Statenvertaling.nl

sample header image

Genesis 47 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst


Genesis 47

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Jozef dient Farao de komst van zijn vader aan, en brengt vijf van zijn broeders voor hem, vs. 1, enz. Die hen ondervraagt, en hun het land Gosen geeft, 3. Jozef brengt ook zijn vader voor Farao, die hem vraagt naar zijn ouderdom, en van Jakob wordt gezegend, 7. Jozef onderhoudt zijn vader met het ganse huis in Gosen, 11. De Egyptenaars hebbende al hun geld voor koren uitgegeven, verkopen door hongersnood het vee, en daarna lijf en land, aan Farao, voor koren, 13. (uitgenomen de priesters, 22, 26.) Het land wordt hun gelaten om te bouwen, mits gevende Farao het vijfde deel van de vruchten, 23. Jakobs leven in Egypte, en ganse ouderdom, 27. Hij neemt Jozef een eed af aangaande zijn begrafenis, 29.
 
Jakob ontmoet Farao
1 TOEN kwam Jozef en boodschapte Farao en zeide: Mijn vader en mijn broeders, en hun schapen en hun runderen, met alles wat zij hebben, zijn gekomen uit het land Kanaän; aen zie, zij zijn in het land Gosen.
a Gen. 45:10.
 
2 En hij nam 1een deel zijner broederen, te weten vijf mannen, en hij stelde hen voor Farao’s aangezicht.
1 Hebr. het einde, of van het uiterste, dat is (zo enigen verstaan), van de jongsten en van de oudsten. Anders: van de aanzienlijksten of die in aanzienlijkheid uitstaken. Vgl. Richt. 18:2. 1 Kon. 12:31. Jes. 56:11. Ez. 33:2.
 
3 Toen zeide Farao tot 2zijn broederen: Wat is uw hantering? En zij zeiden tot Farao: bUw knechten 3zijn schaapherders, zo wij als onze vaders.
2 Te weten Jozefs.
b Gen. 46:34.
3 Hebr. schaapherder (of veeherder, want het Hebreeuwse woord wordt somtijds breder genomen. Zie Amos 7:15.) in het enkelvoud, dat is, elkeen van uw knechten is een schaapherder.
 
4 Voorts zeiden zij tot Farao: Wij zijn gekomen 4om als vreemdelingen in dit land te wonen; want er is geen weide voor de schapen die uw knechten hebben, dewijl de honger zwaar is in het land Kanaän; en nu, laat toch uw knechten in het land Gosen wonen.
4 Zij willen zeggen dat zij daar gekomen waren, niet om het recht der burgers, of der natuurlijke inlanders te genieten, maar alleen als vreemdelingen, om voor een tijd daar te mogen herbergen, vanwege dezen zwaren honger; totdat zij gelegenheid zouden hebben om naar hun land weder te keren.
 
5 Toen sprak Farao tot Jozef, zeggende: Uw vader en uw broeders zijn tot u gekomen;
6 Egypteland, dat is 5voor uw aangezicht; doe uw vader en uw broeders in het beste van het land wonen; laat hen in het land Gosen wonen; en zo gij weet dat er onder hen 6kloeke mannen zijn, zo zet hen tot veemeesters over hetgeen dat ik heb.
5 Zie Gen. 13 op vers 9.
6 Hebr. mannen van sterkte of kloekheid. Het Hebreeuwse woord betekent in het gemeen kracht of vermogen, en het wordt gebruikt van tijdelijke middelen, Ps. 49:7. Ez. 28:5, van sterkte des lichaams, Ezra 4:23, van verstand, trouw en standvastigheid in enige regering, Ex. 18:21, 25, van kracht en ervarenheid ten oorlog, Deut. 3:18. Richt. 11:1. 1 Sam. 18:17, insgelijks van vlijt en ervarenheid in de huishouding, Ruth 3:11. Spr. 31:10.
 
7 En Jozef bracht zijn vader Jakob mede en stelde hem voor Farao’s aangezicht; en Jakob 7zegende Farao.
7 Op een bijzondere wijze, als een patriarch, den koning in zijn groetenis voor alle eer en vriendschap hem en den zijnen bewezen, dankende, en hem allerlei welvaren van God toewensende. Vgl. 1 Sam. 13:10. 2 Sam. 8:10. Alzo ook onder, vers 10.
 
8 En Farao zeide tot Jakob: 8Hoevele zijn de dagen der jaren uws levens?
8 Dat is, hoe oud zijt gij? Zie Gen. 25:7.
 
9 En Jakob zeide tot Farao: 9De dagen der jaren cmijner vreemdelingschappen zijn honderd en dertig jaren; weinig en 10kwaad zijn de dagen der jaren mijns levens geweest, en 11hebben niet bereikt de dagen van de jaren des levens mijner vaderen in de dagen hunner vreemdelingschappen.
9 Dat is, waarin ik dikwijls als een vreemdeling herwaarts en derwaarts heb moeten trekken en omzwermen. Zie Gen. 17 op vers 8.
c Ps. 119:19. Hebr. 11:9, 13.
10 Jakob wil zeggen, dat zijn leven is geweest vol arbeid, moeite, verdriet, en ellende; ook meerder dan van zijn voorvaderen.
11 Want zijn vader Izak had geleefd 180 jaren, Gen. 35:28, zijn grootvader Abraham 175 jaren, Gen. 25:7, zijn overgrootvader Terah 205 jaren, Gen. 11:32. Jakob is gestorven oud zijnde 147 jaren.
 
