Statenvertaling.nl

sample header image

Genesis 30 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst


Genesis 30

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Rachel, onverduldig zijnde over haar onvruchtbaarheid, geeft Jakob haar dienstmaagd Bilha, die hem baart Dan en Naftali, vs. 1, enz. Insgelijks Lea, stilstaande van baren, geeft Jakob haar dienstmaagd Zilpa, die hem baart Gad en Aser, 9, enz. Ruben vindt dudaïm, en Lea zelve wordt weder bevrucht, en baart Issaschar, Zebulon, en een dochter Dina, 14. Ten laatste baart ook Rachel Jozef, 22. Als nu Jakob begeerde met zijn huisgezin naar zijn land te trekken, houdt Laban hem met een nieuw beding van loon, 25. Waardoor Jakob, tegen Labans vermoeden, zeer rijkelijk van God wordt gezegend, 37.
 
Rachel benijdt Lea
1 ALS nu Rachel zag dat zij Jakob niet baarde, zo 1benijdde Rachel haar zuster; en zij zeide tot Jakob: Geef mij kinderen, of indien niet, 2zo ben ik dood.
1 Of: zij werd jaloers.
2 Dat is, zo moet ik sterven van hartzeer. Woorden van menselijke zwakheid, gesproten uit onverduldigheid. Zie deze manier van spreken Gen. 20:3.
 
2 Toen ontstak Jakobs toorn tegen Rachel, en hij zeide: 3Ben ik dan in plaats van God, Die de 4vrucht des buiks van u geweerd heeft?
3 Dat is, ben ik dan almachtig, dat ik u vruchtbaar maken kan? Het is God alleen Die kinderen geven kan. Zie 1 Sam. 2:5. Ps. 113:9; 127:3. Gelijke woorden spreekt Jozef Gen. 50:19.
4 Dat is, kinderen, Deut. 7:13; 28:4. Ps. 132:11. Jes. 13:18. Zo wordt ook Christus genoemd ten aanzien van Zijn menselijke natuur, Luk. 1:42.
 
3 5En zij zeide: Zie, daar is mijn dienstmaagd Bilha, ga tot haar in; dat zij 6op mijn knieën bare, en ik ook uit haar 7gebouwd worde.
5 Zij volgt liever het voorbeeld van Sara, Gen. 16:2, dan het loffelijk voorbeeld van Izak en Rebekka, Gen. 25:21.
6 Dat is, opdat ik de kinderen die zij van u krijgt, in mijn schoot ontvange en voor de mijne houde. Zie gelijke manier van spreken Gen. 50:23.
7 Zie van deze manier van spreken Gen. 16 op vers 2.
 
4 Zo gaf zij hem haar dienstmaagd Bilha 8tot een vrouw; en Jakob ging tot haar in.
8 Zie Gen. 16:3.
 
5 En Bilha werd zwanger en baarde Jakob een zoon.
6 Toen zeide Rachel: 9God heeft mij gericht, en ook mijn stem verhoord, en heeft mij een zoon gegeven. Daarom noemde zij zijn naam 10Dan.
9 Dat is, Hij heeft mijn zaak tot mijn voordeel beslecht. Zie Gen. 15:14.
10 Dat is, die een zaak voert, recht wijst of gericht oefent.
 
7 En Bilha, Rachels dienstmaagd, werd weder bevrucht en baarde Jakob den tweeden zoon.
8 Toen zeide Rachel: Ik heb 11worstelingen Gods met mijn zuster geworsteld, ook heb ik de overhand gehad. En zij noemde zijn naam 12Naftali.
11 Dat is, zeer grote, zware, uitnemende. Zie Gen. 13 op vers 10. De zin is: Ik en mijn zuster hebben (om zo te zeggen) tegen elkander gekampt en gestreden om kinderen te krijgen. En het is mij gegaan naar mijn wens boven het vermoeden van mijn zuster. Of: worstelingen Gods, dat is, met gebeden tot God, met welke ik tegen mijn zuster geworsteld, en door Zijn genade overwonnen heb.
12 Dat is, mijn worsteling.
 
9 Toen nu Lea zag dat zij ophield van baren, 13nam zij ook haar dienstmaagd Zilpa, en gaf die aan Jakob tot een vrouw.
13 Uit een menselijken strijd zich niet vergenoegende met den voorgaanden zegen.
 
