Statenvertaling.nl

sample header image

Genesis 3 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst


Genesis 3

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

De duivel verzoekt de vrouw door de slang, vs. 1. De vrouw wordt verleid, en overtreedt, alsook de man, 6. Waarvan zij terstond het gevoelen hebben, 7. God spreekt op hun beider bekentenis de sententie, over de slang, de vrouw, en den man, met ingevoegde belofte van den Zaligmaker, 8. Adam noemt zijn vrouw Eva, 20. Zij worden beiden van God gekleed, bespot, van den boom des levens verstoten, en uit het paradijs gebannen, 21.
 
De zondeval
1 DE 1slang nu was listiger dan al het gedierte des velds, hetwelk de HEERE God gemaakt had; en 2zij zeide tot de vrouw: 3Is het ook dat God gezegd heeft: Gijlieden zult niet eten van allen boom dezes hofs?
1 Een dier, hetwelk de duivel, omdat het zeer listig was, misbruikt heeft, om den mens van God, zijn Schepper (van Wien hij tevoren met al zijn boze engelen was afgevallen, Joh. 8:44. 2 Petr. 2:4. Jud. vs. 6), af te voeren; waarom hij ook is geheten een serpent of slang, 2 Kor. 11:3. Openb. 20:2.
2 Dat is, de duivel sprak door haar, met een arglistige, bedrieglijke rede; gelijk de woorden van dezen tekst en de navolgende klaarlijk uitwijzen.
3 De duivel speelt hier met Gods gebod, en poogt door dubbelzinnigheid hetzelve in twijfel te trekken, of te verduisteren, en zo te vernietigen.
 
2 En de vrouw zeide tot de slang: Van de vrucht der bomen dezes hofs 4zullen wij eten;
4 Dat is, mogen wij wel vrijelijk eten.
 
3 Maar van de vrucht des 5booms die in het midden des hofs is, heeft God gezegd: Gij zult van die niet eten, 6noch die aanroeren, 7opdat gij niet sterft.
5 Of: geboomtes.
6 Te weten, om daarvan te eten.
7 Anders: opdat gij niet misschien sterft; menende dat Eva hier begon te wankelen.
 
4 Toen zeide de slang atot de vrouw: 8Gijlieden zult 9den dood niet sterven;
a 2 Kor. 11:3.
8 Een stoute, onbeschaamde, openbare leugen van den duivel. Daarom wordt hij terecht een leugenspreker en vader der leugens genoemd, Joh. 8:44.
9 Hebr. niet stervende sterven. Anders: niet zekerlijk sterven.
 
5 Maar bGod weet, dat ten dage als gij daarvan eet, zo zullen uw ogen geopend worden; en gij zult als 10God wezen, 11kennende het goed en het kwaad.
b Joh. 8:44.
10 Of: als goden.
11 Het woord kennen heeft tweeërlei zin, te weten, wijsheid vatten en begrijpen die den mens heerlijk en gelukzalig maakt, of ellende gevoelen die denzelven schandelijk en verdoemelijk maakt. Het eerste belooft de satan den mens bedrieglijk, wel wetende dat anders niet dan het tweede hen volgen zou.
 
6 En de vrouw zag dat die boom goed was tot spijze, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, een boom die 12begeerlijk was 13om verstandig te maken; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook haar man 14met haar, cen 15hij at.
12 Anders: wenselijk, dat is, te begeren of te wensen.
13 Of: om verstand te bekomen.
14 Of: met of bij haar zijnde.
c Rom. 5:12, 14, 15. 1 Tim. 2:14.
15 Te weten, van de vrouw overreed zijnde, als te zien is vers 17.
 