10 En Jakob zegende Farao, en ging uit van Farao’s aangezicht.
11 En Jozef bestelde voor Jakob en zijn broeders woningen en hij gaf hun een bezitting in Egypteland, in het beste van het land, 12in het land Rámeses, gelijk als Farao geboden had.
12 Een deel van het land Gosen, waarin, naar het gevoelen van sommigen, gelegen was de stad Rameses. Vgl. Ex. 1:11. Zie ook Ex. 12:37.
 
12 En 13Jozef onderhield zijn vader en zijn broeders en het ganse huis zijns vaders, met brood, 14tot den mond der kinderkens toe.
13 Naar de belofte gedaan Gen. 45:11, en herhaald Gen. 50:21.
14 Of: naar den mond van het kleine kind of van het kindeken, dat is, naar den eis van het getal der kinderen. Anders: naar de gelegenheid, of wijze der kinderkens, dat is, zoals men de kinderkens pleegt te voeden, die men, zonder hun arbeid en verdienste, de spijze in den mond steekt.
 
De behouder ten leven
13 En er was 15geen brood in het ganse land, want de honger was zeer zwaar; zodat het land van Egypte en het land Kanaän 16raasden vanwege dien honger.
15 Dat is, er was overgroot gebrek van alle nooddruft. Dit groot gebrek was meest bij den gemenen man, omdat er geen brood te koop was. Van het woord brood zie Gen. 3:19.
16 Versta de inwoners des lands, die zo door den honger geperst waren, dat zij zeer moeilijk en als onzinnig werden, en nabij om tot beroerten uit te breken. Zie vss. 18, 19.
 
14 Toen verzamelde Jozef al het geld dat in Egypteland en in het land Kanaän gevonden werd, voor het koren dat zij kochten; en Jozef bracht dat geld in Farao’s huis.
15 Als nu het geld uit Egypteland en uit het land Kanaän verdaan was, kwamen al de Egyptenaars tot Jozef, zeggende: Geef ons brood; want 17waarom zouden wij in uw tegenwoordigheid sterven? Want het geld ontbreekt.
17 Dat is, waarom zult gij lijden, dat wij voor uw ogen van honger vergaan, nu wij geen geld meer hebben? Gij kondet het toch wel beteren.
 
16 En Jozef zeide: Geeft uw vee, zo zal ik het u geven voor uw vee, indien het geld ontbreekt.
17 Toen brachten zij hun vee tot Jozef; en Jozef gaf hun brood voor paarden en voor het vee der schapen en voor 18het vee der runderen en voor ezels; en hij 19voedde hen met brood datzelve jaar voor al hun vee.
18 Hieruit, alsook vers 6, blijkt, dat ofschoon de schaapherders den Egyptenaars een gruwel waren, zij nochtans vee tot zeker gebruik gehad hebben.
19 Hebr. leidde hen zoetkens.
 
18 Toen datzelve jaar voleind was, zo kwamen zij tot hem in 20het tweede jaar en zeiden tot hem: Wij zullen het voor mijn heer niet verbergen, alzo het geld verdaan is en de bezitting der beesten gekomen 21aan mijn heer, zo is er niet anders overgebleven 22voor het aangezicht mijns heren dan ons lichaam en ons land.
20 Niet van den honger, maar het tweede jaar na het voorgaande, in hetwelk zij hun beesten voor koren verwisseld hadden. Dit tweede jaar was het zevende van den duren tijd.
21 Te weten door hem hetzelve voor koren over te laten.
22 Dat is, dat mijn heer zien mag, en dat hij van ons meer eisen en ontvangen kan. Of dat wij voor mijn heer zouden kunnen voortbrengen om koren te kopen.
 
19 Waarom zullen wij voor uw ogen sterven, zo wij 23als ons land? Koop ons en ons land voor brood; zo zullen wij en ons land Farao 24dienstbaar zijn; en geef 25zaad, opdat wij leven en niet sterven, en het land niet woest worde.
23 Versta door het sterven van het land de verwoesting, als in het einde van het vers verklaard wordt. Anders: wij en ons land zijn nog, te weten overig; koop ons, enz.
24 Hebr. knechten of slaven zijn.
25 Om te zaaien.
 
20 Alzo kocht Jozef het gehele land van Egypte voor Farao; want de Egyptenaars verkochten een ieder zijn akker, dewijl de honger sterk over hen geworden was; 26zo werd het land Farao’s eigen.
26 Tevoren had het land Farao wel toebehoord door het recht van het opperste gebied, maar nu kwam het hem ook toe door het recht van eigendom.
 
