Statenvertaling.nl

sample header image

Psalm 69 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67 68 69 70 71 72 73 74 75 76 77 78 79 80 81 82 83 84 85 86 87 88 89 90 91 92 93 94 95 96 97 98 99 100 101 102 103 104 105 106 107 108 109 110 111 112 113 114 115 116 117 118 119 120 121 122 123 124 125 126 127 128 129 130 131 132 133 134 135 136 137 138 139 140 141 142 143 144 145 146 147 148 149 150
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Psalm 69

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

David (mitsgaders de Heere Christus onder zijn voorbeeld) klaagt tot God over zijn menigvuldig zwaar lijden, bidt vuriglijk om verlossing, geeft zijn verstokte vijanden over tot het rechtvaardig verderf, en prijst God voor de behoudenis Zijner kerk.
 
Een lijdenspsalm
1 EEN psalm van David, voor den 1opperzangmeester, op 2Schóschannim.
1 Zie Ps. 4 op vers 1. verwijsteksten
2 Zie Ps. 45 op vers 1. verwijsteksten
 
2 Verlos mij, o God, want de 3wateren zijn gekomen tot aan de ziel.
3 Dat is, overgrote gevaren dreigen mij het leven te benemen. Zie 2 Sam. 22 op vers 17. Alzo vss. 3, 15, 16. verwijsteksten
 
3 Ik ben gezonken in 4grondelozen modder, 5waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepten der wateren, en de vloed 6overstroomt mij.
4 Hebr. modder der grondeloosheid of diepte.
5 Hebr. en daar is (om zo te spreken) geen staanplaats, dat is, geen vastigheid, grond; ik zink er al dieper en dieper in.
6 Dat is, dreigt mij weg te rukken. Hier wordt gebruikt het woord schibboleth, waarvan Richt. 12 op vers 6. Alzo onder, vers 16. verwijsteksten
 
4 Ik ben vermoeid van mijn roepen, mijn keel is ontstoken, mijn ogen zijn bezweken, daar ik ben hopende op mijn God.
5 Die mij 7zonder oorzaak haten, zijn meer dan de haren mijns hoofds; die mij zoeken te 8vernielen, die mij om 9valse oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden; 10wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven.
7 Hebr. tevergeefs, om niet.
8 Hebr. die mij vernielen, dat is, zoeken te vernielen, uit te roeien, neder te smijten, die daarmede steeds bezig zijn, het schort aan hen niet, wil hij zeggen. Vgl. Ps. 56 op vers 2. verwijsteksten
9 Hebr. om leugen, valsheid.
10 David wil zeggen, dat hij, onschuldig zijnde, nochtans als een schuldige of misdadige wordt behandeld. Dit moet ook op Christus geduid worden, Die niet Zijn eigen, maar onze zonden heeft gedragen, Jes. 53:4, 5, 6, 7, 8. 1 Petr. 2:24; 3:18. Sommigen duiden het op den Heere Christus, in dezen zin, dat Hij het onrecht heeft moeten lijden, omdat Hij gezegd had dat Hij Gods Zoon was, daar Hij in der waarheid Gods eigen en eeuwige Zoon was, eenswezens met den Vader en geen geroofde Godheid hebbende. Zie Joh. 19:7. Filipp. 2:6. verwijsteksten
 
6 O God, Gij weet van mijn 11dwaasheid, en mijn schulden zijn voor U niet verborgen.
11 Of ik schuldig ben aan de zonden en boze stukken die zij mij ten laste leggen; het ongelijk dat zij mij aandoen, is U bekend. Alzo Job 16:18: aarde, bedek mijn bloed niet, te weten, indien ik het mocht vergoten hebben. Vgl. Ps. 38:6. verwijsteksten
 
7 Laat 12hen door mij niet beschaamd worden, die U verwachten, o Heere, HEERE der heirscharen; laat hen door mij niet te schande worden, die U zoeken, o God Israëls.
12 De vromen (wil hij zeggen), die het met mij houden en een goede uitkomst mijner zaak volgens Uw woord verwachten, en beschaamd zouden uitkomen, zo Gij mij verliet; nu is mijn zaak niet alleen hun zaak, maar ook Uw zaak, dewijl ik en zij ons tezamen aan U en Uw woord houden, daarom, enz.
 
8 Want om Uwentwil draag ik versmaadheid; schande heeft mijn aangezicht bedekt.
9 13Ik ben mijn broederen vreemd geworden, en onbekend aan mijner moeders kinderen.
13 Dat is, niemand wil mij kennen, zelfs ook niet mijn naaste vrienden. Vgl. Job 19:13, 14, 15, 16. Ps. 27:10 met de aantt. verwijsteksten
 
10 aWant de ijver 14van Uw huis heeft mij verteerd; en de smaadheden dergenen die U smaden, zijn op mij gevallen.
a Joh. 2:17. Rom. 15:3. verwijsteksten
14 Dat is, tot of voor Uw huis. Dit wordt geduid op onzen Heere Christus, Joh. 2:17. Rom. 15:3. verwijsteksten
 
11 En ik heb geweend 15in het vasten mijner ziel, maar het is mij geworden tot 16allerlei smaad.
15 Of: met. De zin is: Als ik mijn ziel of persoon met vasten pijnigde of kwelde. Vgl. Ps. 35:13. verwijsteksten
16 Hebr. smaadheden.
 
