Statenvertaling.nl

sample header image

Job 26 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst


Job 26

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

Job hebbende Bildad beschuldigd, omdat hij hem meer verschrikt dan vertroost had, vs. 1, enz. Bekent en beschrijft de werken der onbegrijpelijke majesteit Gods, waarvan Bildad begonnen had te spreken, 5. En toont dat wij maar een weinig daarvan weten te verhalen, 14.
 
Job verheerlijkt Gods majesteit
1 MAAR Job antwoordde en zeide:
2 Hoe hebt 1gij geholpen 2dien die 3zonder kracht is, 4en behouden den arm die zonder sterkte is!
1 Namelijk gij Bildad.
2 Dat is, mij. Alzo in het volgende.
3 Te weten, niet alleen door de ongezondheid en smarten zijns lichaams, maar ook door de verslagenheid zijns gemoeds.
4 Deze vragen loochenen sterkelijk. Hij wil zeggen, dat Bildad hem niet geholpen noch behouden had; want in plaats van hem te vertroosten met Gods vriendelijke genade, had hij hem gezocht te verschrikken met Gods vreselijke majesteit.
 
3 Hoe hebt gij hem 5geraden 6die geen wijsheid heeft, en 7de zaak alzo zij is, 8ten volle bekendgemaakt!
5 Te weten opdat hij wijzer zij in het verstand, voorzichtiger in spreken, geduldiger in lijden, gestadiger in hopen.
6 Hij spreekt spotswijze van zichzelven, omdat zijn vrienden hem voor een onverstandigen zwetser hielden. Zie Job 11:2, 3. verwijsteksten
7 Zie van de betekenis van het Hebreeuwse woord Job 5 op vers 12. Job veracht en bespot hier wat van Bildad was voortgebracht, niet ten aanzien van de leer zelve, maar van de toe-eigening daarvan. verwijsteksten
8 Hebr. in menigte.
 
4 Aan wien hebt gij 9die woorden verhaald? En 10wiens geest is van u uitgegaan?
9 Dat is, de voorgaande redenen gebruikt? Hij wil zeggen: Zijn mij die dingen niet zowel bekend als u? Vgl. Job 12:3, 4; 13:2. verwijsteksten
10 Dat is, door wiens geest hebt gij dit gesproken? Het is niet een extraordinaire ingeving van Gods Geest; want gij hebt niet dan algemene dingen voortgebracht, die een ieder bekend zijn. Het is dan van de drijving van uw eigen geest, die door zijn onverstand kwade toe-eigeningen en besluiten maakt. Zie Job 32:8. verwijsteksten
 
5 11De 12doden zullen 13geboren worden 14van onder de wateren, en 15hun inwoners.
11 Nadat Job Bildads tegenspraak verworpen heeft, spreekt hij breder van de volmaakte eigenschappen en werken Gods, waarvan Bildad gehandeld had, om te tonen dat de dingen, van hem verhaald, hem wel bekend waren, en dienvolgens dat zijn verhaal onnodig en ontijdig was geweest en niet wel passende op hun geschil.
12 Versta de gestorven mensen. Alzo is het Hebreeuwse woord refaïm dikwijls in de Heilige Schrift genomen. Zie Ps. 88:11. Spr. 2:18; 9:18. Jes. 14:9; 26:14. Anderen verstaan de dode dingen, die in de aarde en wateren van God geformeerd worden, als goud, zilver, kostelijk gesteente, koper, staal, ijzer, enz. Sommigen verstaan de reuzen, gelijk het Hebreeuwse woord dezen ook betekent, Deut. 2:20; 3:13. verwijsteksten
13 Dat is, wedergeboren of weder levend worden door de opstanding, dewelke een wedergeboorte genaamd wordt Matth. 19:28. Het Hebreeuwse woord is voor geboren worden genomen Ps. 51:7. Spr. 8:24, 25. verwijsteksten
14 Dat is, uit de aarde, die het onderste element is.
15 Versta der wateren; dat is, de dode lichamen, die in de zee en andere wateren liggen. Zie Openb. 20:13. Daarom nemen sommigen het woordje en hier voor: dat is. verwijsteksten
 
6 De 16hel is anaakt 17voor Hem, en geen deksel is er voor het 18verderf.
16 Versta alle diepe en verborgen plaatsen, ja, ook de hel, tot dewelke het gezicht der mensen niet geraken kan. Alzo is het woord scheol genomen Ps. 139:8. Zie ook Gen. 37 op vers 35. verwijsteksten
a Ps. 139:8, 11. Spr. 15:11. Hebr. 4:13. verwijsteksten
17 Dat is, voor God, Die alles door Zijn voorzienigheid doorziet en regeert.
18 Versta de plaatsen waarin alle dingen verdorven worden en verloren gaan, en daaronder de plaats der verdoemden. Vgl. Spr. 15:11; 27:20. verwijsteksten
 
