Statenvertaling.nl

sample header image

Genesis 15 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Genesis 15

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Belofte en geloof
1 NA deze dingen geschiedde het woord des HEEREN tot Abram in een gezicht, zeggende: Vrees niet, Abram, aIk ben u een Schild, uw Loon zeer groot. a Ps. 16:6; 18:3; 19:12. verwijsteksten
2 Toen zeide Abram: Heere HEERE, wat zult Gij mij geven, daar ik zonder kinderen heenga, en de bezorger van mijn huis is deze Damascener Eliëzer?
3 Voorts zeide Abram: Zie, mij hebt Gij geen zaad gegeven, en zie, de zoon van mijn huis zal mijn erfgenaam zijn.
4 En zie, het woord des HEEREN was tot hem, zeggende: Deze zal uw erfgenaam niet zijn; maar die uit uw lijf voortkomen zal, die zal uw erfgenaam zijn.
5 Toen leidde Hij hem uit naar buiten en zeide: Zie nu op naar den hemel en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt; en Hij zeide tot hem: bZo zal uw zaad zijn. b Ex. 32:13. Deut. 10:22. Rom. 4:18. Hebr. 11:12. verwijsteksten
6 cEn hij geloofde in den HEERE; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid. c Rom. 4:3, 9, 18, 22. Gal. 3:6. Jak. 2:23. verwijsteksten
 
Het offer als teken
7 Voorts zeide Hij tot hem: Ik ben de HEERE, Die u uitgeleid heb uit Ur der Chaldeeën dom u dit land te geven, om dat erfelijk te bezitten. d Ps. 105:11. verwijsteksten
8 En hij zeide: Heere HEERE, waarbij zal ik weten, dat ik het erfelijk bezitten zal?
9 En Hij zeide tot hem: Neem Mij een driejarige vaars en een driejarige geit en een driejarigen ram, en een tortelduif en een jonge duif.
10 En hij bracht Hem al deze, en hij deelde ze middendoor, en hij legde elks deel tegenover het andere; maar het gevogelte deelde hij niet.
11 En het wild gevogelte kwam neder op het aas, maar Abram joeg het weg.
12 En het geschiedde als de zon was aan het ondergaan, zo viel een diepe slaap op Abram; en zie, een schrik en grote duisternis viel op hem.
13 Toen zeide Hij tot Abram: Weet voorzeker, edat uw zaad vreemd zal zijn in een land dat hunlieder niet is, en zij zullen hen dienen, en zij zullen hen verdrukken, vierhonderd jaar. e Ex. 12:40. Hand. 7:6. Gal. 3:17. verwijsteksten
14 Doch Ik zal het volk ook richten, hetwelk zij zullen dienen; en daarna zullen zij uittrekken fmet grote have. f Ex. 3:22; 11:2; 12:35, 36. verwijsteksten
15 gEn gij zult tot uw vaderen gaan met vrede; gij zult in goeden ouderdom begraven worden. g Gen. 25:7, 8. verwijsteksten
16 hEn het vierde geslacht zal herwaarts wederkeren; want de ongerechtigheid der Amorieten is tot nog toe niet volkomen. h Ex. 12:40. verwijsteksten
17 En het geschiedde dat de zon onderging en het duister werd; en zie, er was een rokende oven en vurige fakkel, die tussen die stukken doorging.
18 Te dienzelven dage maakte de HEERE een verbond met Abram, zeggende: iUw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af tot aan de grote rivier, de rivier Frath: i Gen. 12:7; 13:15; 24:7; 26:4. Ex. 32:13. Deut. 1:8; 34:4. verwijsteksten
19 Den Keniet, en den Keniziet, en den Kadmoniet,
20 En den Hethiet, en den Fereziet, en de Refaïeten,
21 En den Amoriet, en den Kanaäniet, en den Girgasiet en den Jebusiet.

Einde Genesis 15