Statenvertaling.nl

sample header image

Psalm 90 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67 68 69 70 71 72 73 74 75 76 77 78 79 80 81 82 83 84 85 86 87 88 89 90 91 92 93 94 95 96 97 98 99 100 101 102 103 104 105 106 107 108 109 110 111 112 113 114 115 116 117 118 119 120 121 122 123 124 125 126 127 128 129 130 131 132 133 134 135 136 137 138 139 140 141 142 143 144 145 146 147 148 149 150
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst


Psalm 90

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Mozes lovende Gods voorzienigheid en macht, beschrijft de zwakheid, ellende en kortheid van het menselijk leven; God biddende dat Hij hem en allen mensen dezelve recht lere kennen.
 
Een gebed van Mozes
1 EEN1 gebed van Mozes, 2den man Gods.
Heere, Gij zijt ons geweest een 3Toevlucht 4van geslacht tot geslacht.
1 Men houdt het daarvoor, dat Mozes dit gebed gesproken heeft als het volk van Israël in de woestijn gezondigd had. Zie Numeri 14. verwijsteksten
2 Zie Deut. 33:1. Richt. 13:6. verwijsteksten
3 Te weten in al onze ellenden. Zie Ex. 33:14. Deut. 8:15; 33:27. Hebr. een Woning, Vertrek. verwijsteksten
4 Hebr. in geslacht en geslacht, dat is, bij alle geslachten, of tot alle tijden.
 
2 5Eer de bergen geboren waren, en Gij de aarde en de wereld voortgebracht hadt, ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God.
5 Dat is, eer de bergen als uit den afgrond getogen waren. Zie gelijke wijze van spreken Gen. 2:4. Job 15:7; 38:28, 29. Jes. 51:2. verwijsteksten
 
3 Gij doet den mens 6wederkeren tot verbrijzeling, en zegt: 7Keert weder, gij mensenkinderen.
6 Dat is, tot zulken staat, dat hij vergruisd en als gereven wordt zo klein als stof. Zie Gen. 3:19. verwijsteksten
7 Te weten het lichaam ter aarde, Ps. 146:4; en de geest tot God, Pred. 12:7. verwijsteksten
 
4 8Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is, en 9als een nachtwake.
8 Hij wil zeggen: Ofschoon iemand duizend jaar leefde, zo moet hij toch sterven, en Gij neemt hem het leven zo licht alsof hij maar een dag of een week geleefd had, 2 Petr. 3:8. Anders: Maar duizend jaren, enz., ziende op vers 2, om uit te drukken het onderscheid dat er is tussen den sterfelijken mens en den eeuwigdurenden God. verwijsteksten
9 Hebr. als de wacht in den nacht; dat is, een vierde part van een nacht, want de nacht placht in vier waken gedeeld te worden. Zie Mark. 13:35. Joh. 11:9. verwijsteksten
 
5 10Gij overstroomt hen, zij zijn gelijk een slaap; 11in den morgenstond zijn zij gelijk het gras dat verandert;
10 Alsof hij zeide: Zo subiet als een watervloed wegrukt en afspoelt al wat hij ontmoet.
11 Hij wil zeggen: De mensen zijn nauwelijks geboren, of zij vergaan terstond, verstaande door den morgenstond de jeugd of kindse jaren.
 
6 In den morgenstond bloeit het en 12het verandert; des avonds wordt het afgesneden en het verdort.
12 Dat is, het wordt vernieuwd in schoonheid. Vgl. Job 14:7. Jes. 40:31. Sommigen nemen het van de haastige verandering tot verderf. verwijsteksten
 
7 Want wij vergaan 13door Uw toorn, en door Uw grimmigheid worden wij verschrikt.
13 Die vanwege onze zonden over ons ontstoken is.
 
8 Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze 14heimelijke zonden 15in het licht Uws aanschijns.
14 Die voor de ogen der mensen verborgen zijn, en die wij dikwijls zelve niet weten of achten. Zie Job 20:11. Ps. 19:13. verwijsteksten
15 Te weten, hebt Gij hen gesteld dat zij klaarlijk voor Uw aangezicht blijken. Zie Ps. 51:11. 1 Kor. 4:5. Hebr. 4:13. verwijsteksten
 
9 Want al onze dagen 16gaan heen door Uw verbolgenheid; wij brengen onze jaren door 17als een gedachte.
16 Anders: wenden zich.
17 Dat is, zeer snellijk. Anders: als een woord, hetwelk een geluid is dat niet duurt, maar het verdwijnt haastelijk in de lucht.
 
