Statenvertaling.nl

sample header image

Genesis 6 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst


Genesis 6

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Algemene wellust en grote boosheid der mensen veroorzaken, na een respijt van 120 jaren, den zondvloed, vs. 2. Reuzen, 4. Noach vindt genade bij God, en ontvangt bevel en voorschrift van het maken van de ark, 8, 14. Gods verbond met Noach, 18. Bevel van allerlei gedierte en voorraad van spijze te nemen in de ark, 19.
 
De boosheid des mensen
1 EN het geschiedde als de mensen 1op den aardbodem begonnen te vermenigvuldigen en hun dochters geboren werden,
1 Hebr. op het aangezicht des aardrijks, dat is, op het vlakke des aardbodems.
 
2 Dat 2Gods zonen de dochteren der mensen aanzagen, dat zij 3schoon waren, en zij namen zich vrouwen 4uit allen die zij verkoren hadden.
2 Dat is, de nakomelingen der gelovige voorvaderen die de ware religie beleden, en met hun huisgezinnen (als zijnde Gods kerk) van het ongelovig en vleselijk geslacht der Kaïnieten waren afgescheiden. Gelijk daartegenover door de dochteren der mensen meest verstaan worden de nakomelingen van Kaïn, plegende afgoderijen, en levende naar het vlees. Zie Deut. 14:1. Joh. 1:12. Luk. 17:27. Jud. vs. 19.
3 Hebr. goed, dat is, schoon. Alzo Gen. 24:16; 41:22. Ex. 2:2.
4 Alleenlijk ziende op de uiterlijke schoonheid en wereldse bevalligheid, niet op de ware religie en de vreze des HEEREN of den wil van hun vrome ouders. Zie Gen. 26:34, 35; 28:8.
 
3 Toen zeide de HEERE: 5Mijn Geest zal niet 6in eeuwigheid twisten met den mens, dewijl hij ook 7vlees is; 8doch zijn dagen zullen zijn honderd en twintig jaar.
5 Dat is, Mijn Heilige Geest zal niet langer met deze hardnekkige mensen strijden, te weten, door den mond der overige vromen en bijzonderlijk door Noach. Anders: Mijn gemoed (dat is, Ik) zal niet langer beraadslagen (menselijkerwijze gezegd) wat Ik met dit boze geslacht zal maken, alzo zij zich door geen vermaning noch straffing willen beteren; zie 2 Petr. 2:5.
6 Dat is, altoos.
7 Dat is, verdorven; versta niet alleen de kinderen der mensen, maar ook de kinderen Gods. Alzo wordt het woordje vlees voor de verdorven natuur des mensen genomen Joh. 3:6. Rom. 7:18; 8:7.
8 Dat is, dezen tijd zal Ik hun nog toestaan tot betering, maar daarna Mijn straf niet langer uitstellen. Zie 1 Petr. 3:20.
 
4 In die dagen waren er 9reuzen op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochteren der mensen 10ingegaan waren 11en zich kinderen gewonnen hadden; dezen zijn 12de geweldigen, die 13vanouds geweest zijn 14mannen van naam.
9 Dat is, mensen van grotere statuur en meerdere sterkte dan anderen. Zie Num. 13:33. Het Hebreeuwse woord komt van vallen, omdat zij, van God afvallig zijnde, de mensen met allen wrevel en tirannie overvielen, noch God noch mensen vrezende; waardoor aan een ieder die hen zag, het hart als ontviel. Dit wordt hier ook verhaald als een bijzondere oorzaak van Gods toorn.
10 Of: gekomen; hiermede wordt heuselijk en eerbaarlijk beduid de bijslaap van man en vrouw. Alzo Gen. 16:2; 30:3, enz.
11 Of: zo hebben zij hun (te weten aan haar mannen) kinderen gebaard.
12 Of: machtigen.
13 Hebr. van eeuwigheid. Zie Jer. 2 op vers 20.
14 Dat is, vermaarde, beroemde mannen, die naar het oordeel der wereld grote dingen hadden uitgericht; gelijk daartegenover gesproken wordt van mensen van geen naam, Job 30:8.
 
