Statenvertaling.nl

sample header image

Inleiding Jesaja – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

De profeet Jesaja

Kort bericht van de profetische schriften in het gemeen, en in het bijzonder van den profeet Jesaja

MEEST al de overzetters onder de Christenen volgen deze orde, dat zij na de boeken van den koning Salomo stellen de boeken der profeten (alhoewel de Joden deze orde niet volgen), waaronder hier verstaan worden, niet in het gemeen de leraars en uitleggers der verborgenheden Gods (gelijk dat woord wel gebruikt wordt Rom. 12:7. 1 Kor. 14:1, 3, 32, 39. 1 Thess. 5:20), ook niet al de bijzondere en extra-ordinaire leraars, van God bij oprichting of verval der kerk gezonden (hoedanigen van Mozes af velen geweest zijn, dewelke ook eertijds zieners genoemd werden, 1 Sam. 9:9), maar alleen die profeten welker profetische boeken of schriften elkander hier in orde volgen, en van God den Heere, nevens de andere voorgaande canonieke boeken, aan Zijn kerk zijn overgeleverd, en door Zijn genade zeer wonderbaarlijk, ten beste derzelve, tot nog toe voor ondergang bewaard, tegen alle listen van den duivel, de tirannen en de valse leraars en hun aanhangers.
Deze profeten zijn zestien in getal, namelijk vier grote en twaalf kleine; het zijn altemaal heilige mannen, die door den Geest Gods gedreven werden, en het volk predikende, de afgoderij en menigerlei andere zonden bestraften, en den wil des Heeren met allerlei vermaning en vertroosting openbaarden, ook vele toekomende dingen verkondigden, zo van straffen, beide over Gods volk en over de vijanden, alsook van de verlossing der kerk, niet alleen lichamelijk en tijdelijk, maar ook en voornamelijk geestelijk en eeuwig, door den Messias, op Welken zij allen voornamelijk zien, Hem naar Zijn Persoon, ambt, Rijk en weldaden zeer klaarlijk beschrijvende (vgl. Hand. 3:24; 10:43. Rom. 10:4, enz.); gebruikende mede verscheidene gezichten, exempelen, gelijkenissen, voorbeelden en figuurlijke redenen, in hun bestraffingen en vertroostingen; en dikwijls van toekomende dingen sprekende meer in den verleden en tegenwoordigen dan in den toekomenden tijd, ten aanzien van de zekerheid der zaken, als zullende voorzeker geschieden, omdat God zulks in Zijn raad besloten en Zijn profeten geopenbaard had. Van deze hun predicatiën die zij tot het volk deden, hebben zij door Gods bevel en ingeven des Heiligen Geestes het geheel in deze hun profetische boeken gesteld en der gemeente ter hand gesteld, opdat zij dezelve des te beter zouden mogen in acht nemen; en zijn ons ook nog in het Nieuwe Testament gerecommandeerd, Luk. 16:29; 24:25, 26, 27. Joh. 5:39. Hand. 26:22. 2 Petr. 1:19, gelijk er ook verscheidene plaatsen uit hun schriften in het Nieuwe Testament door onzen Heere CHRISTUS, de evangelisten en apostelen worden aangehaald. Het waren mannen vol van den Geest Gods, vol van wetenschap en van ijver, tot onderhouding en voortplanting der ware en bestraffing der valse religie; welsprekend, vrijmoedig en onversaagd om uit te richten de lasten en bevelen des Heeren, zonder te schromen voor koningen of tirannen. Hun ambt en bediening was onderscheiden van het ambt der priesters en Levieten, die ordinairlijk het volk de wet verklaarden en de dagelijkse offeranden deden; maar de profeten waren mannen extraordinairlijk van God beroepen, dan uit dezen, dan uit genen stam, inzonderheid in die tijden in dewelke de priesters en Levieten hun ambt naar behoren niet bedienden.
Onder de grote profeten is de profeet Jesaja de eerste, ook wel de voornaamste, zo ten aanzien der voortreffelijke materiën die hij verhandelt, alsook ten aanzien van den uitmuntenden, treffelijken, hogen stijl dien hij doorgaans gebruikt. In dit zijn boek verhandelt hij in de eerste twaalf hoofdstukken verscheidene stukken die eigenlijk het volk van Israël betreffen, hetwelk hij vrijmoediglijk bestraft, treffelijk onderwijst, ernstiglijk vermaant en beweeglijk troost. Van het dertiende hoofdstuk tot het negen en twintigste worden beschreven de profetieën die de vreemde of uitheemse natiën, vijanden van Gods volk, alsook de tien stammen Israëls, die zich van Juda hadden afgescheurd, aangaan, verkondigende denzelven zeer zware straffen; nochtans daaronder vermengende zeer troostelijke beloften der genade Gods voor de boetvaardigen, dewelke zij om des Messias’ wil zouden deelachtig worden. Van het negen en twintigste hoofdstuk tot het zes en dertigste wordt gesproken van de verwoesting der stad Jeruzalem door de Babyloniërs, en de gevangenis of wegvoering van het Joodse volk uit hun land naar Babylonië; waaronder mede vermengd worden treffelijke en schone vertroostingen van het Rijk van CHRISTUS. Van het zes en dertigste tot het veertigste wordt bij gelegenheid ingevoegd de historie van den koning Hizkia uit 2 Koningen 18 en uit 2 Kronieken 32. Van het veertigste tot het negen en veertigste toe voorzegt de profeet de toekomst van JEZUS CHRISTUS en de geestelijke verlossing Zijner kerk, afgebeeld door de verlossing der Joden uit de Babylonische gevangenis door den koning Kores; mitsgaders hun herstelling in hun vorigen staat. Voorts worden in het volgende tot aan het einde van het boek beschreven verscheidene zeer klare profetieën van den Persoon en het ambt van CHRISTUS, van Zijn Koninkrijk, hetwelk over de ganse wereld zou uitgebreid worden, van Zijn lijden en sterven en van Zijn verheerlijking, mitsgaders van de predicatie van het Heilig Evangelie, van de beroeping der heidenen, die door de predicatie van het Heilig Evangelie tot CHRISTUS zouden geroepen en aan Zijn volk toegevoegd worden; alsook van de grote weldaden die CHRISTUS Zijn uitverkorenen heeft verworven, en van de gelegenheid der kerke Gods, zo hier op aarde als in het toekomende leven. Dit alles beschrijft de profeet zo duidelijk en zo klaarlijk, dat hij meer schijnt te beschrijven een historie van dingen die geschied zijn, dan een voorzegging van toekomende dingen. Ten welken aanzien enige oude leraars geoordeeld hebben, dat Jesaja met recht zowel een evangelist als een profeet mag genoemd worden, ettelijke honderden jaren voor de komst van CHRISTUS in het vlees somtijds bijna zo duidelijk sprekende van den Persoon, het ambt en de wonderen van CHRISTUS als naderhand de apostelen en leraars des Nieuwen Testaments gedaan hebben.
 