7 Toen werden hun beider 16ogen geopend, en zij werden gewaar dat zij dnaakt waren; en zij hechtten vijgenboombladeren tezamen en maakten zich 17schorten.
16 Versta niet zozeer de ogen van het lichaam, waardoor zij zagen hun schaamte, als van den geest, waardoor zij gevoelden hun zonde, en de straf die zij over zich en hun nakomelingen gebracht hadden, zijnde daarvan in hun consciënties overtuigd.
d Gen. 2:25.
17 Anders: voorschoten of deksels, om hun schamelheid te bedekken.
 
8 En zij hoorden de 18stem van den HEERE God, wandelende in den hof, 19aan den wind des daags. Toen verborg zich Adam en zijn vrouw voor het aangezicht van den HEERE God in het midden van het geboomte des hofs.
18 Of: geluid.
19 Dat is (zoals sommigen verklaren), aan de koelte of wind van den morgen- of avondtijd, of bij het waaien van enigen wind op zekeren tijd des daags, waardoor de stem des Heeren tot Adam is overgebracht geworden.
 
9 En de HEERE God riep Adam en zeide tot hem: Waar zijt gij?
10 En hij zeide: Ik hoorde Uw stem in den hof, en ik vreesde, want ik ben naakt; daarom verborg ik mij.
11 En Hij zeide: Wie heeft u te kennen gegeven, dat gij naakt zijt? Hebt gij van dien boom gegeten, van welken Ik u gebood dat gij daarvan niet eten zoudt?
12 Toen zeide Adam: De vrouw, die Gij 20bij mij gegeven hebt, die heeft mij 21van dien boom gegeven, en ik heb gegeten.
20 Anders: bij mij gesteld, dat is, gegeven of gesteld om bij mij te zijn.
21 Dat is, van de vrucht des booms, als ook vers 6.
 
13 En de HEERE God zeide tot de vrouw: 22Wat is dit, dat gij gedaan hebt? En de vrouw zeide: eDe slang heeft mij bedrogen, en ik heb gegeten.
22 Anders: Wat! Hebt gij dat gedaan? of: Waarom hebt gij dat gedaan?
e Openb. 12:13.
 
14 Toen zeide de HEERE God 23tot de slang: Dewijl gij dit gedaan hebt, zo 24zijt gij vervloekt boven al het vee en boven al het gedierte des velds; op uw buik zult gij gaan en stof zult gij eten al de dagen uws levens.
23 Als zijnde geweest des duivels werktuig; om welke oorzaak deze gehele vloek de slang lichamelijk en den duivel geestelijk raakt. Doch de slang wordt hier niet gevraagd (als tevoren Adam en Eva), omdat de duivel geen excuus had.
24 Of: wees. Alzo Gen. 4:11.
 
15 25En Ik zal fvijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen 26uw zaad en tussen 27haar Zaad; gDatzelve zal u den kop vermorzelen, 28en gij zult Het de verzenen vermorzelen.
25 Dit vonnis is voornamelijk uitgesproken tegen den duivel, die de meeste oorzaak was van den val des mensen.
f Matth. 4:1.
26 Versta hierdoor alle kinderen des duivels, Joh. 8:44.
27 Dit zaad is eigenlijk alleen de Heere Christus, de eniggeboren Zone Gods, Die uit de vrouw, een maagd zijnde, door de werking van Gods Geest in de volheid des tijds moest geboren worden, om door de verdienste Zijns doods en de kracht Zijns Geestes, den duivel al zijn geweld te benemen, en hem onder Zijn en Zijner gemeente voeten te vertreden. Zie Ps. 110:1. Joh. 12:31. Rom. 16:20. Hebr. 2:14. 1 Joh. 3:8. Dit is de eerste evangelische belofte des levens, gesteld tegen de eerste, voorgaande aanzegging des doods.
g Kol. 2:15.
28 Dat is, de duivel en zijn zaad zullen Christus en Zijn gemeente vervolgen, maar niet kunnen uitroeien en verderven.
 
