Statenvertaling.nl

sample header image

Genesis 35 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst


Genesis 35

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Jakob, zijn huis gezuiverd en tot den godsdienst voorbereid hebbende, vertrekt op Gods bevel naar Bethel, vs. 1, enz. Alwaar hij onbeschadigd gekomen zijnde een altaar bouwt, 6. Dood en begrafenis van Debora, voedster van Rebekka, 8. God verschijnt Jakob, hem andermaal gevende den naam van Israël met vernieuwing van Zijn beloften, 9. Dies Jakob een gedenkteken opricht, en de plaats vernoemt, 14. Vandaar vertrekkende, sterft Rachel in den arbeid van Benjamin, en wordt aldaar begraven, 16. Ruben bedrijft bloedschande in zijns vaders huis, 22. Register van Jakobs zonen, 23. Jakob komt eindelijk tot zijn vader Izak, dewelke sterft, en wordt van hem en Ezau begraven, 27.
 
Jakob komt terug te Bethel
1 DAARNA zeide God tot Jakob: Maak u op, trek op naar Bethel en woon aldaar; en 1maak daar een altaar voor dien God aDie u verscheen, btoen gij vluchttet voor het aangezicht van uw broeder Ezau.
1 Om te gedenken de beloften die Ik daar aan u gedaan heb, en gij aan Mij, Gen. 28:13, 14, 20. Dit schijnt daartoe te dienen, dat Jakob getroost en gesterkt mocht worden tegen de vrees waarmede hij bevangen was. Zie Gen. 34:30.
a Gen. 28:12, 13.
b Gen. 27:43.
 
2 Toen zeide Jakob tot zijn 2huisgezin en tot 3allen die bij hem waren: Doet weg de 4vreemde goden 5die in het midden van u zijn, en 6reinigt u en verandert uw klederen;
2 Hebr. huis. Zie Gen. 7 op vers 1.
3 Knechten en dienstmaagden, en die van buiten bijgekomen waren.
4 Hebr. goden des vreemden. Versta de beelden der afgoden, die van vreemde volken gediend waren, niet zijnde de ware God, Die Zich aan Abraham, Izak en Jakob geopenbaard had. Zo worden de afgoden genoemd Deut. 31:16; 32:12. Joz. 24:20. Ps. 81:10. Dezelve worden geheten andere goden, Deut. 6:14. Joz. 23:16. Richt. 10:13. Insgelijks nieuwe goden, Richt. 5:8.
5 Het blijkt hieruit, dat onder Jakobs gezin nog enige beelden verborgen waren, hetzij dat zij waren de afgoden van Laban, Gen. 31:19, of enige kostelijke beelden die zij uit de plundering van Sichem gekregen, of die andere gevangenen daar gebracht hadden.
6 Om met deze uitwendige ceremonie te betuigen de inwendige zuivering, en bekering des harten, die zij niet alleen ten aanzien van de afgodische besmetting, maar ook inzonderheid van dien moord der Sichemieten van node hadden, om zich te bereiden tot den statelijken godsdienst, dien Jakob door Gods bevel met zijn huisgezin zou verrichten. Zie Ex. 19:10, 14.
 
3 En laat ons ons opmaken en optrekken naar Bethel; en ik zal daar een altaar maken voor dien God 7Die mij antwoordt ten dage mijner benauwdheid, en met mij geweest is 8op den weg dien ik gewandeld heb.
7 Dat is, Die mij pleegt te verhoren. God antwoordt Zijn volk, als Hij met woorden of werken doet blijken dat Hij hetzelve verhoord heeft. Zie 1 Kon. 18:24. Ps. 22:22. Jes. 41:17, 18.
8 Te weten van Haran tot hiertoe.
 
