Statenvertaling.nl

sample header image

Psalm 24 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67 68 69 70 71 72 73 74 75 76 77 78 79 80 81 82 83 84 85 86 87 88 89 90 91 92 93 94 95 96 97 98 99 100 101 102 103 104 105 106 107 108 109 110 111 112 113 114 115 116 117 118 119 120 121 122 123 124 125 126 127 128 129 130 131 132 133 134 135 136 137 138 139 140 141 142 143 144 145 146 147 148 149 150
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Psalm 24

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

David van God bericht zijnde, dat Salomo den tempel zou bouwen en de ark des verbonds daarin laten brengen, bekent wel Gods recht en macht over den gansen aardbodem, maar verheugt zich allermeest over Gods bijzondere genade, die Hij bewijst aan Zijn kerk, welker lidmaten David hier beschrijft, en vermaant dat de ark (op welke God Zijn tegenwoordigheid vertoonde) waardiglijk en eerbiediglijk mag worden ontvangen, als wezende dit een afbeelding van de komst van den Messias in den tabernakel Zijns lichaams en tot Zijn kerk (zijnde Gods tempel en Christus’ Koninkrijk), waartoe mede behoort Zijn hemelvaart, om vandaar als Koning der glorie Zijn kerk te regeren.
 
De Koning der ere en Zijn volk
1 EEN psalm van David.
aDe aarde is des HEEREN, mitsgaders haar 1volheid, de wereld en die daarin wonen.
a Ex. 19:5. Deut. 10:14. Job 41:2. Ps. 50:12. 1 Kor. 10:26, 28. verwijsteksten
1 Te weten alle schepselen, waarmede de Heere de aarde vervuld heeft. Dat Hij dan uit dit alles, hetwelk Hem door het recht der schepping toekomt, Zijn volk tot een bijzonder eigendom voor Zich verkiest en op Zijn berg huisvest, is Zijn bijzondere genade. Vgl. Ex. 19:5. Deut. 10:14, 15. verwijsteksten
 
2 Want Hij heeft ze gegrond 2op de 3zeeën, en heeft ze gevestigd op de rivieren.
2 Of: aan de zeeën, en zo in het volgende aan de rivieren.
3 Dat is, wateren. Zie Gen. 1 op vers 10. Dat er wateren onder de aarde zijn, is bekend en blijkt Ex. 20:4, doch men kan dit alzo verstaan, dat God de aarde of het droge heeft doen uitsteken boven de wateren die tevoren de aarde bedekten, en heeft ze voorts gegrondvest en als bebolwerkt met, aan en op de wateren, die Hij (niettegenstaande dat zij vochtig en vloeiende, van nature onvast en daartoe ondienstig zouden zijn) maakt tot een zeer vast fundament des aardbodems, gelijk Hij het licht uit duisternis voortbrengt; houdende alzo door Zijn kracht water en aarde in hun verordineerde plaatsen. Zie wijders Ps. 104:5, 6, 7, 8; 136:6, en vgl. Job 26:7; 38:4, 6. Micha 6:2. verwijsteksten
 
3 b4Wie zal klimmen op den 5berg des HEEREN? En wie zal staan in de plaats Zijner heiligheid?
b Ps. 15:1. Jes. 33:14, 15. verwijsteksten
4 Alsof hij zeide: Hoewel Israël Gods eigendom is, zo zijn nochtans de huichelaars, die wel naar het vlees Israëlieten zijn en in den uiterlijken godsdienst mede verschijnen, geen rechte leden van Zijn volk, maar alleen die het geestelijk Israël uitmaken en in het volgende met kentekenen beschreven worden. Vgl. Rom. 2:28, 29; 9:6. Gal. 6:16. verwijsteksten
5 Zie Ps. 2 op vers 6. verwijsteksten
 
4 Die 6rein van handen en 7zuiver van hart is, die zijn ziel 8niet opheft tot ijdelheid, en die niet 9bedrieglijk zweert.
6 Dat is, vreemd van stelen, roven, doodslag, overspel, enz. Vgl. Gen. 20 op vers 5. verwijsteksten
7 Dat is, oprecht, ongeveinsd, in zijn gansen godsdienst.
8 Dat is, die zijn ziel niet begeeft tot ijdelheid of valsheid; of: die geen begeerte noch verlangen heeft naar ijdelheid. Zie dezelfde manier van spreken Deut. 24 op vers 15. Jer. 22:27; 44:14, en vgl. Ez. 24:25. Hos. 4:8. Anders: die Mijn ziel (dat is, Mij, Mijn heiligen Naam) niet ijdellijk opneemt, dat is, in den mond neemt. Aldus zouden dit Gods eigen woorden zijn, van David hier ingevoegd tot meerderen nadruk. verwijsteksten
9 Hebr. tot, in of met bedrog, dat is, om te bedriegen, niet denkende in zijn hart hetgeen hij zweert met den mond.
 
