Psalm 78 – Statenvertaling met kanttekeningen

Statenvertaling.nl

sample header image

Psalm 78 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67 68 69 70 71 72 73 74 75 76 77 78 79 80 81 82 83 84 85 86 87 88 89 90 91 92 93 94 95 96 97 98 99 100 101 102 103 104 105 106 107 108 109 110 111 112 113 114 115 116 117 118 119 120 121 122 123 124 125 126 127 128 129 130 131 132 133 134 135 136 137 138 139 140 141 142 143 144 145 146 147 148 149 150
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Psalm 78

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Gods leiding met Zijn volk Israël
1 EEN onderwijzing van Asaf.
O mijn volk, neem mijn leer ter ore, neigt ulieder oor tot de redenen mijns monds.
2 aIk zal mijn mond opendoen met spreuken; ik zal verborgenheden overvloediglijk uitstorten van oudsher, a Ps. 49:5. Matth. 13:35. verwijsteksten
3 Die wij gehoord hebben en weten ze, en onze vaders ons verteld hebben.
4 Wij zullen het niet verbergen voor hun kinderen, voor het navolgende geslacht, vertellende de loffelijkheden des HEEREN, en Zijn sterkheid en Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft.
5 bWant Hij heeft een getuigenis opgericht in Jakob, en een wet gesteld in Israël, die Hij onzen vaderen geboden heeft, dat zij ze hun kinderen zouden bekendmaken, b Deut. 4:9; 6:7. verwijsteksten
6 Opdat het navolgende geslacht die weten zou, de kinderen die geboren zouden worden; en zouden opstaan en vertellen ze hun kinderen;
7 En dat zij hun hoop op God zouden stellen en Gods daden niet vergeten, maar Zijn geboden bewaren;
8 En dat zij niet zouden worden gelijk hun vaders, een cwederhorig en wederspannig geslacht, een geslacht dat zijn hart niet richtte, en welks geest niet getrouw was met God. c Ex. 32:9; 33:3, 5; 34:9. Deut. 9:6, 13; 31:27. verwijsteksten
9 De kinderen van Efraïm, gewapende boogschutters, keerden om ten dage des strijds.
10 Zij hielden Gods verbond niet, en weigerden te wandelen in Zijn wet.
11 En zij vergaten Zijn daden, en Zijn wonderen, die Hij hun had doen zien.
12 Voor hun vaderen had Hij wonder gedaan, in Egypteland, in het veld van Zoan.
13 dHij kliefde de zee en deed er hen doorgaan; en de wateren deed Hij staan als een hoop. d Ex. 14:21. verwijsteksten
14 eEn Hij leidde hen des daags met een wolk, en den gansen nacht met een licht des vuurs. e Ex. 13:21. Ps. 105:39. verwijsteksten
15 fHij kloofde de rotsstenen in de woestijn, en drenkte hen overvloedig, als uit afgronden. f Ex. 17:6. Num. 20:11. Ps. 105:41. 1 Kor. 10:4. verwijsteksten
16 Want Hij bracht stromen voort uit de steenrots, en deed de wateren afdalen als rivieren.
17 Nog voeren zij wijders voort tegen Hem te zondigen, verbitterende den Allerhoogste in de dorre wildernis.
18 En zij verzochten God in hun hart, begerende spijze naar hun lust,
19 gEn zij spraken tegen God; zij zeiden: Zou God een tafel kunnen toerichten in de woestijn? g Num. 11:1, 4. verwijsteksten
20 hZie, Hij heeft den rotssteen geslagen, dat er wateren uitvloeiden en beken overvloediglijk uitbraken; zou Hij ook brood kunnen geven? Zou Hij Zijn volk vlees toebereiden? h Ex. 17:6. Num. 20:11. verwijsteksten
21 iDaarom hoorde de HEERE en werd verbolgen; en een vuur werd ontstoken tegen Jakob, en toorn ging ook op tegen Israël, i Num. 11:1, enz. verwijsteksten
22 Omdat zij in God niet geloofden, en op Zijn heil niet vertrouwden;
23 Daar Hij den wolken van boven gebood, en de deuren des hemels opende,
24 kEn regende op hen het Man om te eten, en gaf hun hemels koren. k Ex. 16:14. verwijsteksten
25 lEen iegelijk at het brood der machtigen; Hij zond hun teerkost tot verzadiging. l Joh. 6:31. 1 Kor. 10:3. verwijsteksten
26 mHij dreef den oostenwind voort in den hemel, en voerde den zuidenwind aan door Zijn sterkte; m Num. 11:31. verwijsteksten
27 En regende op hen vlees als stof, en gevleugeld gevogelte als zand der zeeën;
28 En deed het vallen in het midden Zijns legers, rondom Zijn woningen.
29 Toen aten zij en werden zeer zat; zodat Hij hun hun lust toebracht.
30 Zij waren nog niet vervreemd van hun lust, hun spijze was nog in hun mond,
31 nAls Gods toorn tegen hen opging, dat Hij van hun vetsten doodde, en de uitgelezenen van Israël nedervelde. n Num. 11:33. 1 Kor. 10:5. verwijsteksten
32 Boven dit alles zondigden zij nog, en geloofden niet door Zijn wonderen.