4 Toen gaven zij Jakob al de vreemde goden 9die in hun hand waren, en de 10oorsierselen die aan hun oren waren; en Jakob 11verborg ze onder den eikenboom die bij Sichem is.
9 Dat is, die zij bij zich hadden. Zie 2 Sam. 8 op vers 10.
10 Deze heeft Jakob hun afgenomen, óf omdat zij uit de plundering der afgoden van Sichem gekregen, óf ter ere van dezelve waren gedragen geweest; óf tot enig misbruik den zijnen hadden kunnen dienen.
11 Zonder dat zijn volk wist waar hij ze liet, opdat niemand dezelve mocht vinden en tot bijgeloof en afgoderij misbruiken.
 
5 En zij reisden heen; en 12Gods verschrikking was over de steden die rondom hen waren, zodat zij de zonen van Jakob niet achternajaagden.
12 Dat is, die van God toegezonden, en zeer groot was. Alzo Ex. 23:27. 2 Kron. 14:14; 17:10. Het woord God wordt somtijds gebruikt om de grootheid en uitnemendheid van enige zaak uit te drukken. Zie Gen. 13 op vers 10. Zonder deze verschrikking zou Jakob met al de zijnen lichtelijk overvallen en vernield geweest zijn, om de daad van Simeon en Levi te Sichem begaan, Gen. 34:25.
 
6 Alzo kwam Jakob te 13Luz, hetwelk is in het land Kanaän (dat is 14Bethel), hij en al het volk dat bij hem was.
13 Zie Gen. 12:8; 28:19.
14 Alzo van Jakob vernoemd.
 
7 En hij bouwde aldaar een altaar en cnoemde die plaats 15El Bethel; want 16God was hem aldaar geopenbaard geweest, als hij voor zijns broeders aangezicht vluchtte.
c Gen. 28:19.
15 Dat is, God is te Bethel. Zo noemt hij deze plaats de tweede maal; zie Gen. 28:19 en vgl. Gen. 33 de aant. op vers 20.
16 Zie Gen. 28:13 en de manier van spreken Gen. 20:13.
 
8 En 17Debóra, de voedster van Rebekka, stierf en zij werd begraven onder aan Bethel, onder dien eik welks naam hij noemde 18Allon-Báchuth.
17 Die met Rebekka uit Mesopotamië gezonden was naar het land van Kanaän. Zie Gen. 24:59.
18 Dat is, eik des wenens, omdat zij Debora aldaar beklaagd en beweend hebben.
 
9 En dGod verscheen Jakob wederom, als hij van Paddan-Aram gekomen was; en Hij zegende hem.
d Hos. 12:5.
 
10 En God zeide tot hem: 19Uw naam is Jakob; euw naam zal voortaan niet Jakob genoemd worden, maar Israël zal uw naam zijn; en Hij noemde zijn naam Israël.
19 God bevestigt hier aan Jakob hetgeen Hij hem tevoren gezegd had. Zie Gen. 32 op vers 28.
e Gen. 32:28. 2 Kon. 17:34.
 
11 Voorts zeide God tot hem: fIk ben 20God de Almachtige; 21zijt vruchtbaar en vermenigvuldig; geen volk, ja, een hoop der volken zal uit u worden, en hkoningen zullen 22uit uw lendenen voortkomen.
f Gen. 17:1; 28:3; 48:3.
20 Zie Gen. 17:1.
21 God bevestigt hier den zegen van zijn vader Izak, dien hij hem gaf toen hij vluchtte naar Mesopotamië. Zie Gen. 28:3, 4.
g Gen. 17:6, 16.
h Matth. 1:6.
22 Dat is, uit uw eigen vlees en bloed geboren worden. Alzo 1 Kon. 8:19. 2 Kron. 6:9. Hand. 2:30. Vgl. Gen. 46:26.
 
12 En dit land, dat Ik Abraham en Izak gegeven heb, dat zal Ik u geven; en uw zaad na u zal Ik dit land geven.
13 Toen 23voer God van hem op, in die plaats waar Hij met hem gesproken had.
23 Hebr. voer op van boven hem. God wordt gezegd op te klimmen, en neder te dalen, niet veranderende de plaatsen (aangezien Hij overal is), maar de tekenen Zijner tegenwoordigheid, die Hij openbaart door Zijn nederdalen, als Gen. 11:5. Ex. 3:8. Num. 11:17, of wegneemt door Zijn opklimmen, als hier en Gen. 17:22. Richt. 13:20.
 
