Statenvertaling.nl

sample header image

Psalm 68 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67 68 69 70 71 72 73 74 75 76 77 78 79 80 81 82 83 84 85 86 87 88 89 90 91 92 93 94 95 96 97 98 99 100 101 102 103 104 105 106 107 108 109 110 111 112 113 114 115 116 117 118 119 120 121 122 123 124 125 126 127 128 129 130 131 132 133 134 135 136 137 138 139 140 141 142 143 144 145 146 147 148 149 150
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Psalm 68

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Bij het opbrengen van de ark des verbonds in Sion vermaant David, dat men God love over Zijn wonderbare liefde en kracht, door dewelke Hij Zijn volk uit Egypte verlost, door de woestijn geleid, in Kanaän gevoerd en geplant, hun vijanden gedempt en Sion tot Zijn en Zijner arke woonstede verkoren heeft; onder welke zaken hij zich in den geest verheugt over onzen Heere Jezus Christus, bijzonderlijk over Zijn verrijzenis en hemelvaart, mitsgaders de heilzame gaven en weldaden, die de kerk der Joden en heidenen daarvan geniet, zo op aarde als in het hemels Kanaän, om God eeuwiglijk te prijzen.
 
Danklied na overwinning
1 EEN 1psalm, een lied van David, voor den opperzangmeester.
1 Zie Ps. 4 op vers 1; 48 op vers 1. verwijsteksten
 
2 a2God zal opstaan, Zijn vijanden zullen verstrooid worden, en Zijn haters zullen van Zijn aangezicht vlieden.
a Num. 10:35. verwijsteksten
2 Gelijk door Mozes geprofeteerd is, Num. 10:35. De zin dezer woorden is: Als God opstaat, zo worden, enz. Dergelijke samenvoeging van twee leden en verwisseling van tijden wordt in dien zin dikwijls gebruikt, inzonderheid in het boek Job en de Psalmen. Anders: Dat God opsta, enz., of: Laat God opstaan, biddende en wensenderwijze, en zo in het volgende. De zin is: Als God Zich (om zo te spreken) maar begint te reppen, zo is het met al het woeden der vijanden gedaan. De profeet neemt deze woorden uit Num. 10:35, waaruit, alsook uit vss. 25, 26, afgeleid wordt, dat deze psalm van David gemaakt is over het opbrengen der ark in Sion, 2 Samuël 6, of de victories die op Gods antwoord en belofte (bij de ark gegeven) verkregen zijn; zie 2 Sam. 5:19, enz.; 8:1, enz.; en voornamelijk op de victorieuze verrijzenis en hemelvaart van onzen Heere Christus (Wiens voorbeelden dit waren) over al Zijn en onze geestelijke vijanden, als te zien Ef. 4:8, 9, 10. verwijsteksten
 
3 Gij zult hen verdrijven, gelijk rook verdreven wordt; gelijk was voor het vuur smelt, zullen de goddelozen vergaan van Gods aangezicht.
4 Maar de rechtvaardigen zullen zich verblijden, zij zullen van vreugde opspringen voor Gods aangezicht, en van blijdschap vrolijk zijn.
5 Zingt Gode, psalmzingt Zijn Naam, 3hoogt de wegen voor Dien Die in de 4vlakke velden rijdt, omdat Zijn Naam is 5HEERE; en springt op van vreugde voor 6Zijn aangezicht.
3 Dit duiden sommigen op het leiden van Israël door de woestijn naar Kanaän, en wijders op het geestelijke, waarvan Jes. 40:3. Anders: verhoogt Dien Die, enz. Het Hebreeuwse woord wordt dikwijls en eigenlijk gebruikt van ophogen der wegen en straten, doch voorts ook van hogelijk roemen, met lof verheffen, Spr. 4:8; insgelijks zich verheffen, Ex. 9:17. verwijsteksten
4 Sommigen verstaan hier (uit vergelijking van vers 34) den derden hemel, alzo genoemd vanwege de grote ruimte en volkomen lieflijkheid. Vgl. Job 22:14. Ps. 16:11. verwijsteksten
5 Hebr. Jah, dat zoveel is als Jehovah, zijnde daarvan afgekort. Vgl. 2 Sam. 6:2, en zie Gen. 2 op vers 4. Ps. 89 op vers 9. verwijsteksten
6 Te weten van God, Die Zijn tegenwoordigheid boven de ark openbaart.
 