5 Die zal den zegen 10ontvangen van den HEERE, en 11gerechtigheid van den God 12zijns heils.
10 Of: wegdragen, wegvoeren.
11 Dat is, de vrucht der gerechtigheid, te weten tijdelijken zegen en eeuwige heerlijkheid. Zie Jes. 48:18. Hos. 10:12. Of: Hij zal van God, zijn Zaligmaker, ontvangen de weldaden die Hij Zijn kinderen rechtvaardiglijk uitdeelt, niet naar hun verdiensten, maar volgens Zijn genadige en getrouwe beloften, die Hij naar Zijn gerechtigheid houdt. Zie Hebr. 6:9, 10. 1 Joh. 1:9. verwijsteksten
12 Dat is, Die zijn Heiland of Zaligmaker is.
 
6 Dat is het geslacht dergenen die naar Hem vragen, die 13Uw aangezicht zoeken, dat is 14Jakob. 15Sela.
13 Hij spreekt God aan, tonende zijn vast vertrouwen van de waarheid dezer gewichtige zaak, om de huichelaars, die zich het tegendeel inbeelden, als voor Gods rechterstoel te overtuigen en te beschamen. Aangaande deze manier van spreken zie 2 Kron. 7 op vers 14; 11 op vers 16. verwijsteksten
14 Dat is, dat zijn de rechte kinderen Jakobs, de rechte Israëlieten. Vgl. Joh. 1:48. Rom. 9:6. Anders: o Jakob, dat is, o gij ware gemeente, gij geestelijk Israël. Dit is een zaak (wil hij zeggen) waarop gij wel moet letten, als zijnde van groot gewicht in het punt van religie, kerende zich alzo van de aanspraak Gods tot de kerk. verwijsteksten
15 Zie Ps. 3 op vers 3. verwijsteksten
 
7 Heft uw 16hoofden op, gij 17poorten, en verheft u, gij 18eeuwige deuren, opdat de 19Koning der ere inga.
16 Dat is, bovenste posten.
17 Des tempels, dien David van God door den profeet Nathan verstaan had dat zijn zoon Salomo zou bouwen, waarin de ark des verbonds (op dewelke God Zijn tegenwoordigheid vertoonde) aan haar plaats zou gebracht worden, en alzo God daar als Zijn woonstede nemen zou. Waardoor werd afgebeeld de komst van Christus in het vlees en tot Zijn kerk, alsmede Zijn hemelvaart, waarover zich David in den geest grotelijks verheugt, alzo hem Nathan mede zo een uitnemend bericht gedaan had, dat hij niet wist hoe hij God daarvoor genoeg zou danken, 2 Samuël 7. verwijsteksten
18 Hebr. deuren der eeuwigheid. Alzo in het volgende negende vers. Dat is, die langen tijd zouden blijven in haar plaats, waar de vorige tabernakel van de ene plaats op de andere was verdragen en weinig rust gehad had. Maar geduid zijnde op de gemeente der kinderen Gods, tot dewelke God met Zijn genade en Geest ingaat en daarin woont (waarom zij Gods tempel genoemd worden), kan dit de eeuwigdurendheid der kerke Gods betekenen, alsook den hemel zelven, voor zoveel de hemelvaart van Christus hier ook wordt beduid. Zie van het woord eeuwig Gen. 17 op vers 7, en voorts 1 Kor. 3:16; 6:19. Openb. 3:20. verwijsteksten
19 God, Die gezegd wordt te wonen tussen de cherubs op de ark, 2 Sam. 6:2. Waardoor Christus werd afgebeeld, de rechte Koning der heerlijkheid. verwijsteksten
 
8 Wie is de Koning der ere? De HEERE, sterk en geweldig; de HEERE, geweldig in den strijd.
9 Heft uw hoofden op, gij poorten, ja, heft op, gij eeuwige deuren, opdat de Koning der ere inga.
10 Wie is Hij, deze Koning der ere? De HEERE der 20heirscharen, Die is de Koning der ere. Sela.
20 Zie 1 Kon. 18 op vers 15. Sommigen verstaan dat in dezen psalm van het 7de vers af gesproken wordt alleen van de hemelvaart onzes Heeren Jezus Christus. verwijsteksten

Einde Psalm 24