12 En ik heb een 17zak tot mijn kleed 18aangedaan, maar ik ben hun tot een spreekwoord geworden.
17 Zie Gen. 37 op vers 34. verwijsteksten
18 Hebr. gegeven.
 
13 Die in de poort 19zitten, klappen van mij; en ik ben een 20snarenspel dergenen die 21sterken drank drinken.
19 Waar men het gericht houdt en het volk bijeenkomt. Zie Gen. 22 op vers 17. verwijsteksten
20 Of: speellied. Zie Job 30:9 met de aant. verwijsteksten
21 Hebr. schechar. Zie Lev. 10 op vers 10. Dat is, der dronkaards. Hij wil zeggen, dat zij in hun drinkgelagen spotliederen van hem zongen en speelden. verwijsteksten
 
14 Maar 22mij aangaande, mijn gebed is tot U, o HEERE; er is een 23tijd des welbehagens, o God, door de 24grootheid Uwer goedertierenheid; verhoor mij door de 25getrouwheid Uws heils.
22 Alsof hij zeide: Ik weet in al deze mijn zwarigheden geen andere toevlucht dan tot U.
23 Besloten in Uw wijzen en zeer genadigen raad, waarin Gij de tijden en minuten hebt geordineerd, wanneer Gij metterdaad wilt en zult bewijzen wat gunst Gij Uw kinderen toedraagt. Anders: in den tijd des welbehagens verhoor mij, o God, naar, enz. Vgl. Jes. 49:8. 2 Kor. 6:2. verwijsteksten
24 Of: veelheid.
25 Dat is, heilzame trouw, die vereist dat Gij naar Uw beloften mij hoort en helpt.
 
15 Ruk mij uit het 26slijk en laat mij niet verzinken; laat mij gered worden van mijn haters, en uit de diepten der wateren.
26 Vgl. Job 30:19. Ps. 40:3. verwijsteksten
 
16 Laat mij den watervloed niet overstromen, en laat de diepte mij niet verslinden, en laat den put zijn mond over mij niet toesluiten.
17 Verhoor mij, o HEERE, want Uw goedertierenheid is 27goed; zie mij aan naar de 28grootheid Uwer barmhartigheden.
27 Dat is, lieflijk, nuttig, troostelijk. Vgl. Ps. 63:4. verwijsteksten
28 Of: veelheid.
 
18 En verberg Uw aangezicht niet van Uw knecht, want mij is bange; haast U, verhoor mij.
19 Nader tot mijn ziel, bevrijd ze; verlos mij 29om mijner vijanden wil.
29 Omdat zij zo wreed, bitter en onverzoenlijk zijn, of opdat zij geen roem over mijn ondergang dragen tot oneer van Uw heiligen Naam.
 
20 Gij weet 30mijn versmaadheid en mijn schaamte en mijn schande; al mijn benauwers zijn 31voor U.
30 Die ik van mijn vijanden moet lijden zonder mijn schuld. Vgl. vers 6. verwijsteksten
31 Zijn U bekend, voor Uw ogen niet verborgen.
 
21 De versmaadheid heeft mijn hart gebroken en ik ben zeer zwak; en ik heb gewacht naar medelijden, maar er is geen; en naar vertroosters, maar heb ze niet gevonden.
22 Ja, bzij hebben mij 32gal tot mijn spijze gegeven; en in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven.
b Matth. 27:34, 48. Mark. 15:23. Joh. 19:28, 29. verwijsteksten
32 Of: venijn, vergiftig kruid, iets dat bovenmate bitter en zeer schadelijk was. Zie Deut. 29:18; 32:32. Klgld. 3:19. Hos. 10:4. Amos 6:12. Door het water daarvan wordt bittere ellende beduid, Jer. 8:14; 9:15; 23:15. verwijsteksten
 
23 cHun 33tafel worde voor hun aangezicht tot een strik, en tot 34volle vergelding tot een valstrik.
c Rom. 11:9. verwijsteksten
33 Dat is, spijze, drank en wat tot des mensen onderhoud en verkwikking zou dienen; waarmede de goddelozen dikwijls tot hun verderf verstrikt en gevangen worden. Zie Rom. 11:9, en vgl. 2 Kor. 2:15, 16. Deze en de volgende gebeden en wensen zijn profetieën van lichamelijke en geestelijke, tijdelijke en eeuwige straffen, die den verstokten vijanden van God, van Zijn kerk, en bijzonderlijk van onzen Heere Jezus Christus, zouden overkomen. verwijsteksten
34 Hebr. vergeldingen; dat is, tot Gods volle wederwraak, van hetgeen zij in het voorgaande vers gezegd worden gedaan te hebben. Anders: hetgeen tot vrede of welstand zou dienen, worde, of: zij hun tot een val.
 