6 Hij is een Vader der wezen en een 7Rechter der weduwen; God, in de 8woonstede Zijner heiligheid.
7 Die haar recht uitvoert en het ongelijk, haar aangedaan, wreekt.
8 Dat is, Zijn heilige woning.
 
7 Een God Die de 9eenzamen zet in een huisgezin, voert uit die in boeien 10gevangen zijn; maar de 11afvalligen wonen in het 12dorre.
9 Vgl. Ps. 113:9. verwijsteksten
10 Hebr. gebonden. Vgl. Ps. 107:10; 146:7. Anders: Die de gebondenen uitvoert in goede gelegenheid, of gelukkiglijk, voorspoediglijk, of te rechter tijd. verwijsteksten
11 Of: wederhorigen, wederstrevenden, rebellen.
12 Dat is, in ellende en gebrek. Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk blank, glad, en voorts dorre plaatsen, die blank, glad en kaal zijn, dat is, onvruchtbaar. Vgl. Neh. 4 op vers 13. verwijsteksten
 
8 O God, toen Gij voor het aangezicht Uws volks uittoogt, toen Gij daarheen traadt in de woestijn, 13Sela,
13 Zie Ps. 3 op vers 3. verwijsteksten
 
9 bDaverde de aarde, ook 14dropen de hemelen voor Gods aanschijn; 15zelfs deze Sinaï, voor het aanschijn Gods, des Gods van Israël.
b Exodus 19. verwijsteksten
14 Dat is, zij vloeiden gelijk als tot water weg, van ontzag, angst en vrees, vanwege Uw tegenwoordigheid, als Gij het volk van Israël door de woestijn voerdet naar Kanaän.
15 Als met den vinger op dezen berg wijzende. Vgl. Deut. 33:2. Richt. 5 op vss. 4, 5. Jes. 64:1, 2. verwijsteksten
 
10 Gij hebt 16zeer milden regen doen 17druipen, o God; en Gij hebt Uw 18erfenis gesterkt, als zij mat was geworden.
16 Hebr. regen der mildheden of vrijgevigheden.
17 Of: gesprengd, als wanneer iemand iets met water besprengt, sprengende dat hier en daar.
18 Te weten het land Kanaän, als blijkt in het volgende vers; dat hebt Gij bezorgd als Uw eigen erfgoed, verkwikkende hetzelve door regen, als het van droogte gelijk als moede en mat was. Vgl. Deut. 11:11, 12, en zie Ex. 15:17. 2 Sam. 20:19. Jer. 2:7; 50:10, 11. Sommigen voegen het woord erfenis bij het voorgaande lid aldus: Gij hebt Uw erfenis met een zeer milden regen bedrupt. verwijsteksten
 
11 Uw 19hoop woonde daarin; Gij 20bereiddet ze 21door Uw goedheid voor den 22ellendige, o God.
19 Of: gedierte. Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk levendig, en voorts gedierte, inzonderheid wild gedierte, als zijnde zeer levendig, maar wordt ook wijders genomen voor een hoop, troep, leger of gezelschap van mensen, zo kwaden, 2 Sam. 23:13, als goeden, gelijk hier, en beide in één vers, Ps. 74:19. Wij gebruiken ook in onze taal zulke manier van spreken, arme dieren, dat arme dier, van verlegen mensen. verwijsteksten
20 Te weten Uw erfenis. Of: bereiddet allen zegen; of: Gij bracht den ellendige terecht.
21 Of: met Uw goed.
22 Te weten Uw volk Israël, dat in Egypte veel had geleden en dat alle vijanden op het lijf wilden.
 