33 Dies deed Hij hun dagen vergaan in ijdelheid, en hun jaren in verschrikking.
34 Als Hij hen doodde, zo vraagden zij naar Hem, en keerden weder, en zochten God vroeg,
35 En gedachten dat God hun Rotssteen was, en God de Allerhoogste hun Verlosser.
36 En zij vleiden Hem met hun mond, en logen Hem met hun tong.
37 Want hun hart was niet recht met Hem, en zij waren niet getrouw in Zijn verbond.
38 Doch Hij, barmhartig zijnde, verzoende de ongerechtigheid en verdierf hen niet; maar wendde dikwijls Zijn toorn af, en wekte Zijn ganse grimmigheid niet op.
39 En Hij dacht dat zij vlees waren, een wind die heengaat en niet wederkeert.
40 Hoe dikwijls verbitterden zij Hem in de woestijn, deden Hem smart aan in de wildernis!
41 Want zij kwamen alweder en verzochten God, en stelden den Heilige Israëls een perk.
42 Zij dachten niet aan Zijn hand, aan den dag toen Hij hen van den wederpartijder verloste;
43 Hoe Hij Zijn tekenen stelde in Egypte, en Zijn wonderheden in het veld van Zoan;
44 oEn hun vloeden in bloed veranderde, en hun stromen, opdat zij niet zouden drinken. o Ex. 7:20. verwijsteksten
45 pHij zond een vermenging van ongedierte onder hen, dat hen verteerde; en qvorsen, die hen verdierven. p Ex. 8:24. q Ex. 8:6. verwijsteksten
46 rEn Hij gaf hun gewas den kruidworm, en hun arbeid den sprinkhaan. r Ex. 10:13. verwijsteksten
47 sHij doodde hun wijnstok door den hagel, en hun wilde vijgenbomen door vurigen hagelsteen. s Ex. 9:23. verwijsteksten
48 Ook gaf Hij hun vee den hagel over, en hun beesten aan de vurige kolen.
49 Hij zond onder hen de hittigheid Zijns toorns, verbolgenheid en verstoordheid en benauwdheid, met uitzending der boden van veel kwaad.
50 Hij woog een pad voor Zijn toorn, Hij onttrok hun ziel niet van den dood, en thun gedierte gaf Hij aan de pestilentie over. t Ex. 9:6. verwijsteksten
51 vEn Hij sloeg al het eerstgeborene in Egypte, het beginsel der krachten in de tenten van Cham. v Ex. 12:29. verwijsteksten
52 En Hij voerde Zijn volk als schapen, en leidde hen als een kudde in de woestijn.
53 Ja, Hij leidde hen zekerlijk, zodat zij niet vreesden, xwant de zee had hun vijanden overdekt. x Ex. 14:27, 28; 15:10. verwijsteksten
54 En Hij bracht hen tot de landpale Zijner heiligheid, tot dezen berg, dien Zijn rechterhand verkregen heeft.
55 En Hij verdreef voor hun aangezicht de heidenen, en deed hen vallen yin het snoer hunner erfenis, en deed de stammen Israëls in hun tenten wonen. y Joz. 13:7. Ps. 136:21, 22. verwijsteksten
56 Maar zij verzochten en verbitterden God, den Allerhoogste, en onderhielden Zijn getuigenissen niet.
57 En zij weken terug en handelden trouwelooslijk, gelijk hun vaders; zij zijn omgekeerd als een bedrieglijke boog.
58 En zij verwekten Hem tot toorn door hun hoogten, zen verwekten Hem tot ijver door hun gesneden beelden. z Deut. 32:16, 21. verwijsteksten
59 God hoorde het en werd verbolgen, en versmaadde Israël zeer.
60 Dies verliet Hij den tabernakel te Silo, de tent die Hij tot een woning gesteld had onder de mensen.
61 aEn Hij gaf Zijn sterkte in de gevangenis, en Zijn heerlijkheid in de hand des wederpartijders. a 1 Sam. 4:10, 11. verwijsteksten
62 En Hij leverde Zijn volk over ten zwaarde, en werd verbolgen tegen Zijn erfenis.
63 Het vuur verteerde hun jongelingen, en hun jongedochters werden niet geprezen.
64 bHun priesters vielen door het zwaard, en hun weduwen weenden niet. b 1 Sam. 4:11, 18, 19. verwijsteksten
65 Toen ontwaakte de Heere als een slapende, als een held die juicht van den wijn.
66 cEn Hij sloeg Zijn wederpartijders aan het achterste, Hij deed hun eeuwige smaadheid aan. c 1 Sam. 5:6; 6:4. verwijsteksten
67 Doch Hij verwierp de tent van Jozef, en den stam van Efraïm verkoos Hij niet.
68 Maar Hij verkoos den stam van Juda, den berg Sion, dien Hij liefhad.
69 En Hij bouwde Zijn heiligdom als hoogten, als de aarde, die Hij gegrond heeft in eeuwigheid.
70 dEn Hij verkoos Zijn knecht David, en nam hem van de schaapskooien. d 1 Sam. 16:11. 2 Sam. 7:8. verwijsteksten
71 Van achter de zogende schapen deed Hij hem komen, eom te weiden Jakob, Zijn volk, en Israël, Zijn erfenis. e 2 Sam. 5:2. 1 Kron. 11:2. verwijsteksten
72 Ook heeft hij hen geweid naar de oprechtheid zijns harten, en heeft hen geleid met een zeer verstandig beleid zijner handen.

Einde Psalm 78