24 Laat hun dogen duister worden, dat zij niet zien; en doe hun 35lendenen geduriglijk waggelen.
d Jes. 6:9; 29:10; 44:18. Rom. 11:10. verwijsteksten
35 Dat zij onsterk en krachteloos zijn.
 
25 Stort over hen Uw gramschap uit, en de hittigheid Uws toorns 36grijpe hen aan.
36 Dat zij Uw toorn gevoelen.
 
26 eHun 37paleis zij verwoest, in hun tenten zij geen inwoner.
e Hand. 1:20. verwijsteksten
37 Of: burcht, kasteel, slot, heerlijke magnifieke bouwwerken.
 
27 Want zij vervolgen dien Gij 38geslagen hebt, en 39maken een praat van de smart 40Uwer verwonden.
38 Dat is, dien Gij Vaderlijk kastijdt en beproeft, dien zoeken zij voorts op het lijf te vallen en te vernielen. Vgl. wijders (onzen Heere Christus aangaande) Jes. 53:4, 5. Matth. 26:31. verwijsteksten
39 Dat is, zij schimpen en spotten daarmede.
40 Dat is, die Gij om Uwentwil, om Uws Naams wil, laat lijden. Vgl. vers 34, en aangaande de manier van spreken Ps. 37:22. verwijsteksten
 
28 41Doe misdaad tot hun misdaad, en laat hen niet komen tot Uw 42gerechtigheid.
41 Hebr. Geef, stel; dat is, laat hen vallen van de ene zonde in de andere, geef hen over in een verkeerden zin, enz. Zie Rom. 1:24, 28; 11:8. 1 Thess. 2:16. 2 Thess. 2:11. Insgelijks Matth. 23:32. Sommigen verstaan door misdaad de straf der misdaad; alsof hij zeide: Doe straf tot hun straf. verwijsteksten
42 Dat zij voor U niet worden gerechtvaardigd en vrijgesproken van hun zonden; zie Joh. 12:39, 40. Rom. 10:3. Filipp. 3:9; maar, niet gelovende, in hun zonden sterven, Joh. 8:24. verwijsteksten
 
29 Laat hen 43uitgedelgd worden uit het boek 44des levens, en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden.
43 Dat is (als de volgende woorden verklaren), doe blijken dat zij niet behoren tot het getal Uwer uitverkorenen en bij U daaronder niet zijn aangeschreven, hoewel zij bij zichzelven en andere mensen voor Uw volk worden gehouden en daaronder gerekend, maar snijd Gij hen af, enz. Alzo worden Job 39:20 ontbloten van wijsheid en des verstands niets mededelen door elkander verklaard. Zodat en hier bekwamelijk kan genomen worden voor dat is. Zie hiervan wijders Ex. 32 op vss. 32, 33, en vgl. Ps. 22:31; 87:6. Insgelijks Jes. 4:3. Ez. 13:9. Rom. 11:20. verwijsteksten
44 Of: der levenden.
 
30 Doch ik ben ellendig en in smart; Uw heil, o God, zette mij in een hoog vertrek.
31 Ik zal Gods Naam prijzen met gezang, en Hem met dankzegging grootmaken.
32 En het zal den HEERE 45aangenamer zijn dan een 46os of een gehoornde var, die de 47klauwen verdeelt.
45 Hebr. beter; dat is, bevalliger.
46 Dat is, offeranden van beesten. Zie Ps. 40:7; 50:13, 14, 15. verwijsteksten
47 Zie Lev. 11 op vers 3. verwijsteksten
 
33 De 48zachtmoedigen, dit gezien hebbende, zullen zich verblijden; en gij die God zoekt, ulieder hart zal leven.
48 Zie Ps. 10 op vers 17; 22 op vers 27. verwijsteksten
 
34 Want de HEERE hoort de nooddruftigen, en Hij veracht Zijn 49gevangenen niet.
49 Hebr. gebondenen, dat is, Zijn getrouwe knechten, die Hij om Zijns Naams wil laat lijden. Vgl. vers 27. Ef. 3:1. verwijsteksten
 
35 Dat Hem prijzen de hemel en de aarde, de zeeën en al wat daarin 50wriemelt.
50 Zie Gen. 1 op vers 21. verwijsteksten
 
36 Want God zal 51Sion verlossen en de steden van Juda bouwen; en aldaar zullen 52zij wonen en 53haar erfelijk bezitten;
51 Dat is, Zijn kerk. Zie Ps. 2 op vers 6. verwijsteksten
52 Te weten de zachtmoedigen, die God zoeken, Zijn knechten en liefhebbers, vers 33, en in het volgende. verwijsteksten
53 Te weten Sion; en zo in het volgende vers.
 
37 En het 54zaad Zijner knechten zal haar beërven; en de liefhebbers Zijns Naams zullen daarin wonen.
54 Dat is, de nakomelingen. Zie Ps. 22 op vers 31. verwijsteksten

Einde Psalm 69