12 De Heere gaf 23te spreken; der 24boodschappers van goede tijdingen was een grote heirschaar.
23 Hebr. gaf rede, spraak, dat is, stof om te spreken, te weten van victories. Anders: zal geven.
24 Hebr. boodschapsters, hetwelk verstaan wordt van boodschappende zielen, dat is, personen, naar den aard der Hebreeuwse taal. Het was wel een wijze in Israël, dat de vrouwen en jongedochters de victories roemden, en God daarvoor dankten en triomf zongen (zie Ex. 15:20, 21. Richt. 5:1, enz.; 11:34. 1 Sam. 18:6, 7. Vgl. ook 2 Sam. 1:20), maar hier moet men verstaan de boodschappers van de verkregen victories in het Oude Testament, en de apostelen en evangelisten in het Nieuwe Testament. Zie Jes. 40:9. verwijsteksten
 
13 De koningen der heirscharen vloden weg, zij 25vloden weg; en 26zij die te huis bleef, deelde den roof uit.
25 Of: vlieden weg, als zijnde woorden der boodschappers.
26 De vrouw, dat is, de vrouwen, die niet in den strijd trekken, maar het huis bewaren; of de nederlaag is zo groot geweest, dat zelfs de vrouwen zonder schroom mede uitgekomen zijn om den roof te delen. Vgl. 2 Sam. 1 op vers 24. verwijsteksten
 
14 Al laagt 27gijlieden tussen 28twee rijen van stenen, zo zult gij toch worden als vleugelen ener duive, overdekt met zilver, en welker vederen zijn met uitgegraven géluwen goud.
27 De profeet spreekt hier Gods volk aan; hoewel er zijn die het duiden op de vijanden, aldus: Zo of wanneer gij ligt, enz., elkeen van de vleugelen der duive (dat is, der kerk) is, enz., en haar vederen zijn, enz.
28 Versta haardstenen, als men in de legers en ook wel elders (nog heden ten dage) pleegt op te leggen om vuur daartussen te stoken, om te koken, potten en ketels daarbij te zetten of over te hangen. Anders: tussen treeften, potten, enz. Den zin op hetzelfde uitkomende, dewelke is: Al waart gij tot de uiterste dienstbaarheid en smaadheid (als in Egypte) verstoten, berookt en besmookt als koks en koksjongens, zo zal u evenwel God door Zijn genadigen zegen weder doen blinken, gelijk een schone vliegende duif, die als van zilver en goud is glinsterende.
 
15 Als de Almachtige de koningen 29daarin 30verstrooide, werd 31zij sneeuwwit als op 32Zalmon.
29 Te weten in Zijn erfenis, Kanaän, uit vss. 10, 11. verwijsteksten
30 Anders: zal verstrooien, zo zult Gij, enz. Hebr. uitbreidde, dat is, verstrooide, verjoeg, als Zach. 2:6. verwijsteksten
31 Namelijk Gods erfenis. Of: het werd sneeuwwit; of: Gij, o God, maakte haar sneeuwwit.
32 Dat is, in het midden des lands, waar deze berg gelegen was bij Sichem. Zie Richt. 9:48. Sommigen menen dat David hier gezien heeft op de betekenis van het woord zalmon, alsof hij zeide: Daar het land tevoren als met donkere zwarte schaduw overdekt was, werd het blank, luchtig, klaar en als sneeuwwit, van vreugde en triomf, hetwelk ook niet kwalijk past op de gelijkenis, in het voorgaande vers verhaald. verwijsteksten
 
16 De berg Basan is een berg 33Gods; de berg Basan is een 34bultige berg.
33 Dat is, zeer hoog, ook vet en vruchtbaar. Zie Gen. 13 op vers 10. Ps. 36:7. Van Basan zie Deut. 32 op vers 14. Ps. 22 op vers 13. verwijsteksten
34 Hebr. een berg der bulten, dat is, hebbende vele schone heuvelen en hoogten.
 
17 Waarom 35springt gij op, gij bultige bergen? cDezen 36berg heeft God begeerd tot Zijn woning; ook zal er de HEERE wonen in eeuwigheid.
35 Als triomferende en u beroemende boven dezen berg Sion. Het Hebreeuwse woord wordt alleenlijk hier gevonden en daarom verscheidenlijk overgezet.
c Ps. 87:1, 2; 132:13. verwijsteksten
36 Te weten Sion. Alsof hij zeide: Alle andere volken en koninkrijken mogen zich beroemen waarop en zo hoog als zij willen, zij kunnen evenwel met Gods kerk niet worden vergeleken, noch tegen haar met al hun hoogheid en trotsheid opkomen, noch dezelve dempen; omdat zij, alleen, verheerlijkt is met Gods genadige tegenwoordigheid, residentie en eeuwige inwoning. Vgl. Ps. 132:13, 14. Openb. 14:1. verwijsteksten
 