5 15En de HEERE zag, dat de boosheid des mensen menigvuldig was op de aarde en aal het gedichtsel der gedachten zijns harten te allen dage alleenlijk boos was.
15 In dit vers is begrepen een zeer naakte en grondige beschrijving van de erfzonde en derzelver vruchten.
a Gen. 8:21. Job 15:16. Spr. 6:14. Jer. 17:9. Matth. 15:19. Rom. 3:10, 11, 12; 8:6.
 
6 Toen 16berouwde het den HEERE dat Hij den mens op de aarde gemaakt had, 17en het smartte Hem aan Zijn hart.
16 Aldus wordt menselijkerwijze in de Heilige Schrift van God gesproken, omdat Hij Zijn werk of doen verandert, hoewel Hij in Zichzelven onveranderlijk blijft; zie het volgende vers en Num. 23:19. 1 Sam. 15:11, 29. 2 Sam. 24:16. Mal. 3:6. Hand. 15:18. Jak. 1:17.
17 Dit is ook menselijkerwijze van God gesproken, om ons te tonen dat God een groot mishagen aan den mens, uit oorzaak zijner boosheid, had. Vgl. Jes. 63:10. Zo wordt ook aan God droefenis toegeschreven, Ef. 4:30.
 
7 En de HEERE zeide: Ik zal den mens, dien Ik geschapen heb, verdelgen 18van den aardbodem, van den mens tot 19het vee, tot 20het kruipend gedierte en tot het gevogelte des hemels toe; want het berouwt Mij dat Ik hen gemaakt heb.
18 Hebr. uitwissen van op het aangezicht des aardbodems.
19 Het Hebreeuwse woord betekent hier niet alleen het tam, maar ook het wild gedierte der aarde. Alzo vers 20. Zie Gen. 1 op vers 26.
20 Te weten, dat op de aarde kruipt en in het water niet leven kan. Zo wordt het Hebreeuwse woord genomen Gen. 1:24, 25, 26, 28, 30.
 
8 Maar Noach 21vond genade in de ogen des HEEREN.
21 Dat is, heeft Hem uit genade behaagd, niet uit eigen waardigheid. Zie deze manier van spreken Gen. 19:19. Ex. 33:13, enz.
 
De zondvloed aangekondigd
9 Dit zijn de 22geboorten van Noach. Noach was een rechtvaardig, 23oprecht man in zijn 24geslachten; bNoach 25wandelde met God.
22 Dat is, geslacht en geschiedenissen, of: hetgeen Noach in zijn geslacht wedervaren is. Want het Hebreeuwse woord betekent niet alleen afkomst, en nakomelingen, maar ook hetgeen denzelven bejegent; dat is inderdaad een historie of verhaal van iemands zaken. Vgl. Gen. 25:19; 37:2. Num. 3:1.
23 Dat is, die in het ware geloof en in de vroomheid des levens ongeveinsd en zonder valsheid was. Zie Gen. 17:1; 25:27. Job 1:1.
24 Dat is, onder de mensen die in zijn eeuw leefden. Alzo Gen. 7:1.
b Gen. 5:22.
25 Zie Gen. 5 op vers 22.
 
10 26En Noach gewon drie zonen: Sem, Cham en Jafeth.
26 Zie Gen. 5:32.
 
11 Maar 27de aarde was verdorven 28voor Gods aangezicht; en de aarde was vervuld met wrevel.
27 Versta de mensen die op de aarde woonden. Zie Gen. 41:57. 2 Sam. 15:23. 1 Kon. 10:24. Ez. 14:13.
28 Dat is, openlijk, stoutelijk, vermetellijk zondigende, niet alleen zonder schaamte voor de mensen, maar ook zonder vrees voor God. Zie Gen. 10:9.
 
12 Toen zag God de aarde, en zie, zij was verdorven; want 29al het vlees had 30zijn weg verdorven op de aarde.
29 Dat is, alle mensen. Alzo moet men het woord vlees ook nemen Ps. 78:39. Jes. 40:6 en elders.
30 Dat is, zijn voornemen, zeden, leven, en wandel. Alzo Job 23:10. Ps. 1:1. Spr. 12:15, enz.
 