16 Tot de vrouw zeide 29Hij: 30Ik zal zeer vermenigvuldigen uw smart, namelijk uwer dracht; met smart zult gij 31kinderen baren; en tot uw man zal uw 32begeerte zijn, hen 33hij zal over u heerschappij hebben.
29 Te weten God.
30 Hebr. Ik zal vermenigvuldigende vermenigvuldigen.
31 Hebr. zonen, welk woord in de Heilige Schrift veel gebruikt wordt voor kinderen, dat is, voor zonen en dochteren. Alzo Ex. 22:24. Ps. 128:6.
32 Dat is, gij zult gehouden zijn u naar den wil van uw man te voegen, en zoeken onder hem te schuilen, en door zijn beleid geregeerd te worden.
h 1 Kor. 14:34. 1 Tim. 2:11, 12. Tit. 2:5. 1 Petr. 3:6.
33 Dat is, hij zal macht hebben over u te gebieden, hetwelk voor uw vlees nu lastig zal zijn, terwijl het voor den val niet dan lieflijk was.
 
17 En tot Adam zeide Hij: 34Dewijl gij geluisterd hebt naar de stem uwer vrouw en van dien boom gegeten, waarvan Ik u gebood, zeggende: Gij zult daarvan niet eten, zo zij het aardrijk om uwentwil 35vervloekt, en 36met smart zult gij daarvan eten al de dagen uws levens.
34 Zie de aant. op vers 6.
35 Zie Rom. 8:19, 20, 21.
36 Dat is, met kommerlijken en moeilijken arbeid zult gij u op aarde onderhouden.
 
18 Ook zal het u doornen en distelen voortbrengen; en gij zult 37het kruid des velds eten.
37 Of: het gewas des velds, hetwelk gij buiten dezen hof zult moeten vinden, zijnde voortaan van de vruchten van dezen verstoten.
 
19 In het zweet uws aanschijns zult gij 38brood eten, 39totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt; want gij zijt stof en gij zult tot stof wederkeren.
38 Dat is, uw voedsel en onderhoud krijgen. Alzo is het woord brood voor allerlei voedsel genomen Gen. 18:5; 28:20.
39 Dat is, totdat gij sterft.
 
20 Voorts noemde Adam den naam zijner vrouw 40Eva, omdat zij een moeder 41aller levenden is.
40 Hebr. Chavvah.
41 Hebr. alles levenden, dat is, aller mensen.
 
21 En de HEERE God maakte voor Adam en zijn vrouw rokken van vellen en toog ze hun aan.
22 Toen zeide de HEERE God: 42Zie, de mens is geworden als Onzer een, kennende het goed en het kwaad. Nu dan, 43dat hij zijn hand niet uitsteke en neme ook van den boom des levens en ete en leve in eeuwigheid.
42 God verwijt hier den mens zijn hoogmoed, waardoor hij meende God gelijk te zullen worden, en nu integendeel zichzelven en al zijn nakomelingen in de grootste ellende en versmaadheid gebracht had.
43 God heeft niet gewild dat de mens het teken des levens, hetwelk hij door zijn overtreding verloren had, gebruiken zou.
 
23 Zo verzond hem de HEERE God uit den hof van Eden, om den aardbodem te bouwen, waaruit hij genomen was.
24 En Hij dreef den mens uit, en stelde 44cherubs tegen het oosten des hofs van Eden, en 45een vlammig lemmer eens zwaards, 46dat zich omkeerde, om te bewaren den weg van den boom des levens.
44 Versta hierdoor engelen, die alzo genoemd worden, en den Israëlieten met dien naam bekend waren, overmits de ark des verbonds in het heilige der heiligen met twee cherubs (in menselijke gedaante met uitgebreide vleugelen) bedekt was, Ex. 25:18. 1 Kon. 6:23. 2 Kron. 3:10.
45 Hetzij dat het inderdaad vurig geweest is, of de gedaante van een opgaande vlam gehad heeft.
46 Of: omslingerde, en ginds en weder omdraaide.

Einde Genesis 3