18 Gods 37wagens zijn 38tweemaal tienduizend, de duizenden 39verdubbeld. De Heere is onder hen, een 40Sinaï in heiligheid.
37 Of: ruiterij; versta de heirscharen der engelen, bereid tot Gods dienst om Zijn volk te beschermen tegen der vijanden geweld, die veel op menigte van wagens plegen te roemen. Zie 2 Kon. 6:15, 17. verwijsteksten
38 Hebr. twee miljoen, dat is, zeer vele, ontelbare, duizenden. Het getal tien wordt alzo voor menigte en veelheid gebruikt, en vervolgens de verdubbeling van tienduizend nog meer. Zie Gen. 31:41. Matth. 18:24. verwijsteksten
39 Hebr. verdubbeling. Anders: engelen. Het Hebreeuwse woord wordt alzo alleenlijk hier gevonden.
40 Dat is, de heerlijkheid en heiligheid Gods is er zodanig als zij zich eertijds op den berg Sinaï vertoond heeft. Zodat zij op Sinaï nu niet is te zoeken.
 
19 d41Gij zijt opgevaren in de hoogte, Gij hebt de 42gevangenis gevankelijk gevoerd, Gij hebt gaven genomen 43om uit te delen onder de mensen; ja, ook de 44wederhorigen, 45om bij U te wonen, o HEERE God!
d Ef. 4:8. verwijsteksten
41 God is wel grotelijks verhoogd door de victories die Hij Zijn volk Israël in Kanaän verleend heeft, maar dat dit eigenlijk ziet op de victorie van onzen Heere Jezus Christus, Die al Zijn en onze geestelijke vijanden overwonnen en in Zijn hemelvaart als in triomf gevankelijk gevoerd heeft, en (gelijk na de victorie placht te geschieden) uit Zijn troon overvloed van allerlei gaven heeft uitgedeeld in Zijn kerk, zelfs aan ongelovigen, tot hun bekering en inlijving in Gods kerk, daarvan betuigt de apostel, Ef. 4:8, enz. verwijsteksten
42 Dat is, gevangenen. Zie Num. 31 op vers 12. verwijsteksten
43 Of: om te geven. Van zulk gebruik van het woord nemen zie Gen. 12 op vers 15. Hos. 14 op vers 3. Insgelijks Ef. 4:8, alwaar de apostel deze woorden aanhaalt, en voor genomen, gegeven gebruikt. verwijsteksten
44 Dat is, ongelovigen. Versta, hebt Gij gevangengenomen onder Uw gehoorzaamheid. Vgl. 2 Kor. 10:5. Of: onder de wederhorigen, te weten, deelt Gij gaven uit. verwijsteksten
45 Dat is, opdat zij in Uw kerk zouden wonen. Anders: om in hen te wonen; opdat Gij door Uw Geest in hen zoudt wonen. Anders: om te wonen bij den HEERE God. Versta de vereniging der Joden en heidenen door één geloof in Christus.
 
20 46Geloofd zij de Heere; 47dag bij dag 48overlaadt Hij ons; die God is onze Zaligheid. Sela.
46 Hebr. Gezegend.
47 Hebr. dag dag.
48 Te weten met gaven, uit vers 19. verwijsteksten
 
21 Die God is ons een God van 49volkomen zaligheid; en bij den HEERE, den Heere, zijn 50uitkomsten 51tegen den dood.
49 Hebr. der zaligheden.
50 Vgl. 1 Kor. 10:13. verwijsteksten
51 Of: in den dood, dat is, in het midden des doods.
 
22 Voorzeker zal God den kop Zijner vijanden 52verslaan, den 53harigen schedel desgenen die in zijn 54schulden wandelt.
52 Of: doorwonden, doorsteken.
53 Of: den haartop. Hebr. schedel des haars, dat is, die er zo trots, wild en schrikkelijk, als een rover of straatschender, uitziet. Vgl. Job 5 op vers 5. verwijsteksten
54 Dat is, die zo onbekommerd en onbeschroomd in zijn boevenstukken immer en steeds voortgaat, en alzo de schuld zijner zonden ophoopt.
 
