitten.
8 Ik ben de HEERE, dat is Mijn Naam; en cMijn eer zal Ik aan geen ander geven, noch Mijn lof den gesneden beelden. c Jes. 48:11. verwijsteksten
9 Zie, de voorgaande dingen zijn gekomen; en nieuwe dingen verkondig Ik; eer dat zij uitspruiten, doe Ik ulieden die horen.
10 dZingt den HEERE een nieuw lied, Zijn lof van het einde der aarde; gij die ter zee vaart, en al wat daarin is, gij eilanden en hun inwoners. d Ps. 33:3. verwijsteksten
11 Laat de woestijn en haar steden de stem verheffen, met de dorpen die Kedar bewoont; laat hen juichen die in de rotsstenen wonen, en van den top der bergen af schreeuwen.
12 Laat hen den HEERE de eer geven, en Zijn lof in de eilanden verkondigen.
13 De HEERE zal uittrekken als een held, Hij zal den ijver opwekken als een krijgsman; Hij zal juichen, ja, Hij zal een groot getier maken; Hij zal Zijn vijanden overweldigen.
14 Ik heb vanouds gezwegen, Ik heb Mij stilgehouden en Mij ingehouden; Ik zal uitschreeuwen als een die baart, Ik zal hen verwoesten en tezamen opslokken.
15 Ik zal bergen en heuvelen woest maken en al hun gras zal Ik doen verdorren, en Ik zal de rivieren tot eilanden maken en de poelen uitdrogen.
16 En Ik zal de blinden leiden door den weg dien zij niet geweten hebben, Ik zal hen doen treden door de paden die zij niet geweten hebben; Ik zal de duisternis voor hun aangezicht ten licht maken en ehet kromme tot recht; deze dingen zal Ik hun doen en Ik zal hen niet verlaten. e Jes. 40:3, 4. verwijsteksten
17 Maar die zich op gesneden beelden verlaten, die tot de gegoten beelden zeggen: Gij zijt onze goden; fdie zullen achterwaarts keren en met schaamte beschaamd worden. f Ps. 97:7. Jes. 1:29; 44:11; 45:16. verwijsteksten
 
Een zondig volk
18 Hoort, gij doven, en schouwt aan, gij blinden, om te zien.
19 Wie is er blind dan Mijn knecht, en doof gelijk Mijn bode dien Ik zend? Wie is blind gelijk de volmaakte, en blind gelijk de knecht des HEEREN?
20 Gij ziet wel vele dingen, maar ggij bewaart ze niet; ofschoon hij de oren opendoet, zo hoort hij toch niet. g Rom. 2:2, enz. verwijsteksten
21 De HEERE had lust aan hem om Zijner gerechtigheid wil; Hij maakte hem groot door de wet en Hij maakte hem heerlijk.
22 Maar nu is het een beroofd en geplunderd volk; zij zijn allen verstrikt in de holen en verstoken in de gevangenhuizen; zij zijn tot een roof geworden, en er is niemand die hen redt; tot een plundering, en niemand zegt: Geef ze weder.
23 Wie onder ulieden neemt zulks ter ore? Wie merkt op en hoort wat hierna zijn zal?
24 Wie heeft Jakob tot een plundering overgegeven, en Israël den rovers? Is het niet de HEERE, Hij tegen Wien wij gezondigd hebben? Want zij wilden niet wandelen in Zijn wegen en zij hoorden niet naar Zijn wet.
25 Daarom heeft Hij over hen uitgestort de grimmigheid Zijns toorns en de macht des oorlogs; en Hij heeft hen rondom in vlam gezet, doch zij merken het niet; en Hij heeft hen in brand gestoken, doch zij nemen het niet ter harte.

Einde Jesaja 42