10 En Zilpa, Lea’s dienstmaagd, baarde Jakob een zoon.
11 Toen zeide Lea: 14Er komt een hoop. En zij noemde zijn naam 15Gad.
14 Of: Er is een hoop gekomen, dat is, deze zoon, gevoegd bij de voorgaande, zal een hoop, of bende volks maken. In het Hebreeuws is een woord hetwelk uit twee samengevoegd is, alsof men zeide: Hoop komt.
15 Dat is, hoop, schare, bende.
 
12 Daarna baarde Zilpa, Lea’s dienstmaagd, Jakob den tweeden zoon.
13 Toen zeide Lea: 16Tot mijn geluk, want de 17dochters zullen mij gelukkig achten. En zij noemde zijn naam 18Aser.
16 Of: Met mijn geluk; versta: wordt mij nog deze zoon geboren.
17 Versta de vrouwen in het gemeen.
18 Dat is, gelukkig, of die gelukkig maakt, of geluk toebrengt.
 
14 En Ruben ging in de dagen van den tarweoogst, en hij vond 19dûdaïm in het veld, en hij bracht ze tot zijn moeder Lea. Toen zeide Rachel tot Lea: Geef mij toch van uws zoons dûdaïm.
19 Dit woord betekent enige lieflijke vruchten of bloemen, zeer aangenaam van reuk, kleur en smaak; hoedanige bij ons plegen genoemd te worden minnebloemen, of liefappelen. Het woord wordt nergens meer gevonden dan hier en Hoogl. 7:13.
 
15 En zij zeide tot haar: Is het weinig dat gij mijn man genomen hebt, dat gij ook mijns zoons dûdaïm nemen zult? Toen zeide Rachel: Daarom zal hij dezen nacht voor uws zoons dûdaïm bij u liggen.
16 Als nu Jakob des avonds uit het veld kwam, ging Lea uit hem tegemoet en zeide: Gij zult tot mij inkomen; want ik heb u 20om loon zekerlijk gehuurd voor mijns zoons dûdaïm; en hij lag denzelven nacht bij haar.
20 Hebr. ik heb u om loon hurende om loon gehuurd, dat is, vastelijk, zekerlijk, uitdrukkelijk. Anders: om bedongen of bestemd loon heb ik u gehuurd.
 
17 En God 21verhoorde Lea; en zij werd bevrucht en baarde Jakob den vijfden zoon.
21 Uit genade, niettegenstaande haar menselijke zwakheid en gebrekkigheid.
 
18 Toen zeide Lea: God 22heeft mijn loon gegeven, nadat ik mijn dienstmaagd aan mijn man gegeven heb. En zij noemde zijn naam 23Issaschar.
22 Dat is, ik houd mij genoegzaam beloond voor de dudaïm van mijn zoon, dewijl mij God, nadat ik uit mijn dienstmaagd kinderen gekregen heb, nog daarenboven buiten mijn verwachting uit mijn eigen lijf dezen zoon gegeven heeft. Voor het woord nadat hebben anderen omdat.
23 Hebr. Ischsacher, dat is, daar is een loon.
 
19 En Lea werd wederom bevrucht en zij baarde Jakob den zesden zoon.
20 En Lea zeide: God heeft mij, mij heeft Hij 24begiftigd met een goede gift; ditmaal zal mijn man mij bijwonen, want ik heb hem zes zonen gebaard. En zij noemde zijn naam 25Zebulon.
24 Het Hebreeuwse woord met het volgende gift wordt in de Heilige Schrift nergens meer dan hier gevonden. Het meeste gevoelen is, dat zij een bijzondere en treffelijke gift betekenen.
25 Hebr. Zebulun, dat is, woning of bijwoning.
 
21 En zij baarde daarna een dochter; en zij noemde haar naam 26Dina.
26 Dat is, rechtshandel of gericht.
 
22 27God dacht ook aan Rachel; en God verhoorde haar en 28opende haar baarmoeder.
27 Zie Gen. 8 op vers 1.
28 Zie Gen. 20 op vers 18.
 