23 De Heere heeft gezegd: 55Ik zal wederbrengen uit eBasan, Ik zal wederbrengen uit de fdiepten der zee;
55 Dat is, Ik zal Mijn volk uit alle noden hunner vijanden nu zowel verlossen, als Ik eertijds hun voorouders verlost heb van Og, den koning van Basan, en van de Egyptenaars in het Rode Meer, Exodus 14. Numeri 21. verwijsteksten
e Num. 21:33. verwijsteksten
f Ex. 14:29. verwijsteksten
 
24 Opdat gij uw voet, ja, de tong uwer honden moogt steken in het bloed 56van de vijanden, van een iegelijk van hen.
56 Dat uit de verslagen vijanden, ja, uit een ieder van hen, of uit dien haartop en zijn aanhang gevloten zal zijn. Vgl. Ps. 58:11. verwijsteksten
 
25 O God, 57zij hebben Uw gangen gezien, de gangen mijns Gods, mijns Konings, in het heiligdom.
57 Uw volk. Dit schijnt te zien op het inbrengen der ark in Sion (zie 2 Sam. 6:13), of immers op het wederbrengen van de ark na de verkregen victories. Zie 2 Sam. 11 op vers 11. verwijsteksten
 
26 De 58zangers gingen voor, de speellieden achter, in het midden de 59trommelende maagden.
58 Vgl. 2 Sam. 6:5. 1 Kron. 13:8. verwijsteksten
59 Gelijk men te dien tijde gewoon was te doen, wanneer men vreugde bedreef en triomf hield. Zie Ex. 15:20. Richt. 11:34. 1 Sam. 18:6. Jer. 31:4, enz., en vgl. boven, vers 12. verwijsteksten
 
27 Looft God in de gemeenten, den Heere, gij die zijt uit de 60springader Israëls.
60 Dat is, die uw oorsprong hebt uit Jakob, gelijk de rivier uit een springader; want de twaalf stammen waren uit hem gesproten. Vgl. Deut. 33 op vers 28. Jes. 48:1. verwijsteksten
 
28 61Daar is Benjamin, de 62kleine, die over hen 63heerste, de vorsten van Juda met hun 64vergadering, de vorsten van Zebulon, de vorsten van Naftali.
61 Te weten, in de gemeenten of vergaderingen zijn alle stammen, zowel de vergelegene (als Zebulon en Naftali) als de naaste, Benjamin en Juda.
62 Omdat deze stam van den jongsten broeder gesproten was en zeer geminderd door de nederlaag voor Gibea, Richteren 20. verwijsteksten
63 Omdat de eerste koning Saul daaruit gesproten was.
64 Het Hebreeuwse woord wordt alzo hier alleen gevonden, komende van een woord dat stenigen, met stenen overwerpen betekent; gelijk daarvan ook een ander woord komt, dat een steenhoop betekent, zo wordt dit alhier genomen voor een menigte, raad, gezelschap, vergadering, van oversten die ook bij een steen vergeleken worden (zie Gen. 49 op vers 24), omdat zij de vastigheid der gemeente zijn. verwijsteksten
 
29 Uw God heeft uw sterkte 65geboden; sterk, o God, wat Gij 66aan ons gewrocht hebt!
65 Dat is, voor u besloten, verordineerd en u toegeschikt. Zie Lev. 25 op vers 21. Ps. 42:9. verwijsteksten
66 Of: voor ons, in ons.
 
30 Om Uws 67tempels wil te Jeruzalem, 68zullen U de koningen ggeschenk toebrengen.
67 Als die door mijn zoon zal gebouwd zijn. David had wel voor, den tempel te bouwen, maar werd van God door Nathan bericht dat Salomo dien zou bouwen, 2 Samuël 7. Sommigen hechten deze woorden aan het voorgaande aldus: sterk, enz., uit Uw tempel, dat is, paleis, tabernakel, heiligdom (dat naderhand in den tempel gebracht werd), zijnde de plaats der ark, waar God gezegd wordt te wonen. Anders: Nadat Uw tempel zal geweest zijn te Jeruzalem, dat is, na de verwoesting des tempels; verstaande de beroeping der heidenen. Of aldus: Om Uws tempels, om Jeruzalems wil, enz.
68 Of: laat de koningen U geschenken brengen. Dit is eensdeels geschied ten tijde van Salomo en Hizkia, 1 Kon. 10:10, 24, 25. 2 Kron. 32:23. Jes. 18:7, maar voornamelijk geestelijk vervuld in het Nieuwe Testament door de bekering der heidense koningen en prinsen. Vgl. Jes. 49:22, 23, en hier de volgende vss. 32, 33. Insgelijks Ps. 72:10. verwijsteksten
g 1 Kon. 10:10, 24, 25. 2 Kron. 32:23. Ps. 72:10; 76:12. verwijsteksten
 