14 En 24Jakob istelde een opgericht teken op, in die plaats waar Hij met hem gesproken had, een stenen opgericht teken; en hij stortte daarop 25drankoffer en goot olie daarover.
24 Jakob vernieuwt hier het gedenkteken dat hij tevoren opgericht had, Gen. 28:18, omdat het door langheid des tijds of moedwil der ingezetenen mocht vervallen of afgeworpen zijn, opdat het mocht strekken tot een eeuwige gedachtenis van Gods weldaad en van zijn schuldigen plicht.
i Gen. 28:18.
25 Versta hierdoor, óf de olie, als terstond volgt, óf wijn, óf enige andere vochtigheid die gemeenlijk gebruikt werd in drankoffers of in gietoffers ter dankzegging.
 
15 En Jakob 26noemde den naam dier plaats, alwaar God met hem gesproken had, Bethel.
26 Willende zijn belofte volbrengen, zo vernieuwt hij niet alleen het gedenkteken, maar ook den naam. Deze plaats schijnt verscheiden te zijn van El Bethel, vers 7.
 
Rachel sterft
16 En zij reisden van Bethel; en er was nog 27een kleine streek lands om tot 28Efrath te komen; en Rachel baarde, en zij had het hard in haar baren.
27 Anders: omtrent een voedering of pleistering lands, dat is, zoveel land als men reist eer men pleistert; een mijl weegs. Zie Gen. 48:7. 2 Kon. 5:19.
28 Dit is de naam van een stad, die gemeenlijk Bethlehem genoemd wordt. Zie deze beide namen vers 19. Micha 5:1.
 
17 En het geschiedde als zij het hard had in haar baren, zo zeide de vroedvrouw tot haar: Vrees niet, want dezen zoon 29zult gij ook hebben.
29 Of: hebt gij ook, boven Jozef, gelijk gij gewenst hebt dat u nog een boven hem zou toegevoegd worden, Gen. 30:24.
 
18 En het geschiedde 30als haar ziel uitging 31(want zij stierf), dat zij zijn naam noemde 32Ben-oni; maar zijn vader noemde hem 33Benjamin.
30 Een klare beschrijving van den dood, uit dewelke blijkt dat hij is een scheiding van de ziel, die tot een ander leven overblijft en gaat uit het lichaam, hetwelk door den dood vergaat. Waarom ook gezegd wordt van degenen die nog leven, dat hun ziel in hen is, 2 Sam. 1:9, en van degenen die sterven, dat hun geest uitgaat, Ps. 146:4; en van degenen die verrijzen, dat hun geest in hen wederkeert, 1 Kon. 17:21, 22.
31 Of: dat zij stierf, en noemde of had genoemd.
32 Dat is, zoon van mijn smart, van mijn weedom.
33 Dat is, zoon der rechterhand, dat is, die mij altijd naastbij en zeer lief zal zijn, als voor den mens zijn rechterhand, Ps. 80:18.
 
19 kAlzo stierf Rachel; en zij werd begraven aan den weg naar 34Efrath, dat is 35Bethlehem.
k Gen. 48:7.
34 Deze naam schijnt Bethlehem gegeven te zijn van Kalebs huisvrouw; zie 1 Kron. 2:19, 24; en daarmede wordt ook dit Bethlehem, gelegen in den stam van Juda (Micha 5:1. Matth. 2:6), onderscheiden van een ander Bethlehem, gelegen in den stam van Zebulon, Joz. 19:15.
35 Bethlehem betekent een huis des broods.
 
20 En Jakob richtte een gedenkteken op boven haar graf; dat is het gedenkteken van Rachels graf 36tot op dezen dag.
36 Te weten ten tijde als Mozes dit schreef; ja, het stond nog ten tijde van Samuël en Saul, 1 Sam. 10:2. Van den kindermoord dien Herodes hieromtrent heeft aangericht ten tijde van Christus’ geboorte, zie Jer. 31:15. Matth. 2:16, 17.
 