23 En zij werd bevrucht en baarde een zoon; en zij zeide: God heeft mijn 29smaadheid 30weggenomen.
29 Die te dien tijde was in de onvruchtbaarheid, 1 Sam. 1:6. Jes. 4:1. Luk. 1:25, en dat meest om twee redenen: 1. Omdat de onvruchtbaren van de belofte aan Abraham gedaan aangaande de vermenigvuldiging van zijn zaad schenen uitgesloten te zijn. 2. Omdat zij waren buiten de hoop, dewelke zij anders hebben mochten, dat de Messias (Die uit het zaad Abrahams voortkomen moest) een van haar nakomelingen zou worden.
30 Hebr. vergaderd, ingetrokken, teruggenomen.
 
24 En zij noemde zijn naam 31Jozef, zeggende: De HEERE voege mij een anderen zoon daartoe.
31 Deze naam schijnt te zien op twee woorden, te weten, het voorgaande wegnemen, en wat hier staat toevoegen.
 
Jakobs kudde
25 En het geschiedde als Rachel Jozef gebaard had, dat 32Jakob tot Laban zeide: Laat mij vertrekken, dat ik ga tot mijn plaats en naar mijn land.
32 Te weten, als de andere zeven jaren van zijn dienst om waren, en hij zijn schoonvader niets meer schuldig was.
 
26 Geef mijn vrouwen en mijn kinderen, 33om dewelke ik u gediend heb, dat ik vertrek; want gij weet mijn dienst, 34dien ik u gediend heb.
33 Versta dit eigenlijk ten aanzien van de vrouwen.
34 Te weten den tijd van veertien jaren, met groten arbeid en trouw.
 
27 Toen zeide Laban tot hem: Zo ik nu 35genade gevonden heb in uw ogen; ik heb waargenomen, dat de HEERE mij om uwentwil gezegend heeft.
35 Zie over deze manier van spreken Gen. 18 op vers 3. Het is een afgebroken rede, in zulke aanspraak gebruikelijk, die men aanvullen kan met deze woorden: Zo blijf toch bij mij, en zeg maar het loon, dat gij van mij begeert.
 
28 Hij zeide dan: Noem 36mij uitdrukkelijk uw loon, 37dat ik geven zal.
36 Hebr. over of op mij. Hij wil zeggen: Leg mij zulk loon op, als gij wilt. Het Hebreeuwse woordje betekent doorsteken, doorboren, hechten, vastzetten en vervolgens uitdrukkelijk noemen.
37 Of: en ik zal het geven.
 
29 Toen zeide hij tot hem: Gij weet 38hoe ik u gediend heb, en hoe uw vee bij mij geweest is.
38 Of: welken dienst ik u gedaan heb, en wat uw verovering of verkrijging bij mij geweest is; dat is, hoe wél gij u bij mijn dienst bevonden hebt.
 
30 Want het weinige dat gij 39vóór mij gehad hebt, dat is tot een menigte 40uitgebroken; en de HEERE heeft u gezegend 41bij mijn voet; nu dan, wanneer zal ik ook 42werken voor mijn huis?
39 Dat is, vóór mijn komst. Alzo Gen. 32:3.
40 Zie van de eigenschap van dit woord Gen. 28 op vers 14.
41 Dat is, nadat ik uw zaken beleid en belopen heb, of: met dat ik mijn voet in uw huis gesteld heb.
42 Of: wat doen voor mijn huisgezin.
 
31 En hij zeide: Wat zal ik u geven? Toen zeide Jakob: Gij zult mij niet 43met al geven, indien gij mij deze zaak doen zult; 44ik zal wederom uw kudde weiden en bewaren.
43 Te weten geen loon van u gezet, maar dat Gods voorzienigheid mij gunnen en toeschikken zal.
44 Hebr. ik zal wederkeren, ik zal weiden, enz.
 
32 Ik zal heden door uw ganse kudde gaan, daarvan afzonderende al het 45gespikkelde en 46geplekte 47vee, en al het 48bruine vee onder de lammeren, en het geplekte en gespikkelde onder de geiten; 49en zulks zal mijn loon zijn.
45 Dat is, getekend met kleine stipjes.
46 Dat is, met grotere plekken of vlekken.
47 Versta kleinvee als schapen, lammeren, geiten.
48 Of: brandkleurig. Het Hebreeuwse woord komt van brand, hitte, warmte.
49 Dat is, welke uit de eenkleurige beesten, namelijk de geheel witte, die ik weiden zal, gesprenkeld of geplekt of bruin zullen geworpen worden, zullen mijn loon zijn.
 