7 b19Hij breidt 20het noorden uit over 21het woeste; Hij hangt de aarde 22aan een niet.
b Ps. 104:2. verwijsteksten
19 Namelijk God.
20 Dat is, den hemel; die hier alzo van een deel genaamd wordt, omdat het land waarin Job en zijn vrienden woonden, het noordse deel over zich gehad heeft, zijnde de hemel door de evenaar in twee gelijke delen gedeeld, het noordelijke en het zuidelijke.
21 Versta de gehele ruimte die tussen den hemel en de aarde is.
22 Zodat de aarde geen ondersteunsel heeft dan Gods overgrote macht. Zie Ps. 24 op vers 2; 104:5; 136:6. verwijsteksten
 
8 23Hij bindt de wateren in Zijn wolken, nochtans 24scheurt de wolk 25daaronder niet.
23 God maakt dat de wolken uit de dampen der aarde opwaarts stijgen, en door Zijn voorzienigheid in de lucht zo samenklonteren, dat zij schijnen in zakken gebonden te zijn. Vgl. Gen. 2:6. 2 Sam. 22:12 en de aantt. verwijsteksten
24 Dat is, ontsluit of berst niet, vallende geheel op de aarde, niettegenstaande dat zij bestaat uit water, hetwelk van nature nederwaarts loopt, maar druipt alleen hier en daar, als en naar dat het den Heere belieft.
25 Dat is, in het onderste deel der wateren, die in de wolken als in een zak gesloten zijn.
 
9 cHij houdt 26het vlakke Zijns 27troons vast; Hij spreidt Zijn wolk daarover.
c Job 9:8. Ps. 104:2, 3. verwijsteksten
26 Dat is, het middelste deel van de lucht. Dit maakt God vast, opdat het Hem diene als een werkplaats, waaruit Hij ons Zijn goederen mededeelt; en die Hij tot sieraad met wolken bestrooit.
27 Dat is, des hemels, of der lucht. Van welke drie hemelen wordt gewag gemaakt Gen. 2 in de aant. op vers 1. verwijsteksten
 
10 dHij heeft een 28gezet perk over het vlakke der wateren rondom afgetekend, e29tot aan de voleinding toe des lichts met de duisternis.
d Job 38:8. Ps. 33:7; 104:9. Jer. 5:22. verwijsteksten
28 Een gestelde pale in het rond, waarover de wateren der zee niet kunnen geraken om het droge te overstelpen en te bedekken. Zie de volgende Schriftplaatsen.
e Gen. 1:9. Job 38:8. Ps. 33:7; 104:9. Spr. 8:29. Jer. 5:22. verwijsteksten
29 Dat is, zolang als het licht en de duisternis op de aarde zullen wezen; of: zolang als de wereld staan zal.
 
11 30De pilaren des hemels sidderen, en 31ontzetten zich voor Zijn schelden.
30 Vgl. 2 Sam. 22:8. Ps. 18:8. Versta door de pilaren des hemels de krachten deszelven, Luk. 21:26, dewelke zijn de natuur, eigenschappen en werkingen des hemels, die uit haar orde schijnen gebracht te zijn, niet alleen door ongewone bliksemen, donderslagen, winden, stormen, regens, enz., maar ook door vele tekenen in de zon, maan, sterren, kometen en vuren in den hemel, enz. verwijsteksten
31 Hebr. verwonderen zich.
 
12 Door Zijn kracht f32klieft Hij de zee, en door Zijn verstand verslaat Hij haar 33verheffing.
f Jes. 51:15. verwijsteksten
32 Als Hij onweder en stormen laat komen over de zee, die de baren en golven zo verheffen dat de zee schijnt te splijten en vol kloven te zijn, Ps. 107:25, 26. verwijsteksten
33 Dat is, haar onstuimige en hooglopende baren, Ps. 104:7; 107:29. Hebr. Rahab, hetwelk enigen in den tekst behouden, verstaande daarbij Egypte, zo genoemd om den hoogmoed en de hovaardigheid der Egyptenaars, Ps. 89:11. Jes. 51:9. verwijsteksten
 
13 gDoor Zijn Geest 34heeft Hij de hemelen versierd; Zijn hand heeft 35de langwemelende slang geschapen.
g Ps. 33:6. verwijsteksten
34 Anders: heeft de hemel schoonheid.
35 Door deze kan men verstaan zekere grote slang, hetzij in de zee of op het land. Zij wordt hier en Jes. 27:1 genaamd met een bijwoord, betekenende vluchtende, wegvliedende, wegwemelende. Sommigen willen het verstaan van het teken des hemels, de slang genoemd. verwijsteksten
 
14 Zie, 36dit zijn maar 37uiterste einden Zijner wegen; en wat een 38klein stukje der zaak hebben wij van Hem gehoord! Wie zou dan 39den donder Zijner mogendheden verstaan?
36 Deze dingen, die wij van Gods werken en eigenschappen verhaald hebben.
37 Kleine uiterste deeltjes, en gelijk afsnijdsels der zeer grote en wijd uitgebreide lering, die daar is van de gewone werkingen Zijner wonderlijke kracht en regering.
38 Dat is, hoe weinig is het, dat wij weten en begrijpen van Gods werken, bij hetgeen dat ervan is.
39 Dat is, Zijn zeer grote en schrikkelijke macht.

Einde Job 26