10 Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn 18zeventig jaar; of zo wij 19zeer sterk zijn, tachtig jaar; en 20het uitnemendste van die 21is moeite en verdriet; want het wordt snellijk afgesneden, en wij vliegen daarheen.
18 Te weten gemeenlijk, ofschoon sommige mensen langer leven.
19 Hebr. in sterkten, te weten wanneer iemand zeer sterk van natuur is.
20 Anders: de hoogmoed of stoutigheid van dien; dat is, hetgeen waarop men stout en moedig is, te weten de sterkte des levens.
21 Dat is, als men in het best van zijn leven is, eer nog de oude dagen komen, zo is men al veel moeite en verdriet in deze wereld onderworpen.
 
11 22Wie kent de sterkte Uws toorns, en Uw verbolgenheid 23naar dat Gij te vrezen zijt?
22 Te weten alzo, dat hij zorg draagt hoe hij van Uw toorn ontslagen mocht worden. Of: die zich wacht U met zijn zonden te vertoornen.
23 Hebr. naar Uw vrezen, dat is, naar dat Gij te vrezen of vreselijk zijt.
 
12 Leer ons 24alzo onze dagen tellen, 25dat wij 26een wijs hart bekomen.
24 Anders: recht tellen. Alzo wordt het Hebreeuwse woord genomen Num. 27:7. 2 Kon. 7:9. verwijsteksten
25 Dat is, dat wij recht verstaande Uw gramschap tegen de zonde, U leren vrezen en den korten tijd onzes levens besteden tot Uw dienst, Job 28:28. verwijsteksten
26 Hebr. een hart der wijsheid aanbrengen of toebrengen.
 
13 Keer weder, HEERE, 27tot hoelange? En 28het berouwe U 29over Uw knechten.
27 Te weten vertoeft Gij; of: zal het duren dat Gij U van ons wendt. Of: eer Gij ons verlost. Zie Ps. 6:4. verwijsteksten
28 Anders: heb berouw. Zie Gen. 6:6. Versta hierbij: dat Gij ons zo zwaarlijk geslagen hebt. verwijsteksten
29 Dat is, over ons, die Uw knechten of Uw volk zijn.
 
14 Verzadig ons 30in den morgenstond met Uw goedertierenheid, zo zullen wij juichen en verblijd zijn 31in al onze dagen.
30 Alsof hij zeide: Bewijs ons vroeg Uw goedertierenheid, na den duisteren nacht der verdrukking.
31 Dat is, al de dagen onzes levens.
 
15 Verblijd ons 32naar de dagen in dewelke Gij ons gedrukt hebt; naar de jaren in dewelke wij het kwaad 33gezien hebben.
32 De zin is: Gelijk Gij ons langen tijd hebt bedroefd met zware plagen, verheug ons weder alzo in de toekomende tijden met Uw genadige hulp.
33 Dat is, gevoeld en geleden hebben, als Ps. 16:10; 89:49. Zie ook Ps. 4:7. verwijsteksten
 
16 Laat 34Uw werk aan Uw knechten 35gezien worden, en 36Uw heerlijkheid 37over hun kinderen.
34 Dat is, de volkomen verlossing uit al onze ellenden.
35 Of: verschijnen.
36 Dat is, de verlossing door dewelke Uw heerlijkheid openbaar gemaakt worde; te weten Uw macht, goedertierenheid en wijsheid.
37 Dat is, over hun nakomelingen, volgens het verbond met hun vaderen opgericht.
 
17 En 38de lieflijkheid des HEEREN onzes Gods zij over ons; en 39bevestig Gij het werk onzer handen over ons, ja, het werk onzer handen, bevestig dat.
38 Of: dat ook de HEERE onze God een lust aan ons hebbe.
39 Dat is, regeer al ons voornemen en doen alzo, dat het van nu voortaan altoos door Uw genade vast en bestendig blijve; want zonder God vermogen wij niet, Joh. 15:5. Jak. 1:17. verwijsteksten

Einde Psalm 90