31 69Scheld het 70wild gedierte des 71riets, de vergadering der 72stieren met de 73kalveren der volken, en dien die zich 74onderwerpt met stukken zilver; 75Hij heeft de volken verstrooid, die lust hebben in oorlogen.
69 Van Gods schelden zie Ps. 9 op vers 6. Anders: Verdoe. verwijsteksten
70 Hierdoor kan men in het gemeen verstaan de vijanden van Gods volk, die de Heilige Schrift bij wilde dieren vergelijkt, of den koning van Egypte in het bijzonder, wiens hof aan de rivier lag, waar veel riet was. Vgl. Ex. 2:3, 4. Jes. 19:6. Anders: den hoop der spiesdragers of schutters, omdat de spiesen en pijlen van dik en sterk riet in sommige plaatsen gemaakt werden. verwijsteksten
71 Dat aan het riet woont of zich daarin onthoudt. Sommigen verstaan hierdoor weelderige en vette plaatsen, uit Jes. 35:7. verwijsteksten
72 Der wilde krijgsoversten of trotse regenten. Zie Ps. 22 op vers 13. verwijsteksten
73 De gemene krijgslieden, of weelderige, dartele onderdanen der goddeloze regenten. Sommigen verstaan hier bijzonderlijk den kalverdienst der Egyptenaars.
74 Hebr. zich nederwerpt om als met voeten getreden te worden; versta de huichelaars, die met veinzing van grote deemoedigheid mede geschenken aanbrengen. Vgl. Deut. 33:29. 2 Sam. 22:45 met de aant. Zie ook Spr. 6:3. Anders: die zich nederlegt op stukken zilver, dat is, in grote pracht leeft. verwijsteksten
75 Dit spreekt de profeet tot Gods volk, met vertrouwen dat God dit gebed zal verhoren en de krijgszuchtige vijanden van God en Zijn volk verdelgen.
 
32 76Prinselijke gezanten zullen komen uit Egypte; 77Morenland zal zich 78haasten zijn handen tot God uit te strekken.
76 Het Hebreeuwse woord wordt alleenlijk (als ook enige andere) in dezen psalm gevonden. Zie wijders op vers 30. verwijsteksten
77 Dat is, de Moren. Hebr. Cusch. Zie Gen. 2 op vers 13. verwijsteksten
78 Hebr. zal zijn handen doen lopen tot God.
 
33 Gij koninkrijken der aarde, zingt Gode; psalmzingt den Heere, Sela;
34 Dien Die daar rijdt in den hemel der hemelen, 79die vanouds is; zie, Hij geeft Zijn 80stem, een stem der sterkte.
79 Hebr. in den hemel der hemelen der oudheid, dat is, den hoogsten of derden hemel, die (nevens de andere) van alle tijden, ja, van den beginne der wereld geweest is. Zie 1 Kon. 8 op vers 27. verwijsteksten
80 Versta den donder, waardoor Hij Zijn Goddelijke kracht en majesteit bijzonder openbaart. Zie Ps. 29 op vers 3. Anders: Hij geeft een sterk geluid met of door Zijn stem. verwijsteksten
 
35 Geeft Gode 81sterkte; Zijn 82hoogheid is over Israël, en Zijn sterkte in de 83bovenste wolken.
81 Zie Ps. 8:3; 29:1. verwijsteksten
82 Als Deut. 33:26. verwijsteksten
83 Anders: hemelen, alzo genoemd vanwege hun zeer dun en fijn wezen.
 
36 O God, Gij zijt vreselijk uit Uw 84heiligdommen; de God Israëls, Die geeft den 85volke sterkte en krachten. 86Geloofd zij God.
84 Den tabernakel, waarin verscheidene heilige woningen waren, mitsgaders den hemel, daardoor afgebeeld.
85 Namelijk Israël, Zijn volk.
86 Hebr. Gezegend.

Einde Psalm 68