Statenvertaling.nl

sample header image

Genesis 40 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst


Genesis 40

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

De opperste schenker en bakker van Farao worden in de gevangenis gesteld en Jozef bevolen, vs. 1, enz. Zij dromen elk een droom, die Jozef hunlieden uitlegt, met begeerte aan den schenker, dat hij in zijn ambt volgens zijn droom hersteld zijnde, aan hem ten beste wilde gedenken, 5. Jozefs uitlegging wordt aan beide gevangenen metterdaad bevestigd; maar de schenker vergeet Jozef, 20.
 
De schenker en de bakker dromen
1 EN het geschiedde na deze dingen, dat de 1schenker des konings van Egypte en de bakker zondigden tegen hun heer, tegen den koning van Egypte,
1 Dat is, de overste van de schenkers, en de overste van de bakkers, als blijkt uit vers 2.
 
2 Zodat Farao zeer toornig werd op zijn twee 2hovelingen, op den overste der schenkers en op den overste der bakkers.
2 Zie Gen. 37 op vers 36.
 
3 En hij leverde hen in bewaring ten huize van den overste 3der trawanten, 4in het gevangenhuis, ter plaatse waar Jozef 5gevangen was.
3 Zie Gen. 37 op vers 36.
4 Zie Gen. 39 op vers 20.
5 Hebr. gebonden. Alzo Gen. 39:20 en onder, vers 5.
 
4 En de overste der trawanten bestelde Jozef bij hen, dat hij hen diende; en zij waren 6sommige dagen in bewaring.
6 Anders: vele dagen. Zie Gen. 4 op vers 3.
 
5 Zij droomden nu beiden een droom, elk zijn droom, in één nacht, 7elk naar de uitlegging zijns drooms, de schenker en de bakker, 8die van den koning van Egypte waren, die gevangen waren in het gevangenhuis.
7 Dat is, het waren geen ijdele dromen, maar elk had zijn beduiding, die Jozef door Gods ingeven aan hen gedaan heeft, en die door de uitkomst bevestigd zijn. Zie vss. 12, 18, 19, 20, enz.
8 Dat is, die tevoren in des konings dienst waren geweest, maar nu gevangen lagen.
 
6 En Jozef kwam des morgens tot hen, en hij zag hen aan, en zie, zij waren 9ontsteld.
9 Of: verbaasd, beroerd. Het Hebreeuwse woord betekent grote ontsteltenis des gemoeds, komende uit bekommering, zorg, vrees, droefenis, en heftige gramschap. Dit is nu de aard der dromen die God den mensen toeschikt, dat zij dezelve beroeren en ontstellen. Zie Gen. 41:8. Dan. 2:1. Matth. 27:19.
 
7 Toen vraagde hij aan de hovelingen van Farao, die bij hem waren in 10hechtenis van het huis zijns heren, zeggende: Waarom zijn uw aangezichten heden 11kwalijk gesteld?
10 Hebr. bewaring.
11 Hebr. kwaad, dat is, droevig, bekommerd. Alzo wordt dit woordje genomen Neh. 2:1, 2, 3. Spr. 25:20.
 
8 En zij zeiden tot hem: Wij hebben een droom gedroomd, en 12er is niemand die hem uitlegge. En Jozef zeide tot hen: 13Zijn de uitleggingen niet Godes? Vertelt ze mij toch.
12 Dat is, wij hebben hier geen waarzegger of droombeduider bij ons, en het is ons niet geoorloofd uit te gaan om te vragen, want zij hadden vele waarzeggers, als te zien is Gen. 41:8.
13 Jozef trekt hen van de droombeduiders af, tot God, als van Welken zulke dromen en derzelver rechte beduidingen afkwamen.
 
9 Toen vertelde de overste der schenkers Jozef zijn droom, en zeide tot hem: 14In mijn droom, 15zie, zo was een wijnstok voor mijn aangezicht;
14 Dat is, als ik droomde, of als ik in mijn droom was.
15 Dit woordje wordt in het verhalen der dromen veel gebruikt, om aan te wijzen dat dezelve zeldzaam en wonderlijk zijn, niet alleen voor degenen die ze verhalen, maar ook aan wie ze verhaald worden. Zie Gen. 37:7, 9; onder, vers 16; 41:2, 3. Richt. 7:13. Dan. 4:10.
 
10 En aan den wijnstok waren drie ranken; en hij was als bottende, zijn bloeisel ging op, 16zijn trossen brachten rijpe druiven voort.
16 Hebr. zijn trossen rijpten of volkookten de druiven.
 