13 Daarom zeide God tot Noach: 31Het einde van alle vlees is voor Mijn aangezicht gekomen, want de aarde is 32door hen vervuld met wrevel; en zie, Ik zal hen met de aarde verderven.
31 Dat is, de tijd van hun ondergang is voorhanden, als Ez. 7:2, 3, 6. Amos 8:2.
32 Hebr. van hun aangezicht en met de aarde. Anders: van de aarde.
 
14 Maak u 33een ark van 34goferhout; met 35kamers zult gij deze ark maken; en gij zult ze bepekken van binnen en van buiten met 36pek.
33 Een houten overdekt schip, schier in de gedaante van een kist, bekwaam om te drijven op het water.
34 Wat gofer voor een boom of hout geweest is, is onzeker.
35 Hebr. nesten.
36 Het Hebreeuwse woord betekent een zeer taaie, lijmachtige en vasthoudende materie, aan ons pek niet ongelijk.
 
15 En aldus is het dat gij haar maken zult: driehonderd 37ellen zij de lengte der ark, vijftig ellen haar breedte en dertig ellen haar hoogte.
37 Of: cubieten of ellebogen. Het gevoelen van velen is, dat deze maat drieërlei geweest is: de gemene, de heilige, en de geometrische; en dat de gemene zou geweest zijn van vijf palmen, houdende elke palm de breedte van vier vingers; de heilige van zes, Ez. 40:5 (hoewel enigen menen dat de gemene geweest is van zes palmen, de heilige eens zo groot) die gebruikt werd in de heilige gebouwen, als van den tabernakel en van den tempel; maar dat de geometrische zesmaal langer dan de gemene zou geweest zijn, en dat Noach in het timmeren van de ark (zoals enigen menen) de laatste zou gevolgd hebben.
 
16 Gij zult een 38venster aan de ark maken, en zult 39haar volmaken 40tot een el van boven; en de deur der ark zult gij in haar zijde zetten; gij zult ze met onderste, tweede en derde verdiepingen maken.
38 Anders: klaar licht, hetwelk door een of meer vensters bekwamelijk in de ark verspreid werd.
39 Te weten de ark.
40 Sommigen verstaan dit van het deksel der ark, hetwelk aan beide zijden van boven af de hoogte van één el zou afgaan, tot bekwamen afloop van het water.
 
17 Want Ik, zie, Ik breng een 41watervloed over de aarde, om alle 42vlees, waarin een 43geest des levens is, van onder den hemel te verderven; al wat op de aarde is, zal 44den geest geven.
41 Hebr. mabbul, betekenende een vallenden en nedervellenden vloed.
42 Der mensen en gedierten, uitgenomen de vissen en al wat in de ark was, als volgt.
43 Anders: levende ziel. Zie Gen. 1:20.
44 Hebr. uitademen.
 
18 Maar met u zal Ik 45Mijn verbond oprichten; en cgij zult in de ark gaan, gij en uw zonen en uw huisvrouw en de vrouwen uwer zonen met u.
45 Versta hierdoor, boven het gemene verbond, met alle gelovigen gemaakt, een bijzonder verbond, van Noach te zullen behouden in de ark, mits dat Noach God zou betrouwen en Hem gehoorzamen.
c 1 Petr. 3:20. 2 Petr. 2:5.
 
19 En gij zult 46van al wat leeft, van alle vlees, twee van elk doen in de ark komen, om met u in het leven te behouden: mannetje en wijfje zullen zij zijn;
46 Dat is, van allerlei levende aardse dieren.
 
20 Van het gevogelte naar zijn aard en van het 47vee naar zijn aard, van al het kruipend gedierte des aardbodems naar zijn aard, twee van elk 48zullen tot u komen, om die in het leven te behouden.
47 Zie op vers 7.
48 Versta door Mijn drijving en beschikking, zonder uw moeite of bekommernis. Vgl. dit met Gen. 2:19.
 
21 En gij, neem voor u van 49alle spijze die gegeten wordt, en verzamel ze tot u, opdat zij u en hun tot spijze zij.
49 Dat is, allerlei. Zie Gen. 1:29, 30.
 
22 En Noach deed het; 50dnaar al wat God hem geboden had, zo deed hij.
50 Noach deed alles, en dat op zulke wijze als God bevolen had. Vgl. Ex. 40:16.
d Gen. 7:5. Hebr. 11:7.

Einde Genesis 6