21 En het volk aangaande, 27dat zette hij over in de steden, 28van het ene uiterste der pale van Egypte tot het andere uiterste van hetzelve.
27 Hebr. hij deed hen overgaan. Hij wil zeggen, dat hij het volk het gehele land door van zijn woonplaats deed veranderen, uit de ene stad of hoek des lands, waar hun goederen gelegen waren, in een andere, waarheen het Farao beliefde hen te zenden, opdat het metterdaad blijken zou, dat zij voortaan niets eigens hadden, maar dat het gehele land den koning volkomenlijk toekwam.
28 Dat is, van de ene uiterste landpale tot de andere.
 
22 Alleen het land 29der priesters kocht hij niet; want de priesters hadden een bescheiden deel van Farao, en zij aten het hun bescheiden deel, hetwelk hun Farao gegeven had; daarom verkochten zij hun land niet.
29 Versta zulke personen, die omtrent den godsdienst en de wijsheid der Egyptenaars hun werk hadden, dewelke, overmits zij hun onderhoud van den koning ontvingen, niet behoefden hun land te verkopen. Enigen zetten het over ambtlieden, omdat het Hebreeuwse woord (doch zelden) zulks betekent. Zie Gen. 41:45.
 
23 Toen zeide Jozef tot het volk: Zie, ik heb heden u en uw land gekocht voor Farao; zie, er is zaad voor u, 30opdat gij het land bezaait.
30 Hieruit is af te leiden, dat dit geschied is in het laatste jaar van den duren tijd. Vgl. de aant. op vers 18.
 
24 Doch met de inkomsten zal het geschieden, dat gij Farao het vijfde deel zult geven; en de vier 31delen zullen voor u zijn tot zaad des velds en tot uw spijze en van degenen die in uw huizen zijn, en om te eten voor uw kinderkens.
31 Hebr. handen, dat is, delen, als Gen. 43:34.
 
25 En zij zeiden: Gij hebt ons 32leven behouden; laat ons 33genade vinden in de ogen mijns heren, en wij zullen Farao’s 34knechten zijn.
32 Hebr. levend gemaakt, dat is, in het leven behouden. Alzo Gen. 6:19; 45:7. De Egyptenaars verklaren, dat zij met de voorgeslagen conditie van Farao’s akkers te bouwen, weltevreden waren, en zij achten dat hun nog grote beleefdheid of gunst geschiedde.
33 Zie deze manier van spreken Gen. 18 op vers 3.
34 Dat is, lijfeigenen.
 
26 Jozef dan stelde ditzelve in tot 35een wet, 36tot op dezen dag, over het land van Egypte, 37dat Farao het vijfde deel zou hebben; behalve dat alleen het land der priesters van Farao niet werd.
35 Of: inzetting, ordinantie, recht, wijze, gebruik.
36 Dat is, welke wet nog tot heden toe duurt.
37 Dat is, dat het land Farao’s eigen zou zijn, met het vijfde deel van het inkomen.
 
27 Zo woonde Israël in het land van Egypte, in het land Gosen; en zij stelden zich tot bezitters daarin, en zij werden vruchtbaar en vermeerderden zeer.
 
Jakobs levenseinde nadert
28 En Jakob leefde in het land van Egypte zeventien jaar; zodat de dagen van Jakob, de jaren zijns levens, geweest zijn honderd zeven en veertig jaar.
29 Als nu de dagen van Israël naderden, dat hij sterven zou, zo riep hij zijn zoon Jozef en zeide tot hem: Indien ik nu genade gevonden heb in uw ogen, 38zo dleg toch uw hand onder mijn heup, en doe weldadigheid en trouw aan mij: 39begraaf mij toch niet in Egypte;
38 Zie Gen. 24 op vers 2.
d Gen. 24:2.
39 Hij sterkt zich hiermede in het geloof van Gods belofte, en wil door zijn voorbeeld al de zijnen tot volharding in hetzelve vermanen. Insgelijks deed Jozef, Gen. 50:24, 25.
 
30 Maar dat ik bij mijn vaderen ligge; hierom zult gij mij uit Egypte voeren en mij in 40hun graf begraven. En hij zeide: Ik zal doen naar uw woord.
40 Te weten in het graf van Abraham en Izak, in het land Kanaän, in de spelonk van Machpela in Hebron. Zie Gen. 23:19; 25:9; 35:29.
 
31 En 41hij zeide: Zweer mij; en 42hij zwoer hem. eEn Israël 43boog zich 44ten hoofde van het bed.
41 Namelijk Jakob.
42 Namelijk Jozef.
e Hebr. 11:21.
43 Te weten voor den Heere. Dat is, hij riep God aan, Hem dankende voor de versterking zijns geloofs, die hij uit Jozefs belofte en eed gekregen had.
44 Vanwege zijn zwakheid in het bed zittende, en niet kunnende opstaan om staande of knielende te bidden.

Einde Genesis 47