11 En Farao’s beker was in mijn hand; en ik nam die druiven en drukte ze uit in Farao’s beker en ik gaf den beker op Farao’s hand.
12 Toen zeide Jozef tot hem: Dit is zijn uitlegging: de drie ranken 17zijn drie dagen;
17 Dat is, betekenen drie dagen; als ook vers 18 en Gen. 41:26, 27. Dan. 2:38; 4:22. Matth. 13:19, 38. Luk. 8:11. 1 Kor. 10:4.
 
13 Binnen nog drie dagen zal Farao 18uw hoofd verheffen en zal u in uw staat herstellen; en gij zult Farao’s beker in zijn hand geven, naar de vorige 19wijze, toen gij zijn schenker waart.
18 Dat is, in het overzien van zijn officieren zal hij u mederekenen onder degenen die in hun ambt zullen blijven of hersteld worden. Niet zeer ongelijke manier van spreken vindt men ook Ex. 30:12. Num. 1:2; 26:2, enz., alwaar de hoofden verheffen zoveel is als optellen en de som van enige mensen opnemen.
19 Het Hebreeuwse woord wordt ook alzo genomen Lev. 5:10; 9:16. Num. 15:24; 29:18. 2 Kron. 35:13, enz.
 
14 Doch gedenk mijner 20bij uzelven, wanneer het u welgaan zal, en doe toch weldadigheid aan mij, en doe van mij melding bij Farao en maak dat ik uit dit huis kom.
20 Hebr. met u.
 
15 Want 21ik ben diefelijk ontstolen uit het 22land der Hebreeën; en ook heb ik hier niets gedaan, dat zij mij in dezen kuil gezet hebben.
21 Hebr. ik ben gestolen wordende, gestolen.
22 Dat is, het land Kanaän, waar de Hebreeën te dien tijde als vreemdelingen woonden, en dat hun door God beloofd was.
 
16 Toen de overste der bakkers zag, 23dat hij een goede uitlegging gedaan had, zo zeide hij tot Jozef: 24Ik was ook in mijn droom, en zie, drie 25getraliede korven waren op mijn hoofd;
23 Hebr. dat hij het goede uitgelegd had, dat is, ten beste en tot voordeel van den schenker.
24 Vgl. vers 9 en de aant. daarop.
25 Anders: witte, gevlochten, of vol gaten, gelijk de netten.
 
17 En in den oppersten korf was van 26alle spijze van Farao, die bakkerswerk is; en het gevogelte at dezelve uit den korf van boven mijn hoofd.
26 Dat is, allerlei.
 
18 Toen antwoordde Jozef en zeide: Dit is zijn uitlegging: de drie korven 27zijn drie dagen;
27 Zie vers 12.
 
19 Binnen nog drie dagen zal 28Farao uw hoofd verheffen van boven u en hij zal u aan een hout 29hangen, en het gevogelte zal uw vlees van boven u eten.
28 Jozef gebruikt hier wel dezelfde woorden die hij vers 13 gebruikt heeft, maar in een anderen zin, blijkende zulks uit de bijgevoegde woorden van op u, dewelke te kennen geven dat de opperbakker in het overzien der officieren wel mede in rekening zou komen, maar alzo dat hem zijn ambt afgenomen zou worden.
29 Dat is, doen hangen, en zo vers 22. Anders: opheffen, wegnemende hetzelve van u.
 
20 En het geschiedde ten derden dage, ten dage 30van Farao’s geboorte, 31dat hij voor al zijn knechten een maaltijd maakte; en hij verhief het hoofd van den overste der schenkers en het hoofd van den overste der bakkers in het midden zijner knechten.
30 Hebr. als Farao geboren was.
31 Zie van gelijken maaltijd Matth. 14:6.
 
21 En hij deed den overste der schenkers wederkeren tot zijn 32schenkambt, zodat hij den beker op Farao’s hand gaf.
32 Hebr. schenking.
 
22 Maar den overste der bakkers 33hing hij op; gelijk Jozef hun uitgelegd had.
33 Te weten door zijn scherprechter. Wat men door een ander doet, wordt men gezegd zelf te doen, zowel het kwade, Gen. 20:3. 1 Sam. 22:21. 2 Sam. 12:9; 24:10. 1 Kon. 21:19, als het goede, en middelmatige, Gen. 46:29. 1 Kon. 3:4; 7:1, 2.
 
23 Doch de overste der schenkers gedacht aan Jozef niet, maar 34vergat hem.
34 Te weten bij Farao, en dat twee ganse jaren lang, als blijkt uit Gen. 41:1.

Einde Genesis 40