21 Toen verreisde 37Israël, en hij spande zijn tent op gene zijde van 38Migdal-Eder.
37 Hier wordt Jakob eerst Israël genoemd, naar het bevel Gods vers 10.
38 Dat is, een toren der kudde. Zie ook Micha 4:8.
 
22 En het geschiedde als Israël in dat land woonde, dat Ruben heenging en llag bij Bilha, zijns vaders 39bijwijf; en 40Israël hoorde het. En de zonen van Jakob waren twaalf.
l Gen. 49:4.
39 Zie Gen. 22 op vers 24.
40 Zonder twijfel met groot hartenleed, ziende dat door deze daad van Ruben God vertoornd, zijn huisgezin onteerd, en oorzaak van lastering gegeven was; zodat Jakob liggende op zijn sterfbed reden had om zich te beklagen over deze schandelijke daad, Gen. 49:3, 4, en Ruben het recht der eerstgeboorte te benemen, 1 Kron. 5:1, 2.
 
23 m41De zonen van Lea waren: Ruben, Jakobs eerstgeborene, daarna Simeon, en Levi, en Juda, en Issaschar en Zebulon.
m Gen. 46:8. Ex. 1:2.
41 Deze twaalf zonen van Jakob worden hier verhaald, omdat hun getal na Benjamins geboorte en Rachels dood nu vol was, en hem geen zonen meer geboren zijn, en dat deze twaalf geweest zijn de vaderen der twaalf stammen Israëls, van welke hierna dikwijls zal gesproken worden.
 
24 De zonen van Rachel: Jozef en Benjamin.
25 En de zonen van Bilha, Rachels dienstmaagd: Dan en Naftali.
26 En de zonen van Zilpa, Lea’s dienstmaagd: Gad en Aser. Dat zijn Jakobs zonen, 42die hem geboren zijn in Paddan-Aram.
42 Uitgenomen Benjamin, die bij Efrath in het land Kanaän geboren is, vers 16. Maar Mozes spreekt zo aangezien al de anderen daar geboren zijn. Dit is een manier van spreken waardoor iets niet precies of ten nauwste wordt gesteld, maar in het gros en in zeker opzicht. Zie Gen. 15:13; 46:15. Richt. 20:46. 1 Kor. 15:5.
 
Izak sterft
27 En Jakob kwam tot Izak, zijn vader, in 43Mamre te 44Kirjath-Arba, hetwelk is 45Hebron, waar Abraham als vreemdeling had verkeerd, 46en Izak.
43 Een plaats van dewelke men zien kan Gen. 23:17. Alzo genoemd van Abrahams bondgenoot, die Mamre heette. Zie Gen. 13 op vers 18 en Gen. 14:13, 24.
44 Zie Gen. 23:2.
45 Zie Gen. 13:18; 23:2, 19.
46 Die daar nog als vreemdeling woonde.
 
28 En de dagen van Izak waren honderd jaar en tachtig jaar.
29 En Izak 47ngaf den geest en stierf, en werd verzameld 48tot zijn volken, oud en zat van dagen; en zijn zonen Ezau en Jakob 49begroeven hem.
47 Vgl. Gen. 25:8.
n Gen. 25:8.
48 Zie Gen. 15 op vers 15.
49 Te weten in de spelonk waarvan te lezen is Genesis 23, in dewelke ook Abraham begraven lag, Gen. 25:9. Deze was in Hebron, waar Izak gestorven is. Dit is geschied lang na dezen tijd, overmits Jakob wel 23 jaren in Kanaän na zijn wederkomst uit Mesopotamië gewoond had, eer zijn vader stierf. Maar het wordt hier van Mozes verhaald, om hiermede uit Izaks historie te scheiden en Jakobs historie te vervolgen.

Einde Genesis 35