33 50Zo zal mijn gerechtigheid op den dag van 51morgen met mij betuigen, 52als gij komen zult over mijn loon, voor uw aangezicht; al wat niet gespikkeld en geplekt is onder de geiten en bruin onder de lammeren, dat zij bij mij gestolen.
50 Dat is, wanneer gij heden of morgen eens zult komen bezichtigen wat mij ten loon gevallen is, zo zal naaktelijk en onwedersprekelijk blijken wat mijn rechtvaardig loon is, of het tegendeel.
51 Dat is, in toekomenden tijd. Zo is dit woord morgen dikwijls in de Heilige Schrift genomen; als Ex. 13:14. Deut. 6:20. Joz. 4:6. Matth. 6:34.
52 Anders: als zij komen zal (te weten de gerechtigheid) om mijn loon.
 
34 Toen zeide Laban: Zie, och ja, het zij naar uw woord.
35 En 53hij zonderde af ten zelven dage 54de gesprenkelde en geplekte bokken en al de gespikkelde en geplekte geiten, alles waar wit aan was, en al het bruine onder de lammeren; en hij gaf ze in de hand zijner zonen.
53 Te weten Laban.
54 Te weten aan de benen met een ronde streep in de gelijkenis van een band, naar de eigenschap van het woord.
 
36 En hij stelde 55een weg van drie dagen tussen zich en tussen Jakob; en Jakob weidde de overige kudde van Laban.
55 Of: drie dagreizen, dat is, de ruimte van drie dagreizen; versta tussen de kudden van Labans zonen, en de andere die Jakob weidde, opdat de witte toch niet met de gevlekte of bruine enigszins zouden vermengd worden.
 
37 56Toen nam zich Jakob 57roeden van 58groen populierenhout en van hazelaar en van kastanje; en hij schilde daarin witte strepen, ontblotende het wit hetwelk aan die roeden was.
56 Dit heeft Jakob gedaan door ingeving en regering van God. Zie Gen. 31:9. Aldus heeft God voor Jakob gezorgd, opdat Laban hem niet ledig naar huis zou laten gaan. Zie Gen. 31:42.
57 Of: stokken of garden.
58 Of: vers.
 
38 En hij legde deze roeden die hij geschild had, in de goten en in de drinkbakken van het water, waar de kudde kwam drinken, tegenover de kudde; en 59zij werden verhit, als zij kwamen om te drinken.
59 Dat is, verhit zijnde ontvingen zij.
 
39 Als dan de kudde verhit werd bij de roeden, zo lammerde de kudde 60gesprenkelde, gespikkelde en geplekte.
60 Te weten aan de benen, als vers 35.
 
40 Toen scheidde Jakob 61de lammeren, en hij wendde het gezicht der kudde op het gesprenkelde en al het bruine onder Labans kudde; en 62hij stelde zijn kudden alleen, en hij zette ze niet bij de kudde van Laban.
61 Te weten die veelkleurig of bruin waren. Deze liet hij voorgaan, de andere liet hij volgen; opdat deze die in het gezicht zouden hebben als zij rammelden.
62 Te weten, opdat zij door het aanschouwen van dezelve niet haars gelijke, dat is, eenkleurige zouden voortbrengen.
 
41 En het geschiedde, telkens als de kudde 63der vroegelingen verhit werd, zo stelde Jakob de roeden voor de ogen der kudde in de goten, opdat zij hittig werden bij de roeden.
63 Dat is, die in het voorjaar geworpen werden, zijnde naar de eigenschap van het Hebreeuwse woord vast, sterk, gebonden van lijf.
 
42 Maar als de kudde 64spade hittig werd, zo stelde hij ze niet; zodat de spadelingen Laban en de vroegelingen Jakob toekwamen.
64 Dat is, in het najaar; die zwak en onsterk van lijf waren.
 
43 En die man 65brak 66gans zeer uit in menigte, en hij had vele kudden en dienstmaagden en dienstknechten en kemels en ezels.
65 Zie Gen. 28 op vers 14.
66 Hebr. zeer zeer.

Einde Genesis 30