Wat nu aangaat den persoon van den profeet Jesaja, het wordt daarvoor gehouden dat zijn vader Amoz geweest is de broeder van Azaria, den koning van Juda, zodat de profeet Jesaja geweest is een aanzienlijk persoon, van koninklijken stam, gelijk dan God de Heere te allen tijde tot het profetisch ambt beroepen heeft personen van allerlei conditiën, van hogen en lagen staat. Aangaande den tijd in welken de profeet Jesaja geprofeteerd heeft, daarvan wordt getuigd in het eerste vers van het eerste hoofdstuk, dat hij geprofeteerd heeft in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz, Hizkia, koningen van Juda. Als men berekent de jaren der regering dezer vier koningen, zo is daaruit af te leiden dat Jesaja gepredikt heeft ten minste zeven en veertig jaar, die beginnende in het laatste jaar van den koning Uzzia (in hetwelk hij het gezicht gezien heeft dat hij hfdst. 6 verhaalt) en eindigende met het veertiende jaar van den koning Hizkia, in hetwelk de gezanten van den koning van Babel tot hem gekomen zijn, als te zien is hfdst. 39 en 2 Koningen 20. Maar indien de profeet Jesaja geleefd heeft tot in de regering van den koning Manasse, door wiens bevel hij doorgezaagd en alzo gedood zou zijn (gelijk enigen schrijven), zo heeft hij meer dan zestig jaren lang gepredikt en geprofeteerd, en is dienvolgens tot een groten ouderdom gekomen.

Einde inleiding Jesaja