Statenvertaling.nl

sample header image

Jesaja 36 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Jesaja 36

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Sanherib bedreigt Jeruzalem
1 EN het geschiedde in het veertiende jaar van den koning Hizkía, dat Sanherib, de koning van Assyrië, optoog tegen alle vaste steden van Juda, en nam ze in.
2 En de koning van Assyrië zond Rabsaké van Lachis naar Jeruzalem, tot den koning Hizkía, met een zwaar heir; en hij stond aan den watergang des oppersten vijvers, aan den hogen weg van het veld des vollers.
3 Toen ging tot hem uit Eljakim, de zoon van Hilkía, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier.
4 En Rabsaké zeide tot hen: Zegt nu tot Hizkía: Zo zegt de grote koning, de koning van Assyrië: Wat vertrouwen is dit, waarmede gij vertrouwt?
5 Ik mocht zeggen (doch het is een woord der lippen): Er is raad en macht tot den oorlog. Op wien vertrouwt gij nu, dat gij tegen mij rebelleert?
6 Zie, gij vertrouwt op dien agebroken rietstaf, op Egypte, op denwelken zo iemand leunt, zo zal hij in zijn hand gaan en die doorboren; alzo is Farao, de koning van Egypte, al dengenen die op hem vertrouwen. a Ez. 29:6, 7. verwijsteksten
7 Maar zo gij tot mij zegt: Wij vertrouwen op den HEERE onzen God; is Hij Die niet, Wiens hoogten en Wiens altaren Hizkía weggenomen heeft, en tot Juda en tot Jeruzalem gezegd heeft: Voor dit altaar zult gij u nederbuigen?
8 Nu dan, wed toch met mijn heer, den koning van Assyrië, en ik zal u tweeduizend paarden geven, zo gij voor u de ruiters daarop zult kunnen geven.
9 Hoe zoudt gij dan het aangezicht van een enigen vorst, van de geringste knechten mijns heren, afkeren? Maar gij vertrouwt op Egypte, om de wagens en om de ruiters.
10 En nu, ben ik zonder den HEERE opgetogen tegen dit land om dat te verderven? De HEERE heeft tot mij gezegd: Trek op tegen dat land en verderf het.
11 Toen zeide Eljakim en Sebna en Joah tot Rabsaké: Spreek toch tot uw knechten in het Syrisch, want wij verstaan het wel; en spreek niet met ons in het Joods voor de oren des volks dat op den muur is.
12 Maar Rabsaké zeide: Heeft mijn heer mij tot uw heer en tot u gezonden om deze woorden te spreken? Is het niet tot de mannen die op den muur zitten, dat zij met ulieden hun drek eten en hun water drinken zullen?
13 Alzo stond Rabsaké en riep met luider stem in het Joods, en zeide: Hoort de woorden des groten konings, des konings van Assyrië.
14 Alzo zegt de koning: Dat Hizkía u niet bedriege, want hij zal u niet kunnen redden.
15 Daartoe, dat Hizkía u niet doe vertrouwen op den HEERE, zeggende: De HEERE zal ons zekerlijk redden; deze stad zal niet in de hand des konings van Assyrië gegeven worden.
16 Hoort naar Hizkía niet; want alzo zegt de koning van Assyrië: Handelt met mij door een geschenk en komt tot mij uit, en eet een ieder van zijn wijnstok en een ieder van zijn vijgenboom, en drinkt een ieder het water zijns bornputs;
17 Totdat ik kom en u haal in een land als ulieder land is, een land van koren en van most, een land van brood en van wijngaarden.
18 Dat Hizkía ulieden niet verleide, zeggende: De HEERE zal ons redden. Hebben de goden der volken een ieder zijn land gered uit de hand des konings van Assyrië?
19 Waar zijn de goden van Hamath en Arpad? Waar zijn de goden van Sefarváïm? Hebben zij ook Samaría van mijn hand gered?
20 Welke zijn ze onder al de goden dezer landen, die hun land uit mijn hand gered hebben, dat de HEERE Jeruzalem uit mijn hand redden zou?
21 Doch zij zwegen stil en antwoordden hem niet één woord; want het gebod des konings was, zeggende: Gij zult hem niet antwoorden.
22 Toen kwam Eljakim, de zoon van Hilkía, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier, tot Hizkía met gescheurde klederen; en zij gaven hem de woorden van Rabsaké te kennen.

Einde Jesaja 36